Brieven gekregen van Yad Vashem, Israël III.
Brief van Susanne Ledermann aan Paulieneke Citroen, haar nichtje.
Lieve Paulieneke,
Je boft maar weer zoals alleen een kind kan boffen, wiens naam begint met de letters P,A,U en wiens naam eindigt met de letters L,I,E,N,E, K en E. Want toen ik je welluidende brief ontving, had ik net zin om een brief te schrijven. En dus zette ik mijn neer en greep naar de pen ... Zie je dit postpapier? Van tante Lalla. Voor jou is me niets goed genoeg! (Als je nou hier was, drukte ik je je smartelijk tegen mijn boezem, maar dat kan niet, want jij bent er niet en m'n boezem ook niet.) Zo zie je weer. Wat een bof dat jullie voor Duits een leraar hebben die geen Duits kan! Onze kan het wel, maar ik kan het niet. Zo gaat dat in de wereld. Een schande voor de hele familie. Zet na- en voorgeslacht en het nu bestaande geslacht, wiens naam ik draag, als ik een 6 voor Duits heb. We hebben nu een soort ontspanning op school, Woensdagmiddags waar je ook kunt pingpongen. Gabi is niet meer bij ons, is weer bij de Goslars. Het boek is intussen nog niet aangekomen en mijn verlangen naar dat waarlijk schone boek is niet te temmen (je sjou toch sjegge, hik?).
Nou gebroeder, o nee, gezuster, o nee, genicht, nog hartelijk dank voor je leuk epistel en je hand schuddende, je zoenende, je de groeten aan de familie opgevende, tante Lien bedankende en zoenende voor haar briefje, teken ik,
je Susanne.
PS Ik verbied je in 't vervolg ziek te worden zonder mijn toestemming, begrepen? Susanne.
Lieve oom Paul
Je bent een redder in de nood (nooit geweten he?) want toen jouw gewelidige gift aankwam had ik juist mijn laatste drie centen aan een eisje van vijf uitgegeven (lening van 2 cent).


Deel van brief van Susanne Ledermann waarschijnlijk voor haar nichtje Paulieneke, geschreven medio december 1942.

Maar nu kan ik m'n ouders + Barbara, Omi en de oud-tantes tenminste met Chanacka iets geven. Vervelend zo'n grote zus! Nou heeft ze een jongen! Erd aardig trouwens, maar nou moet ik hem ook iets geven. Nou het gaat wel. Dan geef ik ieder een rolletje drop en daarmee afgelopen. Prettig zo'n rijke oom! Nog nooit gehad. "M'n rijke oom uit Wassenaar!" Klinkt goed he?
Vandaag ben ik van school weggebleven voor een eventuele razzia. Natuurlijk niks geweest. Maar er was opwinding en daar gaat het tenslotte om. Onze school moet verhuizen. Ik geloof morgen. Dan komen we bij 't Lyceum in. Niks leuk! Ik vind een eigen school hoort in een eigen school. Niemand van ons kan het Lyceum luchten, behalve ik. Daar komt nog moord en doodslag van. Nou weet ik niet of ik morgen nog naar m'n oude school (die gaat naar de gemeente terug) of naar de nieuwe moet. Ik zal eerst maar eens naar de oude gaan. Als ik dan te laat kom op de nieuwe krijg ik geen straf (Sonderfall)
Nou daag,
Poot, Susanne


Mijn geliefde oudste en jullie beide vrouwtjes, die samen zo’n mooi paar vormen! 14-12-1942
Nu heb ik ook een bode gevonden die jullie mijn verjaardagstaart wil overbrengen.
Ik omhels jullie ook in gedachten, ieder afzonderlijk, heel hartelijk met alle goede wensen voor jullie in mijn hart — wensen die ik, omdat jullie ze kennen, eigenlijk niet eens hoef uit te spreken. Slechts die ene: dat wij deze dag nooit meer van elkaar gescheiden hoeven door te brengen.
Het komt mij toch vreemd voor dat ik mij niet uitbundig vrolijk kan maken om de dag met jullie samen door te brengen in de gelukkige harmonie van vroegere jaren; maar dat men kan denken dat ze voorbij zijn, en toch kan glimlachen omdat ze er geweest zijn en hopelijk weer terugkeren.
