De Vrije Groepen Amsterdam waren een federatie van verzetsgroepen in Amsterdam tijdens de laatste jaren van de Tweede Wereldoorlog. De VGA ontstond eind 1943 om de onderlinge contacten tussen Amsterdamse verzetsorganisaties te coördineren. De groepen, waarvan zo'n 20 procent van de ongeveer 350 leden een Joodse of deels Joodse achtergrond had, legden zich voornamelijk toe op het onderbrengen en verzorgen van Joodse onderduikers. Ze waren onder meer actief in het verstrekken van valse persoonsbewijzen, voedselbonnen, levensmiddelen en financiële steun aan onderduikers en verzetsleden.

Onder de 38 groepen die zich in de VGA hadden verenigd was de PP-groep van Bob van Amerongen en Jan Hemelrijk, die grotendeels uit Joodse en half-Joodse leden bestond. Ook de groep-Gerretsen en groep-Brandsma waren lid van de VGA.

De aanduiding "vrije groepen" gaf aan dat de verzetsgroepen zich niet wilden aansluiten bij de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO) maar onafhankelijk bleven. Vaak hing dit samen met het feit de LO alle financiële steun aan gezinnen met onderduikers aan het Nationaal Steun Fonds meldde, iets dat als riskant gezien werd. Ook kon het samenhangen met het onafhankelijke karakter van de verschillende groepen, die bijvoorbeeld specifiek Joods of socialistisch waren.

Eind 1943 kwam een vast contact tot stand tussen verschillende groepen die voor onderduikers zorgden. Een reeks leiders van Amsterdamse verzetsgroepen kwam samen aan Keizersgracht 695 om de VGA op te richten. In Den Haag werd een vergelijkbare federatie opgericht, de Vrije Groepen Den Haag.

"Het was voor ons de meest gevaarlijke vergadering van de oorlog," zei Jan Hemelrijk over de bijeenkomst aan de Keizersgracht. "Er waren zeker dertig mensen, allemaal vertegenwoordigers van groepen. Ik ben er met angst en beven heen gegaan. Gelukkig was er geen verrader, anders hadden de Duitsers de hele vrije illegaliteit in Amsterdam in een keer kunnen oprollen."

De Vrije Groepen Amsterdam had een aparte staf die verraders trachtte te identificeren en gearresteerde leden probeerden te helpen, in sommige gevallen zelfs te bevrijden. Het inlichtingenwerk behelste onder meer het leggen van contacten met een breed netwerk van cipiers, advocaten, artsen, geestelijken en zelfs leden van de Duitse inlichtingendienst, de Sicherheitsdienst (SD).

In april 2013 verscheen een boek over de PP-groep, Fatsoenlijk land: Porgel en Porulan in het verzet van Loes Gompes, begeleid door een gelijknamige documentairefilm van Gompes en Sander Snoep. Deze documentaire werd op 26 januari 2014 vertoond in het Joods Historisch Museum en op 29 april 2014 en de dagen er na uitgezonden op Nederland 2 door NTR.

Op 5 mei 2014 werd de film vertoond in bioscoop Tuschinski, gevolgd door interviews van kinderen van PP-groepsleden. Na afloop van de vertoning in Tuschinski werd een plaquette onthuld aan de gevel van het pand Keizersgracht 695, waar de VGA werd opgericht.

Het archief van de VGA wordt beheerd door het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies.


Bron: Wikipedia.
VRIJE GROEPEN AMSTERDAM.
FATSOENLIJK LAND ~ PORGEL en PORULAN IN DOCUMENTEN EN VOEDSEL

Door: Loes Gompes


Het documentenbureau van de VGA – Jan Hemelrijk

Vlak na Dolle Dinsdag verhuisde Jan Hemelrijk naar Sarphatistraat 86 met zijn vervalsingsafdeling. De NSB-familie die het huis had bewoond, was op de vlucht geslagen. Het verblijf in de Sarphatistraat was van korte duur, omdat het er niet veilig was. In het laatste jaar van de oorlog was het eenvoudig om een nieuwe plek te vinden. Er stonden veel woningen leeg omdat een deel van de Amsterdamse bevolking was gedeporteerd en een ander deel de stad had verlaten. Dit keer werd de PP-groep uit de brand geholpen door twee dames van Die Port van Cleve aan de Nieuwezijds Voorburgwal, destijds al een beroemd hotel-restaurant in Amsterdam én een centrum van illegale werkers. Via kennissen was de PP-groep bij de dames terechtgekomen. Zij hadden een paar kamers op de Hoogte Kadijk over.
De vervalsingsafdeling van de PP-groep had inmiddels meer personeel gekregen. Dit was geen overbodige luxe, zeker niet nadat Jan Hemelrijk hoofd was geworden van de afdeling Documenten van de VGA.
Bij mevrouw Keizer op het Bachplein had Jan de aankomende jurist Carl Anthony Ruys ontmoet. Op dit adres kwam ook de beeldhouwer Johan Limpers, een prominente medewerker van de PBC. Limpers zou later tegelijk met Van der Veen worden gefusilleerd. Carl Anthony Ruys kwam van goeden huize en was volgens Jan het enige liberale lid van de PP-groep. Bij hun eerste ontmoeting hoorde Jan van Carl Anthony Ruys dat hij een ambtenaar kende van het Bevolkingsregister in Amstelveen die hem wel aan een echt persoonsbewijs kon helpen. Zo kreeg Jan en met hem de PP-groep het eerste blanco persoonsbewijs in handen.
Via Carl Anthony kreeg de PP-groep nog een vrouwelijke medewerker: Marjolein Heijermans, de dochter van de joodse (toneel)schrijver Herman Heijermans, en destijds Carl Anthony zijn vriendin. In 1943 was ze via het studentenverzet in contact gekomen met Gerrit Jan van der Veen. Die had haar opgeleid tot medewerker van de PBC.
Ook het kantoor op de Hoogte Kadijk werd te gevaarlijk. Marjolein Heijermans vond een nieuw onderkomen aan de Weesperzijde 34, een opvallend huis met twee torenvormige uitbouwsels. Jan huurde de bovenverdieping onder het mom dat hij als bijna afgestudeerd arts daar een praktijk wilde beginnen. Volgens Jan was de eigenaar nogal ‘onnozel’ want een bovenverdieping was niet bepaald een geschikte locatie voor een medische praktijk. De huur was 30 gulden in de maand.
Begin 1945 verhuisde de vervalsingsafdeling van de PP-groep naar het pand aan de Weesperzijde. Het was volgens Jan Hemelrijk geen gewone verhuizing: ‘Anthony ging op de fiets, achterop ging de koffer met al onze spullen. Ik fietste er achteraan met een pistool in mijn zak. Ik moest hem dekken, vond ik. Wat ik dan doen moest, wist ik niet precies. Ik had nog nooit geschoten. Ik wist wel hoe het moest. Veiligheidspal naar voren en dan trekken. Gelukkig was het niet nodig, want ik zou er waarschijnlijk niets van terecht hebben gebracht. We zijn veilig op de Weesperzijde aangekomen.’
Het kantoor op de Weesperzijde werd het Documentenbureau van de VGA, dat door de vervalsingsafdeling van de PP-groep werd gerund. Onder de kap van het pand werd het archief opgeslagen. Carl Anthony en Marjolein hadden vanuit hun werkvertrek een verdieping lager een prachtig uitzicht over de Amstel.
Op dit adres kwamen alle aanvragen binnen van VGA-leden voor nieuwe persoonsbewijzen. Jan had hiervoor een formulier gemaakt dat met een schrijfmachine of blokletters moest worden ingevuld. In een aparte brief vroeg hij de aanvragers nooit hun juiste adres te vermelden. Hun veiligheid was belangrijker. Koeriersters gingen langs bij de onderduikers voor de vereiste vingerafdruk voor het persoonsbewijs. De toenemende drukte betekende ook vraag naar meer mankracht. Naast Frans Meijers en Frederika Samson werd de vervalsingsafdeling van de PP-groep uitgebreid met nieuwe vervalsers, onder wie de joodse binnenhuisarchitect Ab Stuiver die honderden persoonsbewijzen leverde.

Eind januari 1945 kon het Documentenbureau de vele aanvragen niet meer aan. De Documentencommissie schreef hierover een brief aan de leden van de VGA die bij hen door koeriersters werd bezorgd: ‘Aanvragen, die na vandaag binnenkomen worden dus niet meer in behandeling genomen. Dit zal pas weer gebeuren als de stapel nog onafgewerkte aanvragen, die momenteel de diverse voor het documentenbureau werkende kantoren ontsiert, geheel verwerkt is. (…) Het documentenbureau is zich ten volle bewust van het feit, dat het onaangenaam is deze maatregel te moeten nemen en zal dan ook een manhaftige poging aanwenden, om het tekort aan mogelijkheden te doen verdwijnen en de capaciteit te vergroten. Daartoe wordt de hulp ingeroepen van alle groepen, die zich met documentenvoorziening bezig houden.’
Maart 1945 was het kantoor weer korte tijd buiten dienst. ‘Het documentenbureau van ons kantoor VGA zit zonder kolen en kan daardoor onmogelijk werken. Wie weet hiervoor raad?’, schreef het Documentenbureau aan de VGA-achterban. Eind maart waren de problemen opgelost en stroomden de aanvragen voor persoonsbewijzen weer binnen.  De VGA-post geeft een goed beeld van de dagelijkse beslommeringen op het kantoor.

Er was behoefte aan allerlei stempels, onder meer aan het stempel van Leidschendam en het stempel van het Rijksbureau voor Metalen. Maar ook aan een goede clichémaker, die op bestelling stempels en andere onderwerpen kon clicheren. Voor het vervalsen van persoonsbewijzen waren stempels van de gemeenten Den Haag en Amsterdam het belangrijkste. Beide stempels had het Documentenbureau in huis. Een kwestie van de juiste contacten. Via zijn echtgenote en zwager leerde Jan Hemelrijk Jan Taverne kennen. Taverne werkte in Den Haag op een groot kantoor op een afdeling die met distributie te maken had. Hij gaf Jan het stempel van Den Haag.
In Amsterdam hield het Documentenbureau zich bezig met het legaliseren van de onderduikers in het Amsterdamse bevolkingsregister. Jan regelde dit met de directeur van het register. Hij ging er heen met valse persoonskaarten die de pbc had geleverd en kreeg er dan echte voor in de plaats. Op het VGA-kantoor aan de Weesperzijde werden de kaarten met een schrijfmachine ingevuld. De persoonskaarten met een gefingeerde naam en verzonnen verleden werden vervolgens in het bevolkingsregister geschoven. Zo kon iemand legaal met een valse identiteit door het leven gaan.
Jan Hemelrijk was een geschikte baas van het Documentenbureau. ‘Hardheid, duidelijkheid en vriendelijkheid’, waren volgens compagnon Bob van Amerongen zijn sterkste eigenschappen. Hij maakte instanties duidelijk dat bepaalde papieren er absoluut moesten komen. Praktisch geen ambtenaar was tegen zijn optreden bestand. Ook stond hij zijn mannetje tegenover de ervaren sdap’ers in het VGA-bestuur.