Daar liggen jullie nu alle drie, vroeg in de ochtend, in bed.
Paulieneke kan geen moment wachten totdat ze met haar verrassingen naar binnen mag komen; en wanneer hij of zij zich daarover genoeg heeft verheugd en verbaasd, grijpt moedertje meteen onder het bed en haalt de cadeaus tevoorschijn. En Paulchen ligt ook niet met lege handen — iedereen krijgt zijn deel en het uitpakken begint weer van voren af aan.
Ach, het doet zo goed alleen al daaraan te denken. En je hebt gelijk, mijn jongen het goede is ons gebleven nu dubbel.
Ik begin nu de taart voor te bereiden voor Bendien en hoop dat het voor Panki niet te lastig is de hiervoor bedoelde fles mee te nemen. Als hij er dan is, laat het zich ook met jullie vrienden goed smaken. Ze zullen immers, zoals altijd, ’s avonds na het eten komen. En misschien kan tante Fietje zich er ook bij aansluiten.
Hoe gaat het nu met jullie? Schrijf eens snel en uitvoerig, heel hartelijk van mij. Is de worst al klaar en mooi geworden? Hopelijk zullen ook jullie en Paulchen binnenkort weer goede diensten kunnen bewijzen.
De brieven van Hans en Ruth kon ik nog dezelfde dag aan Franz meegeven, die onverwacht verscheen, zodat jullie ze misschien al ontvangen hebben. Jullie sturen hem vast ook snel weer een antwoord terug. Misschien stellen zij zich hun leven daar toch iets anders voor dan zij zich hadden voorgesteld. Het was eerst ook allemaal zo sprookjesachtig, en gemakkelijk hebben ze het niet. Maar voor vrijheid en zekerheid wordt nu eenmaal menig offer gebracht.
Zo, mijn geliefde drie, dat was de zogenaamde verjaardagsbrief die ik afsluit met een innige omhelzing.
Alle liefs!
Jullie Mutti.
Brief van Ellen Citroen-Philippi aan haar zoon Paul en zijn gezin.
Roelof Paul Citroen (Berlijn, 15 december 1896 – Wassenaar, 13 maart 1983) was een Nederlandse kunstschilder, tekenaar, en collagemaker, tevens kunstverzamelaar, fotograaf en postzegelontwerper. Hij was medeoprichter van de Nieuwe Kunstschool in Amsterdam en heeft ook als docent een belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van de Nederlandse kunst van de 20e eeuw.
Paul Citroen groeide op in Berlijn in een Joods gezin. Zijn Nederlandse vader Hendrik Roelof Citroen (1865–1932) had een bonthandel in Berlijn. Zijn moeder Ellen Philippi (1872–1945) was van Berlijns-joodse komaf. Citroen beschreef het milieu waarin hij opgroeide als 'burgerlijk'. Er was veel aandacht voor kunst en cultuur; zijn vroege tekentalent werd door zijn ouders gestimuleerd. Paul bezocht het Askanisches Gymnasium. Op zijn veertiende verruilde Paul het gymnasium voor de tekenschool. Twee jaar later in 1912 vervolgde hij zijn opleiding aan de 'Studien-Ateliers für Malerei und Plastik', waar hij traditioneel naturalistisch werd geschoold. Hij kreeg belangstelling voor de avant-garde die zich in Berlijn ontwikkelde en maakte kennis met moderne stromingen als expressionisme, dadaďsme en kubisme.
Omdat zijn vader Nederlander was werd Paul in de Eerste Wereldoorlog gemobiliseerd voor het Nederlandse leger. Er zijn enige details hierover te vinden in het militieregister van de gemeente Amsterdam. Paul wordt met een lengte van 1707 millimeter goedgekeurd op 29 mei 1915; wegens een 'zakaderbreuk' wordt afgeraden hem bij de bereden troepen te plaatsen. Er zijn meldingen dat hij gelegerd zou zijn in Alkmaar; het register meldt echter een eerste plaatsing in december bij de infanterie te Naarden. Maar met Kerst 1915 krijgt hij al uitstel van eerste oefening en gaat voor lang verlof terug naar Duitsland. Dat wordt verlengd tot 1918 en in september van dat jaar wordt hij definitief afgekeurd ('ontslagen wegens lichamelijke gebreken').
Inmiddels was Citroen in 1917 vertegenwoordiger voor Nederland geworden, van de Berlijnse expressionistische kunstgalerie Der Sturm van Herwarth Walden. Zo kwam hij in het boekhandelsvak terecht; in de periode 1916-1918 is hij Nederland regelmatig blijven aandoen. Na de oorlog pakte hij zijn kunstopleiding weer op en bezocht van 1919-1921 de Kunsthochschule te Berlijn (tegenwoordig Universität der Künste Berlin). In deze periode begon hij al kunst te verzamelen met name van de schilders van Der Blaue Reiter. Met zijn schoolvriend Erwin Blumenfeld - de later wereldberoemde fotograaf, die in 1921 met Lena Citroen (een nicht van Paul) trouwde - had hij al vroeg fotografische experimenten uitgevoerd. In de jaren 1922-1924 rondde hij zijn opleiding af aan het Bauhaus in Weimar. Daar waren Johannes Itten en László Moholy-Nagy zijn docenten, maar ook Paul Klee en Wassily Kandinsky die zich na Der Blaue Reiter aan het Bauhaus hadden verbonden.
Citroen bleef internationaal reizen en handelen in kunst en - min of meer opgedrongen door zijn vader - ook in bont. Na korte verblijven in Zwitserland en Parijs vestigde hij zich eind 1928 definitief in Amsterdam, waar hij in 1929 trouwde met Céline (Lien) Bendien. Als huwelijkscadeau gaven zijn schoonouders hem zijn eerste (9x6 cm) fotocamera. In 1930 werd hun enig kind geboren; een dochter die zij PauLien noemden. In 1936 verhuisde het gezin van Amsterdam naar Wassenaar, waar Citroen tot aan zijn dood bleef wonen.
De Tweede Wereldoorlog heeft grote invloed op Citroen gehad. Vanwege hun Joodse afkomst moest het gezin onderduiken en overleefde dankzij hulp van verzetsmensen. Op 28 augustus 1942 werd Citroen gewaarschuwd over een op handen zijnde arrestatie. Hij vluchtte naar Maria Helena Friedlaender, die meer onderduikers verborg op de zolder van haar huis in Wassenaar. Maria was de niet-joodse echtgenote van Henri Friedlaender (een bekende graficus); een Joodse jeugdvriend van Citroen uit Berlijn. Henri zelf was gedurende de oorlogsjaren ondergedoken in het tuinhuis in Wassenaar. Nadat het gezin Citroen ruim 1 jaar bij Friedlaender ondergedoken was geweest, moest begin 1944 naar een veiliger onderkomen worden gezocht. Céline en Paulien vonden hun schuilplaats bij uitgeverij ‘ De Driehoek’ van Henri Methorst in 's-Graveland. Paul verhuisde naar een onderduikadres in Laren. Tijdens de oorlog bleef hij wel doorwerken; in deze eenzame periode betekende dat vooral zelfportretten. Na D-day in juni 1944 voegde hij zich bij zijn vrouw en dochter in ’s-Graveland. Voor zover bekend kon hij daar tot eind 1944 blijven en heeft hij daarna, mogelijk gescheiden van zijn gezin, nog op meerdere adressen ondergedoken gezeten op het platteland.
Het intensieve contact met andere kunstenaars en zijn vrienden was tijdens de onderduikperiode bijna geheel verdwenen. Uit die oorlogsperiode stammen meerdere ingetogen zelf- en gezinsportretten, vooral houtskooltekeningen. Dit onbekendere werk schetst de gemoedstoestand van Citroen: persoonlijk en sober van toon. Pas na de oorlog kon Citroen zijn geliefde genre de portretschilderkunst weer actiever gaan beoefenen.
De vader van Paul Citroen was in 1932 overleden, nog voor de machtsgreep van Hitler. Zijn moeder bezweek in Bergen-Belsen, juist voor het einde van de oorlog. Paul's zuster Ilse en haar man werden vermoord in Auschwitz.