Stadhouderskade – Ivo Schöffer ontmoet Jan Hemelrijk
Bij de VGA was een groot aantal jongeren en studenten aangesloten. Vanaf de oprichting in september 1944 speelden ze een actieve rol. Jan Bommer en Ad van Moock vormden in het VGA-bestuur de oudere generatie, Jan Hemelrijk vertegenwoordigde zijn leeftijdsgenoten die net als hij net volwassen waren. Een van de contacten van Jan Hemelrijk was Ivo Schöffer (1922–2012), een student geschiedenis van de UvA die na zijn weigering de loyaliteitsverklaring te tekenen in het verzet was gegaan. Met zijn ouders en zuster Lidia gaf hij leiding aan de groep Tap, die zich zoals alle VGA-groepen concentreerde op de joodse onderduik. In een studentenhuis aan de Reguliersgracht 34 zorgde hij voor een onderduikadres geschikt voor tien tot twaalf volwassen onderduikers. Ook verzorgde hij nog onderduikers elders. Om voor jonger door te gaan, liep hij de hele oorlog in een korte broek. Een slimme manier om aan de Arbeidsinzet te ontkomen.
Ivo Schöffer ontmoette Jan Hemelrijk regelmatig in een huis op de Stadhouderskade. Gemiddeld eens in de twee weken was daar een bijeenkomst waarbij gemiddeld vijf vertegenwoordigers van verschillende vga-afdelingen aanwezig waren. Ivo Schöffer maakte er een grappig incident mee: ‘Bij dat adres op de Stadshouderskade moest je aanbellen. En dan de trap op. Op een zekere dag kwam ik daar een kleine man tegen die ik niet kende. Ik dacht: dat zal wel een onderduiker zijn. Dat meldde ik in de vergadering, toen bleek het de minnaar van de huurster te zijn. Dat was nogal pijnlijk.’
Op de bijeenkomsten op de Stadhouderskade was het altijd druk. Mensen van de PBC kwamen langs met hun prospectus. Hierin stonden alle stempels die ze in de aanbieding hadden. De VGA-leiding informeerde hier de achterban over belangrijke kwesties. Prioriteit was informatie over persoonsbewijzen en distributiebonnen die op de lijst van de Duitsers stonden. De originele papieren werden in de laatste periode van de oorlog in grote hoeveelheden gestolen door de aan de LO-gelieerde Landelijke Knokploegen. Als de politie of de SD erachter kwam, werden de nummers genoteerd en was het gevaarlijk om ze nog te gebruiken. Vandaar dat de VGA een catalogus had met informatie over de geblokkeerde persoonsbewijzen en distributiebonnen. Andersom meldden zich leden van VGA-groepen bij Jan Hemelrijk. Ze boden aan om valse persoonsbewijzen voor andere VGA-groepen te maken. Dit gold ook voor de groep Tap. Ivo’s zuster Lidia, die een grafische opleiding had genoten, was heel goed in het vervalsen van papieren.

Afdeling Natura – Bob van Amerongen en Max Euwe
In de laatste fase van de oorlog vroeg het verzetswerk steeds meer tijd. Als gevolg hiervan opereerden Jan en Bob onafhankelijker van elkaar en zagen ze elkaar minder. De jongere Bob wilde ook graag zijn eigen gang gaan. Jan was actief in de afdeling Documenten, Bob in de afdeling Natura. Andere VGA-leden zetten zich in voor distributiebescheiden, financiën en huisvesting.
Bob werkte in de Hongerwinter zowel voor de afdeling Natura van de PP-groep als die van de VGA. Van bijzondere betekenis voor Natura was het contact met Max Euwe, de grote schaakmeester en oud-wereldkampioen (1935). In de Hongerwinter ontstond er een hechte samenwerking die voor de PP-groep en de VGA van groot belang was. Bob kende Max Euwe uit de Johannes Verhulststraat. Via buurjongen Jaap Lobatto had Bob hem in september 1943 ontmoet.

Enige maanden later leerden ook Karel van het Reve en Euwe elkaar kennen. Karels leermeester, professor Bruno Becker, had van Euwe het verzoek gekregen iemand aan te bevelen die hem Russisch kon leren. Karel vond zijn nieuwe leerling ‘ongeveer de vriendelijkste en wellevendste man’ die hij ooit was tegengekomen. Euwe kreeg twee keer in de week les. Als wederdienst kreeg Karel een honorarium van 25 gulden per maand en de avondmaaltijd na de les. In de Hongerwinter werd deze maaltijd heel belangrijk. Karel noteerde in zijn dagboek dat hij op 21 december 1944 bij de familie Euwe croquetjes, aardappels, sperzieboontjes en een appel te eten had gekregen. Euwe beschikte over genoeg voedsel. Sinds de zomer van 1940 was hij fulltime directeur in Amsterdam van de kruideniersfirma Van Amerongen (VANA). Voor de oorlog was dit het grootste levensmiddelenbedrijf in de stad: in 1938 waren er al 69 Amsterdamse vestigingen. Euwe gebruikte deze functie om allerlei mensen in zijn omgeving met voedselpakketten te ondersteunen. Vooral zijn buurtgenoten, zoals Jaap Lobatto later vertelde.
Sinds eind 1944 werkten Max Euwe en de PP-groep samen. Euwe beschikte over zaken die de PP-groep niet had en vice versa. Hij had vrachtauto’s, en antraciet en hout om ze te laten rijden, maar geen Fahrbefehl. Zonder zo’n Duits papier kon hij die vrachtwagens niet gebruiken. De PP-groep kende mensen die zo’n vals Duits Fahrbefehl konden maken.
De PP-groep had ook bonnen waarop je honderd kilo suiker kon kopen. Via de knokploeg van Frits Conijn in Alkmaar waren ze aan de zogeheten grossierscoupures gekomen. Maar zo’n coupure kon alleen door een groothandelaar worden gebruikt. Dus ging de pp-groep met die grossierscoupures naar Euwe. Er ontstond een vruchtbare samenwerking. De vrachtauto van de firma Van Amerongen reed naar allerlei plekken om levensmiddelen op te halen. Euwe had hiervoor contacten in Gelderland, Friesland en Noord-Holland, terwijl de pp-groep langs de eigen mensen ging. De afdeling Alkmaar was inmiddels uitgegroeid tot een soort zelfstandig filiaal. De Alkmaarse afdeling van de PP-groep kocht van alles in: meer dan 5000 kg zuurkool, ettelijke tonnen rode en witte kool, ingezouten andijvie en bonen, tarwe, rogge, eenmaal zelfs vlees voor de zieken.

Tini Israël en Frederika Samson van de pp-groep gingen naar Noord-Holland om de spullen op te halen. Het transport van voedsel was in de Hongerwinter geen risicoloze onderneming, zoals uit een belevenis van Tini valt op te maken: ‘Ik kwam in die vreselijke winter, januari-februari 1945, eens op een open vrachtauto met rapen en uien en wat kool uit Noord-Holland naar Amsterdam. Het was, denk ik, de Spaarndammerbuurt, waar we de stad binnenreden. Daar werden we al gauw aangevallen door een troep hongerige schreeuwende mannen die alles van ons wilden afpakken. Het was vreselijk. Ik heb met een grote steel in mijn handen staan schreeuwen en slaan. Afschuwelijk, heel afschuwelijk… Maar wij moesten toch ook voor die onderduikers zorgen!’
De vrachtwagenritten naar Friesland werden door Euwe ook gebruikt om uitgehongerde Amsterdamse kinderen mee te nemen om hen daar achter te laten om aan te sterken. Door een afspraak van zijn bedrijf met de Duitsers – Euwe kende een Duitse schaker die bij de SD of SS in de Koningslaan zat, kon Euwe meer voedsel mee terugnemen dan de voedselbonnen aangaven. De Duitsers kregen zeven en half procent van de lading, de illegaliteit profiteerde mee. Bovendien genoten Euwe en zijn mensen door deze overeenkomst een zekere mate van bescherming.
Euwe bood de pp-groep een eigen plek aan in de magazijnen van Van Amerongen op de Haarlemmer Houttuinen. Zo liep het laden en lossen van een grote partij niet in de gaten. Hier stonden de levensmiddelen: suiker, margarine, wasmiddel, havermout, jam enzovoorts. De goederen ging naar de onderduikers van de PP-groep, maar ook andere VGA-groepen deelden mee in de buit. Zieke onderduikers kregen extra levens middelen.

Max Euwe Inbraak
Even dreigde er een kink in de kabel te komen. Op een nacht midden in de winter werd er in de magazijnen ingebroken. De voorraden van de PP-groep, op dat moment vijf kazen, een paar honderd kilo witte kool en een zak suiker, waren niet meegenomen. Alleen goederen van Van Amerongen waren gestolen. Euwe verdacht onmiddellijk de mensen van de PP-groep van de inbraak. In zijn optiek bestond de club uit communisten en die hadden volgens hem opvattingen over bezit die afwijken van ‘de gewone ‘burgerlijke’ opvattingen’, zoals Karel van het Reve dat later formuleerde.
Door dit incident bekoelde de relatie tussen Euwe en de PP-groep. Karel van het Reve beschreef de situatie: ‘Meer dan een schaduw van lichte droefheid dat mensen die hij vertrouwde dat vertrouwen beschaamd hadden heb ik niet op zijn gezicht gezien en hij zei niets. Ik stond machteloos: zeggen dat wij niet bij hem ingebroken hadden was zinloos, want dat zegt elke inbreker. Zeggen dat onze club niet communistisch was had ook geen zin, want dat zou hij niet geloven. Zoiets stuitte me trouwens ook verschrikkelijk tegen de borst omdat ik als kind altijd van bepaalde, door de partij opgezette en geleide ‘mantelorganisaties’ stijf en strak had moeten volhouden – tegen schoolvriendjes en zo –dat ze niet communistisch waren terwijl ik heel goed wist dat ze dat wél waren. Er op wijzen dat iemand die communist is niet ook meteen een inbreker is, en dat iemands opvattingen over mijn en dijn niet noodzakelijk in zijn daden tot uiting hoeven te komen– dat was allemaal te subtiel. Dus ik zweeg. Euwe zweeg ook.’
Bob van Amerongen probeerde daarentegen Euwe van hun onschuld te overtuigen: ‘Ik was totaal verbijsterd en vond pas na enige tijd woorden om de beschuldiging af te wijzen. Ten slotte wees ik op Hannibal, die om tweespalt onder de Romeinse machthebbers te zaaien, bij de verwoestingen op het land rondom Rome de akkers van één senator spaarde. Men kon dan denken dat die met Hannibal heulde. Mijn klassieke exempel overtuigde Euwe niet echt, kreeg ik de indruk, en ik maakte het er niet beter op door in de tegenaanval een beschuldigende vinger uit te steken naar een mijns insziens uiterst onbetrouwbare ondergeschikte van hem. ‘Die man’, zei Euwe razend, ‘die is zijn gewicht in goud waard.’ Mijn opmerking dat dat goud in dit geval wel eens suiker en havermout geweest kon zijn, was niet diplomatiek met alle schuimbekkende gevolgen vandien.’ Enige tijd later bleek dat de inbreker wel degelijk de beoogde werknemer van Van Amerongen was. De PP-groep haalde opgelucht adem.

Het varken
Het was niet de enige keer dat de onderlinge verhoudingen op scherp kwamen te staan. In de Hongerwinter wist Geer Broers van de afdeling Alkmaar van de PP-groep een half varken te bemachtigen. Een voor de hand liggende buit want hij was de zoon van een slager. Hij wilde dit varken in Alkmaar aan hongerige mensen uitdelen en schreef hierover een brief aan Jan Hemelrijk. Jan werd woedend. Hoe kon Broers dat vlees van dat varken in Alkmaar houden terwijl de mensen in Amsterdam bij bosjes op straat stierven van de honger? Hij dicteerde zijn nieuwe secretaresse, Ieneke van der Eem, een brief waarin hij hem beval dat varken onmiddellijk naar Amsterdam te sturen.
De brief ging echter niet de deur uit. Van der Eem hield hem achter omdat ze een ruzie voorzag. Ook Jan zijn zuster Dineke werd bij de kwestie betrokken. Ze moest naar Alkmaar om Geer Broers uit te horen. Dineke vond het een lastige opdracht en kreeg de indruk dat Geer Broers doorhad dat ze door Jan was gestuurd. Toch kreeg ze wel een antwoord op de vraag: het halve varken werd in Alkmaar aan onderduikers uitgedeeld.

Acteur Rob de Vries
Na Dolle Dinsdag kreeg de pp-groep twee nieuwe medewerkers. Een van hen was de zojuist genoemde Ieneke van der Eem. De ander was de joodse acteur Rob de Vries (1918–1969), die als verzetsman al een lange staat van dienst had voordat hij actief werd in de PP-groep. Hij had bij de vervalsingsgroep van de joodse schrijver-regisseur Eduard Veterman gewerkt die midden in de oorlog was opgerold. Hij had een huzarenstukje op zijn naam staan: in de hoedanigheid van stoker was hij op de trein het kamp Westerbork binnengekomen. Hij slaagde erin om er zijn geliefde te bevrijden en samen met haar Westerbork te verlaten. Daarna was hij lid geweest van Escapeline die neergestorte vliegers naar het buitenland bracht. Bij dit werk werd hij gepakt. Hij zat anderhalf jaar in de gevangenis.
Na zijn ontsnapping werd hij door VGA-lid Jan Meilof IJben ondergebracht bij medeverzetsmensen, het Pools-joodse echtpaar Milo en Lidy Anstadt, in hun huis op de Plantage Muidergracht. De Anstadts hadden dit pand in de buurt van de Hollandsche Schouwburg in het laatste oorlogsjaar onder een valse naam officieel gehuurd. Op dit adres organiseerde Rob de Vries vanaf januari 1945 een aantal voordrachtsmiddagen voor onderduikers waarbij bekende acteurs optraden. Zelf declameerde hij op een van die middagen gedichten van Nijhoff, Marsman en Adriaan Roland Holst. Aan deze culturele bijeenkomsten kwam een eind na het luidruchtige optreden van de Duits-joodse acteur Erich Schönlank.
Milo Anstadt was er getuige van. ‘Op een warme voorjaarsdag in maart waren wel twintig onderduikers naar de Plantage Muidergracht gekomen. De balkondeuren stonden wijd open. Schönlank reciteerde Jeremias van Stefan Zweig. Hij raakte zo in vuur, dat hij zijn machtige stem geen beperkingen oplegde. Toen kwam de apotheose: ‘Ontwaakt, ontwaakt, om te vluchten, ontwaakt om uzelve te redden, want hij is gekomen, de wurger van uw zonen, de schender van uw dochters, de verwoester van uw velden. Ontwaakt, ontwaakt!’ Hij schreeuwde de tekst uit –nog wel in het Duits – en de echo van zijn stem kwam terug van de overkant van de gracht.’
In die periode werkte Rob de Vries voor de pp-groep bij de afdeling Natura. Hij noemde zich PP-Tempo omdat hij zo snel was. Volgens Bob van Amerongen was hij ‘heel brutaal, heel energiek’ en ‘niet bepaald bang’ aangelegd.
De PP-groep legde hem een probleem voor. In het bezit zijn van broodbonnen betekende nog niet dat je makkelijk aan brood kwam. Je moest daarvoor in de rij gaan staan, een tijdrovende aangelegenheid. Rob de Vries werd gevraagd een oplossing te vinden. Een week later reed hij met een bakkerskar door de stad. Hij had het voor elkaar gekregen om het brood bij de bakker in de Leidsestraat op de hoek van de Prinsengracht achterom te mogen halen. De Vries wist zich uit lastige situaties te redden. Op een dag vervoerde hij op de fiets zakken suiker. Op de hoek naar de Ringdijk brak zijn fietstas af en viel alle suiker op straat. Een enorme ravage. In een mum van tijd had zich rond de berg suiker een grote menigte verzameld. De Vries vertelde dat hij voor de gaarkeukens werkte. De 38 gaarkeukens van de stad voorzagen meer dan 440.000 klanten van voedsel, meer dan de helft van de bevolking. Zijn verhaal was geloofwaardig, zijn goede toneelspel deed de rest. Een van de omstanders liet hierop snerend weten dat hij nu begreep waarom het eten bij de gaarkeukens zo zoet was. Het aanwezige publiek barstte in lachen uit. Tijdens de Hongerwinter was De Vries ook betrokken bij de grote voedseltransporten vanuit Friesland naar Amsterdam. Dit was het werk van de afdeling Natura van de VGA.

Voedseltransporten
Bob van Amerongen was actief in de afdeling Natura van de VGA, die als Algemene Natura Organisatie (ANO) bekend werd. Samen met Jan Meilof IJben en Niek Mulder (van de groep Jan) had Bob de ANO opgericht.
Ze hadden een kantoortje in de toenmalige Amsterdamse Diamantbeurs aan het Weesperplein. De ruimte was hen door een diamantair, een kennis van Meilof IJben, ter beschikking gesteld. Ze zaten boven in het pand. In de Hongerwinter was het er ijskoud, maar er was een telefoon en ze konden er veilig vergaderen. Vanuit dit kantoortje werden de grootschalige voedseltransporten van de VGA georganiseerd.
Amsterdam had dringend meer voedsel nodig. Bob en zijn collega’s zetten een voedsellijn op uit Friesland. Jan Meilof IJben was hiervan de motor en coördinator. Bob omschreef hem later als iemand met ‘impulsieve haast’, ‘grote nauwkeurigheid’, ‘vrolijke hartelijkheid’ en een ‘onverwoestbaar doorzettingsvermogen’.
De schepen voeren over het IJsselmeer naar Amsterdam met vooral aardappelen aan boord. Jan Hemelrijk zorgde ervoor dat de transporten gedekt werden door de juiste papieren. Hij regelde de vrachtpapieren, compleet met stempels die hij bij diverse drukkerijen liet maken. Hoeveel schepen er precies uit Friesland zijn gekomen, is onduidelijk. Volgens Jan en Bob kwamen er zes schepen naar Amsterdam, volgens een andere bron had Meilof IJben elf schepen in de vaart.
Bob schrijft in zijn oorlogsverslag dat het een enorme klus was om de financiering van deze ‘voedsel-Armada’, die meer dan 100.000 gulden kostte, rond te krijgen. Alleen door de samenwerking van een groot aantal mensen en allerlei officiële en semi-officiële instanties kwam het voor elkaar. Nadat alle schepen binnen waren,
beschikte de ANO over een enorme partij voedsel: 500 kg melkpoeder, 4.000 kg boter, 45.000 kg kaas, 20.000 kg groenten, wortelen, bieten en witlof, 1.000 kg vlees en 30.0000 kg aardappelen. Dit alles was te veel voor de VGA alleen. Daarom werd er ook gewerkt onder de paraplu van de HOA, de Hulporganisatie Amsterdam, die door Rengelink werd opgericht en aangestuurd. Het voedsel ging behalve naar de gezinnen met onderduikers ook naar andere afnemers in de stad.
Bij de aankomst van een schip moest er veel gebeuren. De lading moest van boord en opgeslagen worden en daarna verdeeld. Alle groepen moesten ervoor zorgen dat hun onderduikers de juiste voedselbonnen hadden en dat de verspreiding vanuit hun distributiepunten goed functioneerde. Supervisie was van groot belang. Bij chaos of oploopjes kon de politie of de SD gealarmeerd raken.

De PP-groep had als distributiepunt de oude Dakar-garage in de Ruysdaelstraat. In deze voormalige garage werkte Lou, een betrouwbare man met rood haar, die alle binnenkomende spullen in ontvangst nam. De leden van de PP-groep noemden hem ‘rode Lou van Dakar’.
Op een dag kwam er een lading zuurkool uit Alkmaar binnen. ‘We kregen voor 200 mensen zuurkool’, vertelt Bob van Amerongen. ‘Die zuurkool moest snel worden uitgedeeld. Als de mensen er lucht van kregen, letterlijk en figuurlijk, dan werd het natuurlijk geroofd. Ik heb zelf de hele dag boven zo’n vat met zuurkool gestaan. Om porties uit te scheppen. Ik heb er toen thuis van gegeten en alles uitgekotst. Daarna heb ik tien jaar lang geen zuurkool meer kunnen zien.’
Pièce de résistance was de aankomst van een vloot met vier schepen uit Friesland in april 1945 bij pakhuis Sterba aan de Uilenburgergracht. Het transport was georganiseerd onder de dekmantel van de legale actie Helpt Amsterdam. Dit keer waren er behalve aardappelen ook boter, kaas en vlees meegekomen. Het vlees was deels verrot, de maden kropen eruit. De nog bruikbare stukken werden ter plekke door slager Bille en zijn werknemers geselecteerd. Daarna moest het goedgekeurde vlees razendsnel gedistribueerd worden. De onderduikers kregen het advies het vlees drie keer te koken.

Alarm in de Okeghemstraat
Bob van Amerongen woonde tijdens de Hongerwinter nog altijd met Karel en Diet samen in de Okeghemstaat. De omstandigheden waren sterk verslechterd. Elektriciteit was er niet meer. Ze moesten ’s avonds hun werk doen bij een carbidlamp. Veel tijd spendeerden ze aan het ordenen van bonkaarten en bonnetjes die via de koeriersters verspreid moesten worden.
Op een avond leek het mis te gaan, zo schreef Bob van Amerongen later: ‘Het zal een uur of negen uur zijn geweest In ieder geval ruim na spertijd, dat we een auto hoorden. ’s Avonds was dat een ongewoon gehoor, al reed er nog wel eens een doodenkele auto door de De Lairessestraat. Maar deze kwam de Okeghemstraat in èn stopte voor ons huis. Er sloeg een autoportier. (…). En natuurlijk werd er gebeld. Nu is het zover, wisten we. Dus de schuilplaats in. Eerst pakte ik het tafelkleed waarvan ik me kleur en motief precies herinner, bij de punten, zette de carbidlamp eraf, maakte een bundel van het kleed en de papieren en legde die achter de wc-pot. Karel en ik doken de schuilplaats in. Diet legde het zeil erop en sloot de kast. Er werd een tweede keer gebeld. Diet trok open. We spraken in het donker van de schuilplaats af dat Karel, die officieel niet bij ons woonde, bij mij was om Catullus te lezen. Dat was zijn idee. Dat inmiddels die papieren wel gevonden zouden zijn en dat Catullus dan geen uitkomst zou brengen, kwam niet bij ons op. Ook niet dat Diet nog gevaar zou lopen. Zware stappen op de trap; soldatenlaarzen leken het me. Ik was niet bang, wel zeer opgewonden. Maar dat maakt niet zoveel verschil. Meteen ging de kastdeur open en werd het luik opgetild. Diets stem: ‘Het is Mark’. Vloekend en lachend verlieten we de schuil plaats.
Mark was met het goederentransport uit de Langedijk meegekomen, hij had de spullen afgeleverd na een spannende rit door Amsterdam. Hij had, bovenop de groenten gezeten, begerige Amsterdammers met een stok moeten wegslaan. Omdat Rode Lou niet zo ver van ons af was en omdat hij na spertijd niet over straat durfde te lopen, had hij zich bij ons laten afzetten.’ De reden voor de consternatie was simpel. Mark kon niet fluiten, zodat hij het herkenningsdeuntje niet had kunnen produceren. Tot diep in de nacht moesten ze bijkomen van de schrik en waren ze bezig om de papieren, die Bob had verstopt, weer op orde te krijgen.