Het zelfportret neemt in het werk van Paul Citroen een centrale plaats in. Toch is Metropolis (1923) - een fotocollage over 'de grote stad' - een van zijn bekendste en vroege werken. Het draagt de kenmerken van Bauhaus en dadaďsme. Het werk inspireerde de Duitse regisseur Fritz Lang bij het maken van zijn filmklassieker Metropolis (1927). Citroen vertelde later dat het idee voor Metropolis bij hem opkwam naar aanleiding van een briefkaart die zijn vriend Erwin Blumenfeld maakte met uitgeknipte afbeeldingen van huizen. Metropolis wordt bewaard in het prentenkabinet van de Universiteitsbibliotheek Leiden. Daar bevindt zich ook het negatievenarchief van Citroen, dat zijn weduwe Christi Frisch in 1986 aan dit instituut schonk.
Vóor zijn schilderscarričre had Citroen zich ontwikkeld tot een zeer verdienstelijk fotograaf. Ging het in eerste aanleg meer om amateuristische familiefotografie; in de periode 1930-1935 legde hij zich toe op de professionele portretfotografie. De portretkunst, die Citroen zijn hele leven zou blijven beoefenen, begon dus met fotografie. Eind 1924 maakte zijn Bauhaus-vriend Otto Umbehr hem meer vertrouwd met het 'nieuwe medium'. Door dit als kunstvorm toe te passen stroomde Citroen mee op de golven van de Nieuwe Fotografie.
Toch kwam de doorbraak pas in 1929, toen zijn Berlijnse vriendin Marianne Breslauer, kortstondig leerlinge van Man Ray, hem uitnodigde naar Parijs te komen. Zij had al in 1928 als achttienjarige een iconische foto van hem gemaakt.[26] Hij was door haar gefascineerd en mogelijk inspireerde zij hem tot de naaktfotografie, een genre dat Citroen eertijds veel beoefende.[27] Het was ook Marianne Breslauer die hem in contact bracht met Werner Rohde, een kunstenaar-fotograaf uit Bremen die tijdelijk in Parijs woonde. Met hem raakte Citroen goed bevriend en zij voerden diepgaande discussies over László Moholy-Nagy's Bauhausboek Malerei Fotografie Film uit 1925. Naar Citroens idee beperkte de fotografie (zijn) artistieke expressiemogelijkheden. Technische kennis van de fotografie had geen enkele prioriteit voor hem.
Hoewel er in Citroens foto's onmiskenbaar invloeden uit zijn Bauhaus-jaren en zijn verwantschap met Blumenfeld aanwezig zijn, gaan deze in tegen de trend van de tijd, door de lossere stijl en toepassing van enige onscherpte. Citroen volgde zijn gevoel en intuďtie en lette daarbij op houding en mimiek van zijn modellen. In de fotografie miste hij echter de fysieke relatie met het materiaal (zie hieronder bij Docent: Itten). Voor Citroen als ‘mensenmens’ waren tekenen en schilderen de manieren om dichterbij iemand te komen. Veel bekende kunstenaars die voor zijn lens kwamen, poseerden later voor een schilderij of tekening van zijn hand.
Gestimuleerd door de kunstenaars in zijn omgeving, kwam Citroen op het idee om een boek samen te stellen over de eigentijdse Nederlandse schilderkunst. In 1931 verscheen bij uitgeverij De Spieghel in Amsterdam: Palet. Een boek gewijd aan de hedendaagsche Nederlandsche schilderkunst. Daarin stonden naast portretten van de kunstenaars door Citroen, tevens reproducties van het werk van de geselecteerde kunstenaars, en daaronder bovendien hun eigen tekstuele bijdragen in proza of poëzie. Een breed palet derhalve.