PP-Post – typist Karel van het Reve
In de loop van de Hongerwinter was er sprake van desintegratie van het Duitse bestuur en ontstond er steeds meer ruimte voor verzetsgroepen. Men ontplooide steeds meer activiteiten, ook bij de PP-groep. Vanaf het voorjaar 1945 verscheen wekelijks op maandag de PP-Post, het mededelingenblad van de PP-groep. Karel van het Reve was verantwoordelijk voor het uittypen van de kopij. Doel van PP-Post was de PP-groep-leden op de hoogte te houden van algemene zaken. Het blad geeft een goed beeld van de laatste maanden van de oorlog. Zo werd in het vierde nummer, d.d. 26 maart 1945, zoals gebruikelijk om praktische hulp gevraagd. Er werden mensen gezocht: verplegend personeel, technici, chauffeurs, organisators en tolken, voor de ambulances die na de oorlog naar Duitsland en Polen zouden vertrekken in het kader van de repatriëring van Nederlanders.
Er was vraag naar een matras voor een tweepersoonsbed en naar fietsen en alles wat daarmee samenhing: wielen, banden, bandelichters enzovoorts. Men zocht iemand die bereid was voor de PP-groep snel banden te plakken en fietsen te repareren.
In PP-Post nummer 5 (2 april 1945) werd het idee voor een PP-Postdienst gelanceerd: ‘Deze postdienst zal als volgt werken: Iedere PP-er moet dadelijk bericht sturen, zodra een kennis van hem naar een andere stad vertrekt. Hij moet daar meteen bij vermelden of die kennis bereid is illegale post mee te nemen en of die kennis de brieven in die andere stad op de bus gooit of thuisbezorgt. Mensen die alleen legale post mee willen nemen zijn ook welkom, want het is de bedoeling alle soorten post op die manier, die altijd nog sneller zal zijn dan de PTT, te versturen. Wij hebben op het ogenblik al een vrij regelmatige verbinding met Den Haag en met Noord-Holland. Wie brieven heeft mee te geven, kan ze aan de redactie opsturen. In ons volgend nummer hopen we een grotere lijst van namen te publiceren, waarvoor post bij ons kan worden gebracht.’
In PP-Post nummer 6, d.d. 9 april 1945, kwam men hier niet op terug.
Wel blijkt dat de redactie van PP-Post contact had gezocht met andere illegale bladen voor een collectief abonnement: ‘Met de weekbladen ‘Het Parool’ en ‘De Waarheid’ zijn nog onderhandelingen gaande. Het studentenmaandblad ‘De Vrije Katheder’ (VK, LG) heeft ons iedere maand 20 exemplaren toegezegd. Het Aprilnummer is reeds in ons bezit. De VK vraagt bovendien om critiek, ingezonden stukken etc. PP-ers, die zich voor deze en andere kranten interesseren, moeten dat even melden, dan krijgen ze ze wekelijks met de PP-Post toegezonden.’
In hetzelfde nummer stond een waarschuwing om alle nummers van PP-Post direct na lezing te vernietigen. Voorzichtigheid bleef geboden. Uit PP-Post nummer 8 d.d. 23 april 1945 blijkt dat ze verwachten dat de bevrijding niet lang meer op zich zal laten wachten.
De redactie had een lijst ontvangen van ongeveer 400 Nederlandse joden die vanuit Theresienstadt in Zwitserland waren aangekomen. Het was mogelijk deze lijst voor inzage te leen te krijgen. De PP-groep-leden werden gevraagd zich na de bevrijding van Amsterdam nog enige tijd beschikbaar te stellen voor het afwikkelen van de lopende zaken en het liquideren van de groep. Bovendien vroeg de VGA naar een lijst met namen van PP-groep-leden inclusief hun onderduikers, zodat de onderduikers na de oorlog contact met de PP-groep konden opnemen. Het bureau Nederlands Volksherstel, dat zich zou gaan bezighouden met de coördinatie van werkzaamheden voor de oorlogsslachtoffers, rekruteerde via de PP-Post vrijwilligers voor werkzaamheden voor direct na de bevrijding. Geïnteresseerden moesten zich opgeven bij de VGA. Het werk zou betaald worden en twee maanden duren.
In de laatste maanden van de oorlog schreef Karel van het Reve in zijn dagboek: ‘23 april 1945 – De Rus staat voor Berlijn. Twaalf voorsteden heeft hij al. Enkele tientallen kilometers scheiden hem van de geallieerden. De Canadezen staan bij Amersfoort. In de stad alles rustig. Druk met bonnenuitdeling: de laatste schepen. Noodpakketten. Iet ziek. 29 april 1945– Met de oorlog loopt het op zijn einde. Himmler schijnt gisteren gecapituleerd te hebben. Vanmorgen wordt bekend dat Goering dood en Hitler stervende is. 26 april hebben Russen en Amerikanen elkaar ontmoet. Er zal, wordt ten tweede male aangekondigd, voedsel worden afgeworpen. Ik heb een boekbespreking gemaakt van Davies’ Memoirs to Russia voor de Vrije Katheder. Vader, na enige kritiek, liet het ook aan zijn Parool-mensen lezen. Hadden het wel willen hebben. Zegt hij tenminste.’

De joodse component
De groepen die in september 1944 deel gingen uitmaken van de Vrije Groepen Amsterdam (VGA) waren in de regel al actief vanaf de zomer van 1942 toen de deportaties van de joden begonnen. In dit opzicht liepen ze voor de troepen uit, want het verzorgingsverzet kwam pas van de grond na de April-Mei-stakingen van 1943. Om een scherp inzicht te krijgen in de bijdrage van de VGA is de geschiedenis van de deportaties van groot belang. Dan wordt duidelijk dat de grootschalige hulp aan onderduikers pas begon nadat de deportaties nagenoeg waren afgerond.
De grootschalige deportaties begonnen na 26 juni 1942, toen de voorzitters van de Joodse Raad, David Cohen en Abraham Asscher, door Aus der Fu¨nten werden ingelicht over het voornemen de Nederlandse joden naar ‘werkkampen in Duitsland’ over te brengen. Op zondag 5 juli kregen joden in Amsterdam de eerste oproepen en reeds op 15 juli vertrok de eerste trein uit Westerbork richting Auschwitz. In de zomer van 1942 werden tot eind augustus in totaal al 13.337 joden vanuit Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd.
Bijna 15 maanden zouden de deportatietreinen onafgebroken naar het oosten rijden. In Amsterdam werden er na de razzia van 14 juli in 1942 nog razzia’s uitgevoerd op 6 en 9 augustus, in september en in november. De eerste grote piek in de deportaties was in oktober 1942, toen bijna 12.000 joden werden weggevoerd. Hieronder bevonden zich behalve duizenden Amsterdamse joden ook veel joden van buiten Amsterdam: duizenden joodse mannen uit werkkampen in Noord-Nederland, en joodse bewoners van de provincies Groningen en Drenthe en delen van Friesland en Overijssel.
De tweede piek was van maart tot juli 1943, toen ruim 34.000 voornamelijk Amsterdamse joden naar Sobibor werden afgevoerd. Op 29 september 1943 vertrok het laatste transport uit de Hollandsche Schouwburg en werden ook prominente joden, waaronder de beide voorzitters van de Joodse Raad, naar Westerbork overgebracht. Enige dagen later werd Amsterdam Judenrein verklaard.
Amsterdam was het centrum voor de hulp aan joden omdat hier de meeste joden woonden. In de stad waren in 1941 bijna 80.000 joden geregistreerd, bijna zestig procent van de 140.000 in Nederland wonende joden. Vanaf januari 1942 kwamen hier nog joden uit de provincie bij die van de Duitse bezetter naar Amsterdam moesten verhuizen. De verzorgingsgroepen werden aanvankelijk verrast door de plotselinge deportaties. Ze waren niet in staat de soepel draaiende machine van de Duitse bezetter bij te benen.
Toen in de zomer van 1943 het Nederlandse verzet was geprofessionaliseerd en het aantal onderduikadressen op het platteland sterk was toegenomen, restte het probleem de joden Amsterdam uit de krijgen. Om op het platteland te komen, moest men met de trein. Door de strenge controles op de stations konden joden slechts mondjesmaat van dit transportmiddel gebruik maken. Hierdoor bleef de meerderheid van de nog resterende Amsterdamse joden, destijds circa 33.000, in de stad. Zij werden alsnog gedeporteerd.
Over hoeveel Amsterdamse joden de oorlog overleefden, zijn de meningen sterk verdeeld. Schattingen lopen uiteen tussen de 10.000 en 20.000. In elk geval steekt het aantal Amsterdamse joden dat de oorlog overleefde schril af tegen het aantal overlevenden in de provincie Utrecht en in het zuiden van het land, waar circa de helft van de joodse bevolking de oorlog overleefde.
Hoe de Amsterdamse joden overleefden is een ander verhaal. Een deel van hen overleefde de oorlog door onder te duiken. Een ander deel kwam na de oorlog terug uit de kampen of uit het buitenland waar men naar toe was gevlucht. Ook waren er Amsterdamse joden gemengd gehuwd en om die reden in de regel vrijgesteld van deportatie. Vermoedelijk zijn 12.000 Amsterdamse joden ondergedoken, waarvan uiteindelijk ongeveer een derde toch is opgepakt. Door de onderduik is dus van circa 8.000 Amsterdamse joden het leven gered. Zij vormen de helft van de circa 16.000 Nederlandse joden die door de onderduik de oorlog doorkwamen. De indruk bestaat dat de meerderheid door familie en vrienden is geholpen en een kleiner deel door reguliere verzetsgroepen.
Het cijfermateriaal geeft een idee voor welke immense taak de in Amsterdam opererende groepen stonden. In deze context is de vraag gepast naar het aantal illegale werkers van de vga. Volgens een lijst in het archief van de Stichting 1940–1945 zaten er in de VGA 344 illegale werkers in 41 groepen. Op deze lijst ontbreken echter de namen van Rob de Vries en Hans de Jager, twee medewerkers van de PP-groep, en de eerder genoemde Kurt Leoni, Max Dikker en het echtpaar Anstadt.
In de VGA zaten dus ten minste 350 illegale werkers, maar ongetwijfeld zijn er nog meer namen van medewerkers niet in het VGA-archief terecht gekomen. Met dit aantal was de VGA in Amsterdam groter dan de LO, de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers, die in de zomer van 1944 circa 300 illegale werkers in de hoofdstad had.

Belangrijker is dat toen de Amsterdamse joden werden afgevoerd (juli 1942-september 1943) de LO in Amsterdam nog niet bestond. Er waren begin 1943 in de stad wel dertien verschillende verzetskernen actief, waarvan er vier later opgingen in de plaatselijke LO. Maar geen van deze vier groepen hield zich hoofdzakelijk met joodse onderduikers bezig. In Het Grote Gebod (1951), het gedenkboek van de LO, wordt de geringe bijdrage van de LO aan de joodse onderduik erkend: ‘Bij het onderbrengen van de Joden heeft de lo slechts een bescheiden rol gespeeld. In 1942, toen de Joden moesten duiken, was deze organisatie nog niet tot ontwikkeling gekomen.
Ook leende de werkwijze der LO, gericht op de massale hulp aan grote groepen, zich minder voor het zeer speciale Jodenwerk. De meeste Joden zijn geholpen door kleine Joden-organisaties, waarin studenten prachtig werk verrichtten.’
De Vrije Groepen Amsterdam lijken aan dit profiel te voldoen. Ze hebben een belangrijk aandeel gehad in het redden van Amsterdamse joden, veel meer dan tot dusver in de geschiedschrijving in beeld werd gebracht. Er waren in Amsterdam zeker ook groepen actief voor joodse onderduikers die geen deel uitmaakten van de LO en ook geen lid van de VGA zijn geworden. Niet alle groepen die in 1942 van start gingen, bestonden nog in september 1944. Een belangrijk voorbeeld hiervan is CS6, de verzetsgroep waar Jan Hemelrijk intensief mee samenwerkte, die in 1943 door de Duitsers werd geliquideerd.
Er waren ook andere redenen. Van de vier verzetsgroepen die circa 1.000 Amsterdamse joodse kinderen hebben ondergebracht, de Amsterdamse Studentengroep, de NV-groep, de Trouw-groep en het Utrechts Kinder Comité, voegde zich uiteindelijk alleen de Amsterdamse Studentengroep onder leiding van Piet Meerburg bij de VGA. De reden lijkt voor de handliggend. Twee groepen waren niet of slechts gedeeltelijk in Amsterdam gevestigd: het Utrechts Kinder Comité, zoal de naam al aangeeft, en de NV-groep. In juni 1943 werd het hoofdkwartier van de NV-groep in Brunssum (Limburg) gevestigd. Eind augustus 1943 sloot men zich aan bij de LO.
Bij de Trouw-groep was waarschijnlijk de gereformeerde achtergrond van Gesina van der Molen doorslaggevend. Zij was door de mensen van de illegale gereformeerde krant Trouw als leidende figuur naar voren geschoven en had goede connecties met de LO. Qua profiel behoorde ze duidelijk niet bij de VGA.
Dat gold ook voor de groep 2000. Deze groep was onder de auspiciën van de Hervormde Gemeente van Amsterdam tot stand gekomen. Zij rekruteerde haar medewerkers in die kringen. Een hemelsbreed verschil met de overwegend niet-religieuze, linkse figuren die de VGA bevolkten.
Opmerkelijk is het relatief grote aantal joden in de VGA. Van de 350 medewerkers van de VGA had zeker twintig procent een joodse achtergrond. Van deze 70 werkers was de overgrote meerderheid (zeker of hoogstwaarschijnlijk) ‘vol-joods’. De VGA-groepen met een grote concentratie ‘vol-joden’ werden vooral bevolkt door Duitse joden die naar aanleiding van Hitlers machtsovername naar Nederland waren gevlucht. Ze deelden met elkaar in de regel ook een communistische of socialistische levensbeschouwing.

Historicus Ben Braber stelt in zijn boek over joden in verzet en illegaliteit (Zelfs als wij zullen verliezen, 1990) dat jongeren onder de joodse medewerkers sterk vertegenwoordigd waren. Onder die joodse jongeren, die vooral uit de sociale middengroepen afkomstig waren, bevonden zich relatief veel studenten. Naast de joodse medewerkers zaten er in de vga ook tien medewerkers met een ‘half-joodse’ achtergrond, onder wie vier leden van de PP-groep: Bob van Amerongen, Jan Hemelrijk, Marjolein Heijermans en Hans de Jager.
De PP-groep had ook een paar joodse medewerkers: Clara Polenaar, Ab Stuiver en Rob de Vries. De grote concentratie van medewerkers met een joodse achtergrond in de PP-groep en de vga leidt tot de conclusie dat joden en zogeheten halfjoden zich actief voor hun mede-joden hebben ingezet. Het stereotiepe beeld dat joden zich zonder verzet naar de concentratiekampen zouden hebben laten afvoeren, blijkt in het geheel niet te kloppen.
De Jong geeft in Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog blijk weinig oog te hebben voor joden in verzet. Hij bevestigt wel de bekende stelling van Jacques Presser in de Haagse krant Het Vaderland (1961) dat het verzet van joden in Nederland relatief dat van niet-joden heeft overtroffen, zonder evenwel naar zijn oud-docent van het Vossius Gymnasium te verwijzen. Presser onderbouwde deze stelling later in Ondergang (1965).
Als directeur van het riod (nu niod) en opdrachtgever van dit boek was De Jong hiervan natuurlijk op de hoogte. Maar De Jong gebruikte in plaats van Presser, een onderzoek uit 1958 naar de relatie tussen de belijders van verschillende godsdiensten en verzetswerk. De Jong stelt: ‘Er is geen nadere schatting mogelijk, maar de conclusie dat het Joodse bevolkingsdeel, ca. 1,5 % van de totale bevolking, een hoger, misschien wel een aanzienlijk hoger percentage illegale werkers opgeleverd heeft, lijkt ons gerechtvaardigd.’ Verder wordt dit onderwerp door De Jong niet uitgewerkt. Anderen, zoals Ben Braber, verrichten naar aanleiding van Pressers stelling wel eigen onderzoek en concluderen dat Presser het bij het rechte eind heeft. Ook mijn verhaal over de PP-groep en de VGA ondersteunt Pressers stelling over het grote aandeel van joden in het verzet. De stelling van Chris van der Heijden dat ‘Presser weigerde te erkennen dat de joden zich niet verzet hadden’ is dan ook op niets gebaseerd.

Bron: https://rozenbergquarterly.com/fatsoenlijk-land-porgel-en-porulan-in-documenten-en-voedsel/



Jan en Bob bij Vrije Groepen Amsterdam


In het najaar van 1944 kwam de oorlog in een nieuwe fase. De geallieerden rukten overal in Europa steeds verder op. En hoewel Dolle Dinsdag niet tot de bevrijding van heel Nederland had geleid, was het duidelijk dat deze in aantocht was. Jan en Bob waren inmiddels ervaren leiders van de PP-groep geworden. Door de oorlog en het verzetswerk waren ze snel volwassen geworden. Van het kleine jongetje met het Engelse petje dat Bob ooit was geweest, was weinig meer over. Hij was uitgegroeid tot een knappe jongeman van 20 jaar. Met zijn sympathieke en zelfbewuste houding wist hij mensen voor zich in te nemen. Jan had de verlegen puber met het minderwaardigheidscomplex ver achter zich gelaten. Hij was nu een daadkrachtige man die als het nodig was autoritair kon optreden. Bob en Jan waren politiek geïnteresseerd en hadden linkse sympathieën. Toch beschouwden ze hun verzetswerk niet als een politieke, maar als een humanitaire keuze.
In de PP-groep werd nooit over politiek gesproken. Mensen redden, dat was het gezamenlijke doel. Kort na Dolle Dinsdag werden ze door een aantal sociaaldemocraten uitgenodigd om naar een bijeenkomst op de Keizergracht 695 te komen. Iedereen achtte de tijd rijp om de werkzaamheden van een groot aantal Amsterdamse verzorgingsgroepen te bundelen.
In het souterrain van Keizersgracht 695 werd in september 1944 de Vrije Groepen Amsterdam (VGA) opgericht. Bob kende de locatie omdat hier een groothandel in farmaceutische artikelen was gevestigd. Hij haalde er bijvoorbeeld regelmatig maandverband voor de vrouwelijke medewerkers en onderduikers van de PP-groep.
Jan en Bob voelden zich ongemakkelijk door het grote aantal aanwezigen. ‘Het was voor ons de meest gevaarlijke vergadering van de hele oorlog’, stelt Jan Hemelrijk in 2001. ‘Er waren zeker dertig mensen, allemaal vertegenwoordigers van groepen. Ik ben er met angst en beven heen gegaan. Gelukkig was er geen verrader, anders hadden de Duitsers de hele vrije illegaliteit in Amsterdam in een keer kunnen oprollen.’
Er waren vertegenwoordigers van grote en kleine verzetsgroepen. De PP-groep behoorde met negentien vaste medewerkers en nog een aantal losse krachten tot de grote groepen. Maar er waren ook leiders van kleinere groepen en zelfs eenlingen als de halfjoodse advokaat Kurt Leoni en de joodse Max Dikker.
De vergadering werd geleid door Jan Bommer, voor de oorlog gemeenteraadslid in Amsterdam en lid van de Tweede Kamer voor de SDAP. Na zijn vrijlating uit gijzelaarskamp Sint-Michielsgestel, waar hij van mei 1942 tot maart 1944 gevangen had gezeten, ging hij bij het verzet. Jan Hemelrijk herinnert zich nog hoe goed Bommer de bijeenkomst in banen wist te leiden: ‘Hij kreeg precies gedaan wat hij wilde.’
De leiding van de Vrije Groepen Amsterdam werd gevormd door de toen 26-jarige Jan Hemelrijk (hier gebruikte hij de schuilnaam Peeters); SDAP’er Jan Bommer (schuilnaam Wendel) en AJC’er Ad van Moock (schuilnaam Ad). Jan Bommer werd hun voorzitter. Jan Hemelrijk was verreweg de jongste in het VGA-bestuur. Volgens Jan Hemelrijk werd de VGA destijds opgericht vanwege de voedselvoorziening. ‘Wij zagen aankomen dat het in de winter in het honderd zou lopen. Nog een winter, dat kon niet anders dan een ramp worden. In ieder geval moesten de distributiekaarten worden veilig gesteld.’
De VGA bewoog zich op verschillende terreinen. Hiervoor werden aparte afdelingen in het leven geroepen. Bij de afdeling Natura, die zich bezighield met de voedselvoorziening van de onderduikers, kreeg Bob van Amerongen belangrijke klussen te doen. De afdeling Documenten, die als voornaamste taak het leveren van valse persoonsbewijzen had, kwam onder leiding te staan van Jan Hemelrijk. Andere afdelingen hielden zich bezig met distributiebescheiden, financiën en huisvesting.
Bij de oprichting van de VGA moesten alle groepen een schuilnaam kiezen. Jan Hemelrijk had net het clandestien verschenen gedicht De Blauwbilgorgel (1943) van Cees Buddingh’ gelezen:

‘Ik ben de blauwbilgorgel,
Mijn vader was een porgel,
Mijn moeder was een porulan,
Daar komen vreemde kind’ren van.
Raban! Raban! Raban! ‘

Jan gebruikte de fantasiebeesten uit dit nonsensrijm: Porgel en Porulan. De naam PP-groep was geboren.

VGA - IdentiteitsbewijzenSDAP’ers in het verzet– Rengelink en Von Eugen
De aanzet tot de VGA was al ver voor september 1944 gegeven. Toen in de zomer van 1940 de SDAP door de bezetter onder een nieuwe commissaris werd gesteld, de NSB’er Rost van Tonningen, weigerde het SDAP-partijbestuur om met hem samen te werken.
In juli 1941 werd de SDAP officieel opgeheven. De partij ging echter niet ondergronds, zoals partijvoorzitter Koos Vorrink had bepleit. Onder andere omdat men er vanuit ging dat het partijkader bij de Duitsers maar al te bekend was. Desondanks werden veel sociaaldemocraten actief in het verzet onder wie Jan Willem Rengelink (1912–1999) en Fred von Eugen (1897–1989).
Rengelink bekleedde voor de oorlog in de SDAP verschillende functies. Hij werkte sinds zijn vijftiende op het partijkantoor, werd later redacteur van het aan de SDAP gelieerde colportageweekblad Vrijheid, Arbeid, Brood!. Ook werd hij secretaris van het wetenschappelijke bureau van de SDAP in Amsterdam. Na de ondertoezichtstelling van de SDAP sloot Rengelink zich kortstondig aan bij de Nederlandse Unie, hetgeen tot een breuk tussen hem en Koos Vorrink leidde. Hij ging daarna al snel in het verzet en werd gevraagd om het blad Mededelingen van het Comité Vrij Nederland te maken.
Begin februari 1941 werd Rengelink door de Duitsers gearresteerd op verdenking van verspreiding van een pamflet waarin tot sabotage werd opgeroepen. In juni 1941 volgde zijn veroordeling tot negen maanden tuchthuis. Uiteindelijk bracht hij drie maanden door in een Duitse gevangenis in Coesfeld bij Mu¨nster. Na zijn terugkeer uit Duitsland werd hij weer actief in het verzet. Hij bood in eerste instantie hulp voor onderduik aan verwanten en vrienden van zijn joodse vrouw, Sophia de Brave, dochter van een Amsterdamse diamantbewerker, en formeerde de groep Roelofsen (Rengelinks schuilnaam).
Eind 1942 kreeg Rengelink bezoek van uitgever Fred von Eugen. Hij kwam voor adressen van betrouwbare gemeentesecretarissen die Rengelink kende uit zijn SDAP-periode. Von Eugen was bezig een netwerk op te bouwen voor zijn verzetsactiviteiten. Voor de oorlog was hij adjunct-directeur van De Arbeiderspers geweest, dé grote uitgeverij van SDAp en NVV, waar hij met de komst van Rost van Tonningen was opgestapt.
Hij vestigde zich als zelfstandig uitgever op Singel 262, waar hij zijn werkzaamheden als directeur van uitgeverij ABC (de Amsterdamsche Boek- en Courantmaatschappij) met succes voortzette. De door hem op de markt gebrachte Muiderkringboeken (een goedkope boekenserie) verschenen in een enorme oplage.
De Februaristaking van 1941 zorgde voor een nieuwe situatie. De dag na de staking werden alle zeventien joodse medewerkers van De Arbeiderspers ontslagen. Ze zochten hulp bij Von Eugen die hen zoveel mogelijk in zijn uitgeverij opnam. Het vormde de opmaat voor zijn verzorgingsgroep, de groep De Haas, de schuilnaam van Von Eugen. Ook nu was Von Eugen succesvol. In de zomer van 1942, toen de deportaties nog maar net waren begonnen, werden door de groep De Haas (inclusief de kleine verzorgingsgroepen die zich bij hem hadden aangesloten) al 1500 joodse mensen ondergebracht.
Von Eugen begon in die tijd ook met het vervalsen van persoonsbewijzen. Na hun kennismaking was de samenwerking tussen Von Eugen en Rengelink van start gegaan. Von Eugen hielp Rengelink aan onderduikadressen en aan valse persoonsbewijzen die afkomstig waren van de pbc. Rengelink leverde Von Eugen bonkaarten die hij kreeg via zijn connecties met ambtenaren bij de distributiedienst.