Citroen fotografeerde onder meer de beeldhouwers John Rädecker en Hildo Krop, de schilders Else Berg en Carel Willink, de architect Gerrit Rietveld, en de artiesten Chaja Goldstein en Estella Reed. Van de laatste twee bestaan series portretten: van foto via tekening naar olieverfschilderij. Dat schetst ook de carričre-ontwikkeling van Citroen en zijn manier van werken. Iets soortgelijks geldt voor zijn contacten met schrijfster-cabaretičre Erika Mann, de oudste dochter van Thomas Mann. In 1934 had Citroen kennis gemaakt met de familie Mann en ook Thomas Mann voor het eerst ontmoet. In 1935 vroeg Erika Mann aan Citroen om een portrettekening van haar, als verrassing voor de 60e verjaardag van haar vader. Dat portret vervaardigde Citroen mede aan de hand van foto's die hij van haar maakte. Naar verluidt was Thomas Mann er erg mee ingenomen. In latere jaren (1939, 1947 en 1955) heeft Citroen ook van hem nog drie portretten gemaakt, tijdens diens retraites in Noordwijk aan Zee. Diverse internationaal bekende collega's - uit de expressionistische school - werden door Citroen afgebeeld: Max Ernst, Otto Dix, Oskar Kokoschka en Marc Chagall.
Met zijn opleiding in het Bauhaus als basis schilderde Citroen in de 1920s en 1930s abstracte composities en experimenteerde met kleur en vorm. Dat laatste had hij vooral meegekregen van zijn materiaalmeester Johannes Itten. Aan de oefeningen met theoretische en gevoelsmatige kleur- en materiaalcontrasten, had Kandinsky met zijn leer van analyse en synthese vanzelfsprekend ook bijgedragen. Op de schouders van zijn eigen leermeesters en in navolging van het Bauhaus, richtte 1933 Citroen met Charles Roelofsz de Nieuwe Kunstschool in Amsterdam op. Ondanks gebrekkige financiën wist deze opleiding zich te handhaven tot 1943. Invallen door de Duitsers maakte toen verder functioneren van de Nieuwe Kunstschool onmogelijk. Mede door de krappe financiën in Amsterdam begon Citroen in 1937 tevens als docent aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten (KABK) te Den Haag. Onderbroken door de oorlog was hij daaraan verbonden tot 1960. Tot zijn leerlingen behoorden Co Westerik, Hermanus Berserik, Kees Bol en Jan Wolkers; de invloed van Citroen is vooral in het werk van Berserik terug te zien. Er was goed contact tussen en onderlinge invloed van de docenten aan de KABK, met namen als Willem Schrofer, Rein Draijer en Willem Jacob Rozendaal. Zij zetten zich af tegen de populaire CoBrA-beweging en haalden hun - meer figuratieve - inspiratie uit de School van Barbizon en de Haagse School. Met andere kunstenaarsgroepen uit de Haagse regio - zoals Verve en de Posthoorngroep - ontstond een bundeling van krachten onder de naam Nieuwe Haagse School.
Citroen dankt zijn bekendheid bij het grote publiek aan zijn schilderijen. Zijn werk beweegt zich tussen modernisme, expressionisme en portretkunst. Hij wordt gezien als bruggenbouwer tussen het Duitse avant-gardisme (Bauhaus) en de Nederlandse kunstpraktijk. Zijn (zelf)portretten - tekeningen, en schilderijen in olie of aquarel - vormen het belangrijkste deel van zijn oeuvre. Uit de zelfportretten spreekt een introspectieve aanpak, weerspiegeld door de zwart-wit tinten (tekening, fotografie). Zijn geschilderde portretten daarentegen zijn, ook in een vrij kenmerkend kleurgebruik, juist expressief. In sommige portretten gebruikt Citroen versterkte huidskleuren (geel, blauw, paars) om een innerlijke gemoedstoestand weer te geven. Hij maakte meer dan 7.000 als 'psychologisch krachtig' gekenschetste portretten (olieverf, tekeningen en fotografie); van vrienden, schrijvers en beeldend kunstenaars. Het olieverfportret van Menno ter Braak (1939) is een voorbeeld van zijn nieuw-zakelijke stijl, met strakke contouren, terwijl de ogen juist emotie uitstralen. Bijna 20 jaar later maakte hij in opdracht een officieel portret (tekening) van prinses Beatrix. Naast portretten schilderde Citroen ook landschappen en figuren, vaak in een losse, lyrische stijl.
In 1949 decoreerde Citroen het schip en de kerkzaal van de hervormde Maranathakerk in de wijk Duinoord in Den Haag. Hij werkte daarbij nauw samen met de Bussumse architect Frits Eschauzier (1889-1957). In hetzelfde jaar ontwierp hij de Zomerpostzegels, in heldere zomerse tinten geel en blauw. In deze serie van vijf postzegels is er één, met de afbeelding van een zomerkamp bij avond, in een donkerder groen afgedrukt.