Rengelink en Von Eugen in contact met Walraven van Hall
Naarmate de oorlog vorderde, gingen Rengelink en Von Eugen steeds meer tijd aan hun verzetswerk wijden. Ze stopten met hun andere werkzaamheden. Ze kwamen elkaar regelmatig tegen op een belangrijk trefpunt in Amsterdam, de 3e Weteringdwarsstraat 10a, bij Jules de Rosa (joods) en zijn vrouw Nel (niet-joods), een gemengd gehuwd echtpaar dat hun huis aan het verzet beschikbaar had gesteld.
Hier kwamen allerlei mensen over de vloer. Bijvoorbeeld de jurist Jacob Le Poole die naast hulp aan joodse onderduikers ook inlichtingen voor de regering in Londen verzamelde en Rengelink in contact bracht met de makers van de illegale bladen Vrij Nederland en Ons Volk. Onder druk van de geldproblemen werd het contact tussen Rengelink en Von Eugen intensiever. De activiteiten van de verzorgingsgroepen namen in omvang toe. Tegelijkertijd werd het moeilijker om de onderduikers en hun gastgezinnen uit eigen middelen te bekostigen. Rengelink en Von Eugen gingen naar Wally (Walraven) van Hall, de baas van het Nationaal Steunfonds (NSF). Na verloop van tijd troffen ze elkaar op een vaste ochtend in een huis aan de Keizersgracht 695. Hier was de groothandel van Ben Bromet (joods) gevestigd. Na de arrestatie in februari 1944 van Bromet was het bedrijf stil komen te liggen. Als kantoor van het verzet deed het dienst tot het einde van de oorlog. Op de bijeenkomsten met Van Hall kwamen behalve financiële kwesties ook zaken van organisatorische aard aan de orde. Van Hall (bijnaam Van Tuyl) maakte zich grote zorgen over de ‘wilde groepjes’. Hij vreesde dat een gebrek aan controle fraude in de hand zou werken. Daarom vroeg hij Rengelink en Von Eugen deze groepen te gaan coördineren.
Eind 1943 kwam er een samenwerkingsverband tot stand tussen zeven groepen. Hiervan waren er vijf in Amsterdam gevestigd. Behalve de reeds genoemde groepen Roelofsen (Rengelink) en De Haas (Von Eugen) waren dit de
groep Adriaanse (Ad van Moock), de groep Duller (Piet Laroo) en de groep Karel (Karel de Vries). Ook in de groepen van de nieuwe partners waren de sociaaldemocraten sterk vertegenwoordigd. De ambtenaar Piet Laroo was actief lid van het AJC (en stond in nauw contact met SDAP-voorzitter Koos Vorrink), de letterzetter Ad van Moock, bestuurslid van de Amsterdamse afdeling van het AJC.  Van ‘de grote stedengroep’, zoals deze samenwerkende groepen destijds werden genoemd, had alleen de groep van Karel de Vries een afwijkend signatuur. De Vries was jonger dan de anderen, was geen lid van het AJC of SDAP geweest en gaf leiding aan een linkse studentengroep die gevestigd was in het Nieuwe Suijckerhofje aan de Prinsengracht 363. Vanuit dit adres werd hulp aan joodse onderduikers geboden en een vluchtroute naar Zwitserland opgezet. Hierdoor ontkwamen honderden joden aan de nazi’s.

De wilde groepjes contra de LO
De ‘wilde groepjes’ besloten tot samenwerking in een vrij verband en wilden in geen enkel opzicht afhankelijk worden van de LO, de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers, die sinds mei 1943 een centrale rol in het Nederlandse verzet was gaan spelen.
Bob van Amerongen: ‘De LO kwam pas van de grond na mei 1943 toen er onderduikadressen moesten komen voor de voormalige soldaten en de mannen die voor de Arbeitseinsatz in Duitsland werden opgeroepen. Toen was de deportatie van de joden al vrijwel voltooid. De aan de LO gelieerde Knokploegen waren sterk in het plegen van aanslagen en het stelen van geld en bonkaarten. Zij hadden een andere winkel. De joodse onderduik was niet hun specialiteit.’
Bovendien was de LO een nieuwkomer, terwijl de meeste vrije groepen al vanaf de zomer van 1942 actief waren. Ze waren gewend hun eigen zaken te regelen en wensten niet ineens naar de pijpen van anderen te dansen. Vanuit de LO probeerde men de vrije groepen in te lijven. Fred von Eugen werd gevraagd voor het lidmaatschap van het hoofdbestuur van de LO, maar hij wees dit aanbod resoluut van de hand. Hij en zijn medegenoten waren principieel tegen de gecentraliseerde werkwijze van de LO. Een organisatie onder leiding van één centrale figuur zagen de ‘vrije groepen’ als een te groot veiligheidsrisico. Als de leiding werd gepakt, zou de hele organisatie ernstige schade oplopen.
De vrije groepen waren als samenwerkende netwerkorganisaties anders georganiseerd. In plaats van een hiërarchische, piramidale structuur hadden zij een platte organisatievorm. In deze meer informele constellatie behielden de groepen een grote mate van autonomie. Hoezeer ze het bij het rechte eind hadden, bleek in de praktijk. Nadat in Amsterdam de leiders van de LO en de PBC (Persoonsbewijzencentrale) waren opgepakt,kostte het veel tijd en moeite om deze organisaties weer op poten te zetten.
De LO en de VGA vertegenwoordigden verschillende groepen in de destijds verzuilde Nederlandse samenleving. De LO was van origine christelijk georiënteerd, alhoewel in Amsterdam het niet-kerkelijke ‘humanistische’ element veel sterker vertegenwoordigd zou zijn dan elders in het land. De VGA had een geheel andere grondslag. De basis werd gelegd door een aantal actieve SDAP’ers. Na september 1944 kwamen er mensen van verschillend pluimage bij, onder meer een paar communistische groepen, maar ook groepen zonder een politieke kleur en zelfs een enkele liberaal.

De bonkaartenaffaire
Ondanks haar late oprichting groeide de LO in korte tijd uit tot een machtsfactor van betekenis. Er moesten met de LO afspraken worden gemaakt, te beginnen over de valse papieren voor de voedselvoorziening. In 1943 ging de lo de productie van de zogeheten ‘puntjes’ coördineren, de inlegvellen van de stamkaarten die nodig waren om bonkaarten te krijgen. Dit was voor de verzetsgroepen en hun onderduikers van groot belang want je kon alleen met bonkaarten aan voedsel komen. De Amsterdamse vrije groepen beseften dat een distributiekantoor niet overvoerd moest raken. Als er te veel ‘puntjes’ werden aangeboden, zou dat in de gaten lopen. Men nam contact op met de LO. Waar men zich al uitvoerig met de materie bleek bezig te houden.
Het Centrale Distributiekantoor had uitgerekend dat ieder gemeentelijk distributiekantoor een overschot aan bonkaarten kreeg van twee procent. De ingeleverde ‘puntjes’ mochten dit overschot niet overschrijden. Dus zorgde de LO ervoor dat de PBC bij het drukken hier rekening mee hield. De LO trok ook de uitzetting van ‘puntjes’ naar zich toe. Hierdoor voelden de vrije groepen zich in een hoek gedrukt. Zij wilden meer ruimte voor hun eigen ‘puntjes’, want ook hun onderduikers hadden voedsel nodig.
Om de samenwerking te verbeteren, werd eind 1943 een Contact Commissie in het leven geroepen waarin onder meer de LO en de Amsterdamse vrije groepen zitting namen. Aanvankelijk leverde dit niets op omdat de lo haar monopoliepositie niet wenste prijs te geven. Pas nadat de zaak in Den Haag en Amsterdam in het honderd was gelopen, was een compromis mogelijk. De vrije groepen werden nu bij het uitzetten van de ‘puntjes’ betrokken. Bovendien had de VGA via ene ‘Jeroen’ geregeld dat de PBC, buiten het aantal voor de LO, ook voor hen ‘puntjes’ ging drukken. De zogeheten bonkaartenaffaire vormde volgens Karel de Vries ‘het bindend element van de vrije groepen’.
Niet voor niets hadden de vrije groepen destijds als tweede bijnaam ‘de groep van 15.000’. Dit sloeg op het aantal bonkaarten dat men per periode nodig had. Na Dolle Dinsdag kwam aan het ‘bonkaartencontact’ abrupt een einde.

Rolls Royce en de VGA
Na Dolle Dinsdag werd het spionagewerk belangrijker. Hiermee was een aantal vrije groepen in Amsterdam eind 1943 al begonnen. Samen met de groep Brandsma (Hugo van der Wiele) uit Delft hadden ze een apparaat opgebouwd om informatie in te winnen over gevangen genomen kameraden.
Nu wilde men zich op de toestand in het land gaan oriënteren. Naast het spionagewerk werd een koeriersdienst opgezet die uit fietskoeriersters bestond die overal in het land actief werden. Het belang van deze verbindingsdienst bleek vooral toen een groot deel van het openbaar vervoer wegviel door de Spoorwegstaking (vanaf 17 september 1944). Von Eugen was samen met Hugo van der Wiele en Karel de Vries de drijvende kracht achter deze onderneming die bekend zou worden als Rolls Royce, zoals de groep begin oktober 1944 werd genoemd. Wally van Hall introduceerde hen bij de Binnenlandse Strijdkrachten. Loe de Jong kwalificeerde de Rolls Royce-groep als ‘de koeriersdienst van de illegaliteit’. Door deze nieuwe onderneming scheidden de wegen van de heren van het eerste uur: Von Eugen wijdde zich de rest van de oorlog aan de Rolls Royce-groep, Rengelink nam de organisatie op zich tot de vorming van de Vrije Groepen Amsterdam (VGA), een veel grotere groep dan tot dan toe had bestaan. Bij de vijf reeds samenwerkende Amsterdamse vrije groepen zochten ongeveer 35 groepen aansluiting. In deze nieuwe groepen waren jongeren sterk vertegenwoordigd.