Het werk van Paul Citroen is opgenomen in belangrijke collecties: Museum de Fundatie (Zwolle), Rijksmuseum, Stedelijk Museum te Amsterdam, Joods Historisch Museum, Kunstmuseum in Den Haag en ook in de grote musea van New York - zie de lijst hieronder. In 1948 verkocht Citroen een belangrijk werk van Carlo Carrŕ (Begrafenis van de anarchist Galli, 1911) aan het Museum of Modern Art in New York. Hiermee zette hij zichzelf in de kunstwereld en -handel meer op de kaart. De provincie Overijssel verwierf vanaf 1975 in verschillende fasen het grootste deel van de collectie Citroen, inclusief de door hem aangekochte en aangelegde kunstverzameling. De werken zijn in beheer bij Museum de Fundatie en diverse behoren tot de permanente tentoonstelling.
Bron: Wikipedia.


Paulieneke & Paul Citroen.
Portret Paulieneke.
December 1942
Jaap van Duijn werd door de Duitsers aangesteld als een van de tuinmannen in Auschwitz. Tijdens de kerst van december 1942 mocht hij met verlof en zocht direct contact met de Joodsche Raad in Amsterdam. Hij vertelde over de gruwelijkheden die hij had gezien, waaronder martelingen en de gaskamers, er werd niets mee gedaan.
Jaap leefde nog tot en met 1982, maar is nooit over zijn frustratie heen gekomen dat hij niets heeft kunnen doen. De Joodsche Raad stuurde hem na twintig minuten heen met de mededeling: "u hoort nog van ons".
De klokkenluider van Auschwitz
Jaap van Duijn was als tuinman nabij de vernietigingskampen van Auschwitz getuige van vele gruwelen. Hij was de eerste die in Nederland joden probeerde te waarschuwen. Vergeefs.
René Zwaap 3 mei 2000 – verschenen in nr. 18
Een lintje heeft de in 1982 overleden Jaap van Duijn nooit gekregen. Integendeel: de vertegenwoordiger in potten en pannen werd na de oorlog eerder als potentieel staatsvijand gezien. Hij was actief lid van de psp, was vaak te vinden op vergaderingen van de pacifisten in Arnhem en schreef aan de lopende band ingezonden brieven over de Vietnamoorlog. Bovendien was hij met zijn voorkeur voor Oost-Europese vakantiebestemmingen sowieso al een verdacht individu. De buren hadden al diverse malen heren van de bvd over de vloer gehad die meer wilden weten over het gedrag van de vreemde buurman. Toch, als iemand een onderscheiding had verdiend, dan was hij het.
Van Duijn was namelijk de eerste ooggetuige van de massamoord in Auschwitz die een poging deed in Nederland joden te waarschuwen. Zijn relaas wordt door dr. L. de Jong in Het Koninkrijk der Nederlanden tijdens de Tweede Wereldoorlog in één alinea verteld. In december 1942 kwam de 22-jarige Nederlandse tuinman Jaap van Duijn, werkzaam bij de IG Farben-fabrieken in de omgeving van het Poolse Auschwitz, met verlof naar Nederland. Sinds de zomer van 1940 was hij bij een Duits bedrijf werkzaam dat hem in september 1942 naar Monowitz bij Auschwitz had gestuurd. Daar moest hij bij de kantoren en barakken van IG Farben (een grote fabriek voor kunstrubber) het groen aanplanten. Er werkten nog enkele andere Nederlandse arbeiders. Zij wisten allen wat in Auschwitz 1 en 2 gebeurde. ‘Ze roken de weeë, zoete lucht van de crematoria’, schrijft De Jong. Bovendien stonden ze in contact met Nederlandse gevangenen die bij de bouw van de IG Farben-fabriek waren ingeschakeld. De Jong: ‘Die gevangenen zeiden dat de Joodsche Raad gealarmeerd moest worden. Dat leek riskant. Na overleg met een collega besloot Van Duijn dat hij als vrijgezel het waagstuk diende te ondernemen.’ Toen Van Duijn eind 1942 samen met zijn collega J. de Snoo met verlof in Nederland kwam, waarschuwde hij de vier joden die bij zijn ouders in Hengelo ondergedoken zaten. Op hun aanraden reisde hij naar de Joodsche Raad in Amsterdam. Daar kreeg hij een half uur de tijd om te vertellen over de gaskamers en de crematoria. ‘Ze schrokken, ze waren ondersteboven’, schrijft De Jong, die Van Duijn in oktober 1970 eenmaal sprak. ‘Waren ze overtuigd van de juistheid van hetgeen die 22-jarige, hun volstrekt onbekende jongeman uit Hengelo meedeelde? Stellig niet: Van Duijn werd niet naar Asscher of Cohen meegenomen. Aan De Snoo zei Van Duijn trouwens op de terugreis dat hij bij de Joodsche Raad niet erg hartelijk ontvangen was; men had wél naar hem geluisterd maar er was twijfel geweest of hij misschien een provocateur was. Hij was er teleurgesteld door.’ Daar houden de mededelingen van De Jong op.
Het verhaal van Van Duijn gaat echter verder. Hij ging namelijk terug naar Auschwitz. Dit op uitdrukkelijk bevel van zijn vader, een man die met harde hand over zijn gezin moet hebben geregeerd. De zoon van Jaap van Duijn, ook Jaap geheten: ‘Mijn vader was na het bezoek aan de Joodsche Raad niet te troosten. In die tijd voerden Nederlandse politieagenten in hun straat weer joodse mensen af. Het huis van mijn opa was een soort doorgangshuis voor onderduikers. Soms zaten er wel zes. Mijn oom Frans vertelde: ?We waren blij met die joden, want dan kregen we niet zo veel slaag van die ouwe.? Die oom, vier jaar jonger dan mijn vader, werd in 1943 samen met hem naar Auschwitz gestuurd. Zo had mijn opa het besloten. Hij moest mijn vader maar gezelschap houden in die hel. Anders zou er thuis wel eens een huiszoeking kunnen komen, met alle ellende van dien.’ De twee broers uit Hengelo bleven tot aan het eind van de oorlog in Auschwitz, in de directe omgeving van de vernietigingskampen, en waren getuige van vele gruwelen. Van Duijn jr.: ‘Bij de fabrieken van IG Farben zagen ze hoe joodse dwangarbeiders met elkaar op de vuist gingen om een schop te bemachtigen om maar te kunnen werken. Ze zagen met eigen ogen hoe de Kapo?s van Auschwitz de schedels van hun gevangenen insloegen. Mijn oom vertelde me hoe de IG Farben-fabriek werd beschermd tegen bombardementen. Voor de luchtaanvallen reden er wat mensen rond op een fiets. Die draaiden kraantjes van vaten open die rondom de fabrieken waren geplaatst. Hierdoor ontstond een chemische reactie en een op wol lijkende witte rook. Daardoor werd de Engelse vliegtuigen het zicht ontnomen.’ Jaap van Duijn sr. bleef tot na de bevrijding van Auschwitz door de Russische troepen op 27 januari 1945 in Polen.
Broer Frans was al in het spoor van het vluchtende Duitse leger westwaarts getrokken. Jaap bleef echter om zijn zwangere echtgenote bij te staan. Op 3 april 1945 was hij met een jonge Poolse uit Auschwitz getrouwd. Zijn eerstgeboren kind zou snel na de geboorte overlijden. Eenmaal terug in Nederland, was hem opnieuw niet veel geluk gegeven. Van Duijn jr.: ‘Er waren veel spanningen thuis. Dat kwam vooral door de cultuurverschillen. De asbakken vlogen door de kamer. De grootste fout die mijn oma maakte toen haar zoon uit de oorlog uit Polen terugkwam, was hem een nachtzoen geven in de slaapkamer. Dat heeft mijn moeder haar nooit vergeven. Een moeder die een zoon in de nabijheid van zijn vrouw in de slaapkamer komt zoenen, dat bestond in haar Poolse dorp niet.’ Van Duijn herinnert zich zijn vader vooral als een hypochonder, een nerveuze en onzekere man. ‘Mijn vader was voor mij een groot kind. Dat al op je achtste van je eigen vader vinden is erg deprimerend. Ik zie hem nog op een afgebladderde houten keukenstoel onder de delftsblauwe handkoffiemolen zitten huilen omdat zijn auto weer niet wilde starten, terwijl hij zijn aardewerken potten nog moest verkopen op de markt. Hij werd dan ook opgenomen. Na een paar maanden, nadat hij ongeveer tien elektrische stroomstoten had ontvangen, ontsnapte hij en vluchtte naar zijn moeder. Eenmaal opgeknapt zette hij weer een commissiehandeltje in potten op en bezocht bijna alle bloemenzaken en kwekerijen in het land. Soms kwam hij me van school halen en dan zei hij dat er iets was in de familie. Dan reed ik de hele dag met hem mee. Tijdens mijn middelbare-schoolperiode groeiden we totaal uit elkaar. Hij werd lid van de psp, stortte zich in de Vietnamoorlog en schreef het ene ingezonden stuk na het andere. Ik ging varen bij de Holland-Amerikalijn en wilde niets weten van het communisme.’