Jan Bommer in actie – geen namen en adressen van onderduikers
Na de oprichting van de VGA waren de problemen met de LO nog niet van de baan. De VGA had destijds 1000 bonkaarten per maand nodig en wilde hierover met de LO een afspraak maken. Het was de eerste klus van VGA-voorzitter Jan Bommer. Jan Hemelrijk staat het nog helder voor de geest: ‘Die man van de LO was een militant type. Hij had laarzen aan, in een uniform had hij een Duitser kunnen zijn. Bommer legde hem uit dat wij 1000 bonkaarten per maand nodig hadden. Nou zei die man, dat kan wel, maar dan moet u mij 1000 namen en adressen geven. Dat was bij ons een taboe, dan joeg je weer een aantal mensen de dood in. Bij de LO is er door het noteren van namen en adressen veel misgegaan. Bommer zei: dat kunnen we natuurlijk niet doen. De onderduikers vertrouwen ons, dat is te riskant. Die LO-man hield voet bij stuk, anders kregen we ze niet. Toen zei Bommer: Winkelman, de directeur van het distributiekantoor in Amsterdam, die ken ik heel goed. Als u ze mij niet geeft dan ga ik naar hem toe. Ik weet dat u die bonkaarten van hem krijgt. Wilt u dat liever? Chantage natuurlijk. Maar toen hebben we ze wel van de LO gekregen.’
Hetzelfde probleem speelde met het Nationaal Steunfonds (NSF). Het NSF dreigde op een gegeven moment de geldkraan dicht te draaien toen de PP-groep weigerde met namen en adressen over de brug te komen. Jan Hemelrijk schreef toen de brief waarin hij dreigde in dat geval suiker op de zwarte markt te gaan verkopen. Net als in het geval met Bommer bleek ook hier chantage effectief om het eigen standpunt door te drukken.
De samenwerking tussen de ‘wilde groepjes’, de voorlopers van het VGA, en het NSF begon volgens Karel de Vries ‘buitengewoon stroef’. Wederom vroeg het NSF om verantwoording op naam van de verkregen gelden. Wally van Hall stemde er uiteindelijk mee in dat een dergelijke verantwoording achterwege bleef. Op voorwaarde dat de vrije groepen een persoon zouden aanwijzen die na de bevrijding een behoorlijke verantwoording van de gelden zou geven. Tijdens de bezetting werd de administratie verder in code gevoerd, hetgeen door de VGA ook met de LO werd afgesproken.

Het Leidsepleintheater
In het najaar van 1944 verslechterde de situatie in Amsterdam. Na Dolle Dinsdag, maar vooral na de Spoorwegstaking kwam de aanvoer van levensmiddelen en brandstoffen naar de stad praktisch stil te liggen.
De bioscopen en theaters werden niet meteen gesloten. Het Leidsepleintheater, dat voor de oorlog onder leiding had gestaan van de joodse cabaretier Louis Davids, was in de winter van 1944 nog in gebruik. In december 1944 oogstte het gezelschap van Cees Laseur er groot succes met 'De Koplamp', een cabaretrevue met jonge spelers als Albert Mol, Lia Dorana en Kees Brusse.
Op de bovenverdieping van het Leidsepleintheater zat destijds de kantine van de Vrije Groepen Amsterdam (VGA) en de Rolls Royce-groep. Iedereen uit die groepen die honger had, kon hier gratis en op onregelmatige tijden eten. Een jonge vrouw bestierde de tent en kookte ter plekke. Veel meer dan waterige stamppot, soep van aardappelschillen of een gerecht met tulpenbollen was het niet. Maar destijds bepaalde de kwaliteit van het eten niet de aantrekkingskracht van de kantine. De bespelers van het Leidsepleintheater moeten ervan geweten hebben. Het was onmogelijk om de drukte op de bovenverdieping niet op te merken of om niet mee te
genieten van de etensgeuren die zich door het pand verspreidden. Zo leefden in het Leidsepleintheater leden van de Nederlandse Kultuurkamer (een officieel orgaan van de bezetter) en leden van het Amsterdamse verzet samen. Door voedselschaarste moest deze keuken van het verzet uiteindelijk haar deuren sluiten.

Keizersgracht 695
De firma Bromet op de Keizersgracht 695, waar de VGA was opgericht, werd een belangrijke plek van de VGA in de stad. Rengelink hield er kantoor. Aanvankelijk hield hij zich bezig met de distributie van bonkaarten. Door de steeds moeizamer verlopende voedselvoorziening, kreeg hij een nieuwe taak: de organisatie van de voedselvoorziening voor de onderduikers van de VGA-groepen. Hiervoor vertegenwoordigde hij het Comité Helpt Amsterdam (organisatie voor onderduikers, onder meer VGA) in de speciale fouragedienst, de Hulporganisatie Amsterdam (HOA), waarbij een aantal Amsterdamse organisaties was betrokken en die voor de schijn van legaliteit onder de vlag van de Interkerkelijke Voedselorganisatie opereerde.
Op het VGA-kantoor moet het druk zijn geweest. Het was het contactadres van de groepen Roelofsen en Adriaanse. Koeriersters van VGA-groepen haalden hier voedselbonnen op die ze elders inruilden tegen voedselpakketten. Ook Jan Hemelrijk en Bob van Amerongen kwamen er over de vloer. Al zal het uit veiligheidsoverwegingen niet vaak geweest zijn.

Bron: https://rozenbergquarterly.com/fatsoenlijk-land-de-vrije-groepen-amsterdam/



Een woongemeenschap in het Gooi
Begin 1943 had Jan Hemelrijk een probleem. Bergen zou op korte termijn geëvacueerd worden vanwege de bouw van de Atlantikwall (Atlantische muur). Zijn onderduikers moesten elders worden ondergebracht. Noor van Donselaar, een oude schoolvriendin van Jans zuster Dineke die inmiddels in Huizen woonde, had een gouden tip. Ze kende een groot afgelegen huis in een woest duingebied op de grens van Huizen en Naarden. In de tuin van Het Hooge Nest, zoals het huis heette, had ze bij een vriendin thee gedronken. Haar familie had het huis voor de zomer gehuurd van twee dames uit Amsterdam. Jan Hemelrijk en Eberhard Rebling bezochten op hun paasbest gekleed de dames Jansen in hun riante huis aan de chique Apollolaan. Ze wilden Het Hooge Nest tot het einde van de oorlog huren. Twee dagen later, op 30 januari 1943, tekende Rebling onder zijn schuilnaam Jean Jacques Bos het huurcontract. De huur werd vastgesteld op 112,50 gulden per maand. Rebling verplichtte zich alles wat in de loop der tijd beschadigd of vernield werd na de oorlog te vergoeden.
Na het tekenen van het contract moest hij de huur van het huis officieel bij de burgemeester van Naarden melden. Anders zou het huis mogelijk in beslag worden genomen. Het werd een memorabel bezoek aan het gemeentehuis. De burgemeester, een fervente nazi die in zijn spreekkamer portretten van Hitler en Mussert had hangen, verwelkomde Rebling met ‘Heil Hitler’. Voor de eerste en laatste keer in zijn leven strekte Rebling de rechterarm terwijl ook hij de woorden ‘Heil Hitler’ uitsprak. Het effect was naar wens. De ‘familie Bos’ (Eberhard Rebling, Lien Brilleslijper en hun dochter Kathinka) werd als tijdelijke bewoner van de gemeente ingeschreven.
De onderduikers verhuisden per trein naar het Gooi. Eerst namen ze het stoomtreintje Bello van Bergen naar Alkmaar. Vandaar moesten ze via het gevaarlijke Centraal Station in Amsterdam. Daar namen ze de trein naar Bussum. Gelukkig viel het gezelschap, dat voornamelijk uit joden bestond, niet te veel op. De grote evacuatie had voor hen een positief neveneffect. Door de evacuatie vanuit het kustgebied waren veel mensen onderweg.

Een vesting in het Gooi
In Het Hooge Nest konden veel mensen wonen. De benedenverdieping had drie kamers met een keuken, de eerste verdieping vier kamers met een badkamer en de zolder nog een aantal dienstbodenkamers. Ook de ligging was gunstig voor onderduikers. Het huis lag op een heuvel omgeven door struiken en bomen. Het volgende huis in de richting van Huizen lag honderd meter verderop. Vanuit de voorkamer kon je mensen in de verte zien aankomen. Wie naar binnen wilde, moest om het huis heen lopen want de ingang zat aan de achterkant.
De kern van de Hooge Nest-bewoners werd gevormd door de familie Brilleslijper. Te beginnen de ‘familie Bos’: Eberhard Rebling, zijn partner Lien (Rebecca) Brilleslijper, met wie hij niet getrouwd was, en hun dochter Kathinka. Lien was voor de oorlog bekend als de danseres en zangeres Lin Jaldati en woonde in het Het Hooge Nest onder de schuilnaam Carolina Anna van der Horst. Ook Bob Brandes (de broer van Aleid Hemelrijk), zijn vrouw Janny (Marianne–de zuster van Lien) Brandes-Brilleslijper en hun kinderen Robbie en Liselotte woonden er. En ten slotte ook vader Joseph en moeder Fijtje Brilleslijper-Gerritsen alsook broer Jaap (Jacob) Brilleslijper.
Bob Brandes, de enige niet-jood die bij de ‘familie Bos’ inwoonde, was met zijn gezin officieel naar Naarden verhuisd. Hij was de enige Hoge Nest-bewoner die buiten de deur werkte. Elke ochtend ging hij op de fiets naar zijn werk bij de levensmiddelendistributie in Weesp. Bob Brandes en zijn vrouw Janny gingen ook regelmatig naar Den Haag, Amsterdam en Utrecht in verband met hun werk voor de illegaliteit. Hoogstwaarschijnlijk hadden zij een valse identiteit.
Naast de Brilleslijper-clan had Het Hooge Nest nog een aantal vaste bewoners: Bram (Abraham) Teixeira-de Mattos en zijn echtgenote Loes (Louise) Teixeira de Mattos-Gompes, vrienden van Bob en Janny uit Den Haag, met hun dochter Rita (Grietje) en schoonzoon Willy (Chaim Wolf) Jäger; Puck (Paulina) van den Berg-Walvis, die als kindermeisje optrad; Simon van Krefeld, de zoon van een bekende kinderarts en Jetty Drijf, ‘een knap meisje’.

Wie in nood verkeerde, kon altijd in Het Hooge Nest voor enige tijd terecht. Er woonden minimaal zeventien mensen, maar vaak ook meer dan twintig. De fourage voor een dergelijke grote groep was geen sinecure. Het moest niet in de gaten lopen. De zusjes Brilleslijper hadden er hun handen aan vol en trokken er dagelijks, onafhankelijk van elkaar, met de fiets op uit. Ze deden hun boodschappen in Huizen, Blaricum en Laren. Om niet op te vallen werd per winkel voor één familie ingekocht. Bij een grote melkwinkel in Blaricum werd yoghurt gekocht. Groente en aardappels in de regel bij drie verschillende winkels en zeep, wasmiddelen en andere huishoudelijke spullen bij drogisterij Bochove in Huizen. Deze waarschuwde hen wanneer er razzia’s in de buurt werden gehouden. De melk werd door twee verschillende leveranciers aan huis geleverd.