Thuis praatte de gewezen tuinman van IG Farben nooit over zijn ervaringen in de oorlog. Hij had zelfs het boek van dr. L. de Jong niet in bezit, waarin zijn actie van december 1942 beschreven stond. Pas na zijn dood ontdekte Van Duijn jr. wat zijn vader in de oorlog had gedaan. Ook ontdekte hij de dagboeken die zijn vader in Auschwitz had bijgehouden, zijn archief met knipsels over de Duitse vernietigingskampen en zijn brieven aan dr. L. de Jong van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie en aan de redacties van diverse omroepen en kranten met het telkens vergeefse verzoek om hem over zijn ervaringen aan het woord te laten. Met De Jong die hij slechts eenmaal te spreken kreeg voerde Van Duijn sr. een correspondentie over de vraag waarom de geallieerden toch niet waren overgegaan tot het bombarderen van de vernietigingskampen. ‘Die zaak is nog niet opgehelderd’, schreef De Jong hem op 6 oktober 1967. ‘Maar het was in elk geval met de toenmalige bombardeertechniek praktisch uitgesloten kleine objecten als de gaskamers van grote hoogte te treffen en de Amerikanen moesten dus aannemen dat bij een zwaar bombardement de meeste bommen in het kamp zouden vallen. Misschien zou dat toch beter zijn geweest.’
Jaap van Duijn stierf aan kanker in een ziekenhuis in Bulgarije, waar hij tijdens een vakantie ziek was geworden. Van Duijn jr.: ‘Mijn vader stierf aan de ziekte waarvoor hij altijd panisch was geweest. Hij werd vastgebonden aan zijn bed omdat hij krabde aan zijn operatiewond en bedelde om water dat hij niet mocht drinken. Mijn moeder mocht nog afscheid van hem nemen in een kelder, waar ze hem vond tussen ongeveer 25 andere lijken waarop reeds sectie was verricht. Hij was in vergelijking met de rest nog redelijk intact, maar hij was van hals tot buik opengesneden. Van ongeveer tien meter afstand heeft ze hem als laatste vaarwel gezegd. Pas lang na zijn dood vroeg mijn moeder me tussen neus en lippen door of ik de dagboeken die mijn vader had geschreven wilde hebben, anders gingen ze de kachel in. Door die te lezen, plus wat er bij De Jong over mijn vader geschreven staat, begon ik hem pas echt te begrijpen. Ik las over de verschrikkelijke bombardementen op de omgeving van Auschwitz, waarbij alleen de vernietigingskampen werden gespaard, over het moorden, over het overlijden van zijn eerste kind. Ik vind het nu een jammerlijk gemis dat ik niet bij zijn sterven aanwezig was. Misschien had hij dan zijn geheimen aan mij verteld. Waarom hij dat niet eerder heeft gedaan, is mij een raadsel. Misschien stak ik zelf te veel mijn kop in het zand. Nu, in het jaar 2000, heeft hij mijn ogen geopend en ben ik ontzettend trots op hem. Hij heeft tenminste iets geprobeerd.’
Zou Franz Ledermann dit ter ore zijn gekomen?
WEGGUM.COM
De Jekerschool, Amsterdam
Het Joods Lyceum, Amsterdam.