Bonkaarten en De Vrije Kunstenaar
Om het huishouden te laten draaien, ging Eberhard Rebling regelmatig voor geld en bonkaarten naar Amsterdam. Zijn leverancier was hoogstwaarschijnlijk Jan Hemelrijk. Het geld kwam verder van Bob Brandes, die zijn salaris had, en van de andere onderduikers. Maar de ouders Brilleslijper en de Reblings konden geen eigen bijdrage leveren. Een tweede inkomstenbron bracht een oplossing. Als gevierde kunstenaars onderhielden de Reblings contact met de schrijver Mik (Maarten) van Gilse, die samen met zijn vader, de componist Jan van Gilse, en de beeldhouwer Gerrit Jan van der Veen de redactie vormden van het illegale blad De Vrije Kunstenaar. Dit blad was in mei 1942 opgericht als protest tegen de verplichte aansluiting bij de Kultuurkamer. Daarnaast was Van Gilse ook actief in de PBC als vervalser van persoonsbewijzen (met als specialisatie het watermerk) en bonkaarten. Hij kwam geregeld op bezoek in Het Hoge Nest en vertelde vol trots dat De Vrije Kunstenaar van bierbrouwer Heineken een donatie van één miljoen gulden had gekregen. Hij bood de Reblings als kunstenaars een maandelijkse toelage aan. Het geld konden ze bij een contactpersoon in Laren ophalen. Ook zouden ze door de PBC gestolen bonkaarten krijgen. Bovendien kregen ze met de toevoer van geld en bonkaarten ook het blad De Vrije Kunstenaar waardoor ze op de hoogte bleven van de ontwikkelingen in het kunstenaarsverzet.
Eind juli 1943 kwam er een kink in de kabel toen Van Gilse op zijn onderduikadres in Amsterdam werd gearresteerd. Het liep slecht met hem af. Op 1 oktober 1943 werd hij in Overveen geëxecuteerd samen met achttien andere verzetsstrijders. Hoofdzakelijk mannelijke leden van de verzetsgroep CS6 waarmee Van Gilse contact had onderhouden en die door verraad was opgerold. Onder de geëxecuteerden waren ook de broers Boissevain, schoolgenoten en verzetsmakkers van Johan van Dijk, de fotograaf die Jan Hemelrijk pasfoto’s leverde.

Het leven in Het Hooge Nest
Het leven in Het Hooge Nest ging zijn gewone, ongewone gang. Om met een grote groep mensen een onafhankelijk onderduikbestaan te leiden, was destijds vrij uitzonderlijk. Het was zelfs volstrekt atypisch voor de onderduik. De meeste onderduikers woonden in bij degenen die hen verzorgden. Ongebruikelijk was ook het feit dat de onderduikers in Het Hoge Nest konden musiceren. Eberhard Rebling studeerde piano, Lien zong, boven in het huis oefende Simon van Krefeld op drums, terwijl de roodharige Puck van den Berg-Walvis in het tuinhuis viool studeerde. Rebling kreeg van de Amsterdamse muziekschool pianobewerkingen van opera’s te leen die hij regelmatig voor de bewoners van Het Hooge Nest ten gehore bracht. Hij speelde en zong dan zowel de bas- als de tenorpartij en zelfs de coloratuursopraan van Mozartopera’s als Die Entfu¨hrung aus dem Serail, Le nozze di Figaro en Die Zauberflöte. De opvoering van Beethovens Fidelio kreeg een bij de tijd passende politieke betekenis. De bevrijding van Florestan door zijn echtgenote Leonore in deze opera werd door de bewoners als een ‘antifascistische verzetsdaad’ gezien. Al met al moet Het Hooge Nest een orkaan van geluid geproduceerd hebben. Ook daarom was het een groot voordeel dat het huis geïsoleerd lag.
Het echtpaar Rebling onderhield ook contact met hun artistieke vriendenkring. Zo kwam Leo Fuks, een bekende jiddisch-specialist, regelmatig naar Het Hooge Nest om Lien les te geven in de jiddische taal. Ze kenden elkaar via de Arbeiders Cultuurkring Sch Anski, die in 1921 door Oost-joodse immigranten was opgericht en waar de jiddische taal en cultuur centraal stonden. Vooraanstaande jiddische schrijvers hadden er vóór 1940 voorgelezen uit eigen werk en er waren veel theatervoorstellingen gegeven.
Tijdens de bloeiperiode van Sch Anski in de jaren dertig maakte Lien, een donker joods meisje met een paar vurige ogen, er kennis met jiddische liederen waarin ze zich ging specialiseren. Voor de oorlog trad Lien op als solozangeres met haar geliefde Eberhard Rebling als begeleider op de piano. Daarnaast had ze als danseres voor de bekende Bouwmeester-revue gewerkt. Nu kon ze zich slechts op huiskamerniveau manifesteren. Samen met de joodse danser Karel Poons, die in de buurt van huizen zat ondergedoken en zijn haar blond had geverfd, repeteerde zij twee maal in de week in de kleine studio van kunstenares Grietje Kots in Laren. In deze ruimte gaf zij samen met Rebling ook een aantal huisconcerten met hoofdzakelijk jiddisch repertoire. De opbrengst ging naar De Vrije Kunstenaar, zoals dat destijds bij illegale optredens van kunstenaars gebruikelijk was die bij dit onafhankelijke orgaan voor Nederlandse kunstenaars waren aangesloten.

D-Day
Een aantal bewoners van Het Hooge Nest hield zich bezig met illegale activiteiten. Janny en Bob Brandes hielpen anderen aan valse papieren; Eberhard ging eens per maand naar Amsterdam om illegale tijdschriften en zonder bonnen gekochte levensmiddelen op te halen. Ook bracht hij een aantal joodse kinderen naar onderduikadressen. Via de radio volgden de bewoners van Het Hooge Nest de oorlogsontwikkelingen. Broer Jaap Brilleslijper had een radio geïnstalleerd. Vader Brilleslijper hield de berichten uit Londen en Moskou nauwkeurig bij. Ze hoorden dat het Rode Leger vanuit het oosten steeds dichterbij kwam, de Duitse veldmaarschalk Rommel in Noord-Afrika door de geallieerden werd verslagen en de geallieerden vervolgens op Sicilië waren geland. Het wachten was op het tweede front. Een gebeurtenis waar de bewoners van Het Hooge Nest reikhalzend naar uit keken.
In oktober 1942 had men in Bergen over Auschwitz gehoord. Al eerder hadden ze via de destijds befaamde concertpianiste Ida Rosenheimer en de Engelse radio vernomen dat heel veel joden door vergassing om het leven werden gebracht. Eerst door autogassen in vrachtwagens, later in gaskamers. Ondanks deze berichten kon men zich er amper iets bij voorstellen.
Op 6 juni 1944 hoorden ze het grote nieuws van de geallieerde landing in Normandië: D-Day. De oorlog leek in zijn eindfase te zijn beland. Maar in diezelfde periode bereikten ook alarmerende berichten de bewoners van Het Hooge Nest. Door verraad werden veel onderduikers gevonden. In Bussum, Laren en Hilversum, niet ver bij hen vandaan. Als reactie op dit nieuws maakte broer Jaap Brilleslijper een nieuwe plek waar men zich kon verbergen. Eerder had hij al bovenin het huis ruimtes gemaakt. Nu groef hij aan de achterkant van het huis een ondergrondse kamer met een lange ondergrondse gang.
Het bezoek bleef gewoontegetrouw komen. In het weekend van 8 en 9 juli 1944 kwam Frits Reuter, een van leiders van de Amsterdamse afdeling van de illegale Communistische partij, met zijn vriendin Cor Stel in Het Hoge Nest logeren. Ze hadden De Waarheid en andere illegale blaadjes uit de hoofdstad meegenomen.
De volgende ochtend werd er om 9.00 uur aangebeld. De SD had Het Hooge Nest gevonden.

Hollandse jodenjagers en verraad
Voor de deur stond Eddy Moesbergen die na de oorlog door procureur-generaal mr.Bakhoven tot ‘de ergste jodenjagers’ werd gerekend. De bewoners van Het Hooge Nest wisten niet wie hij was. Door het boek Kopgeld; Nederlandse premiejagers op zoek naar de joden, 1943 (2002) van publicist/programmamaker Ad van Liempt weten we nu meer over deze Moesbergen. In het boek wordt zijn carrière als jodenjager uitgebreid beschreven, waaronder de inval in Het Hooge Nest. Het was één van zijn grootste vangsten.
Moesbergen, door een nichtje getypeerd als een man met ‘een heel lief, zacht karakter’, behoorde tot de groep van Nederlandse collaborateurs die vanaf maart 1943 tegen betaling op jodenjacht ging. Voor elke jood werd aanvankelijk zeven gulden vijftig neergeteld. De Colonne Henneicke, genoemd naar de leider, bood waar voor zijn geld. Door deze jodenjagers werden tussen maart en oktober 1943 tussen de 8000 en 9000 joden opgespoord, die vervolgens naar de vernietigingskampen werden doorgestuurd.
Nadat de Colonne Henneicke officieel was ontbonden (1 oktober 1943), bleef een aantal leden actief, onder wie Eddy Moesbergen. Vanaf januari 1944 was hij in dienst van het voormalige Bureau Joodse Zaken van de Amsterdamse politie, dat onder de SD ressorteerde. Inmiddels was zijn tarief per jood verdubbeld. In het Gooi kende Moesbergen ene mevrouw H. Hij kon haar chanteren omdat er eerder onderduikers bij haar waren gevonden. Ze moest informatie geven, anders ging ze alsnog naar een concentratiekamp. Toen hij haar op zondag 9 juli sterk onder druk zette, kwam ze met het adres van Het Hooge Nest dat ze van een joodse man in Amsterdam had gekregen. Voor het geval ze nog een goed adres nodig had voor joodse onderduikers.
De volgende morgen al stond Moesbergen met zijn mannen op de stoep. Hij was in het gezelschap van de SD’ers Harm Krikke en Willem Punt en twee agenten uit Huizen. Op het moment van de inval waren niet alle bewoners van Het Hooge Nest thuis. Bob Brandes was al naar zijn werk in Weesp. Janny was met haar zoontje Robbie voor een illegale bijeenkomst naar Amsterdam gegaan.
Om hen die niet huis waren te waarschuwen, zorgde Lien ervoor dat het afgesproken veiligheidsteken in werking werd gesteld. Als de vaas niet op de vaste plek stond, was er iets niet pluis. Lien ontsnapte aan de bewaking van de agenten. Ze gaf Kathinka een wenk om door het huis te gaan hollen en zorgde ervoor dat de vaas sneuvelde.
Toch kon ze niet voorkomen dat haar zuster Janny bij thuiskomst rond 13.30 uur werd gepakt. Janny zag dat de vaas was verdwenen, maar Robbie was al vooruit gelopen en naar binnen gegaan. Ze wilde haar zoontje niet in de steek laten en ging hem achter na. Om de kinderen in veiligheid te brengen, voerde Lien een komedie op. Ze simuleerde een epileptische aanval en wist de SD’er Punt te bewegen om de drie kinderen tijdelijk bij dokter Van den Berge onder te brengen. Zo hoefden ze haar ‘aanval’ niet mee te maken en konden ze van daaruit in veiligheid worden gebracht.
In de namiddag kwam er een bus uit Amsterdam om de arrestanten vanuit het politiebureau in Huizen op te halen waar ze naartoe waren gebracht. Men had, zoals Lien later verklaarde, niet op zo’n grote vangst gerekend. Janny vroeg een van de agenten uit Huizen, die bij deze operatie was betrokken, om haar echtgenoot Bob Brandes te bellen en dringend te vragen niet naar huis te komen.
Toen de bus rond 18.00 uur naar Amsterdam reed, waren vier bewoners van Het Hooge Nest nog niet gepakt: vader & moeder Brilleslijper en Willy en Rita Jäger. Ze zaten verstopt op verschillende plekken in het huis. In de loop van de avond werden ze toch gevonden. Willy en Rita Jäger werden om 22.00 uur als laatsten ingerekend.

Jan Hemelrijk en Noor van Donselaar op de plek des onheils
Inmiddels was Jan Hemelrijk in het Gooi gearriveerd. Hij had het nieuws van de ontruiming gehoord.’s Ochtends was hij al naar station Bussum afgereisd. Daar kwam Noor van Donselaar hem op het perron tegen. Hij vroeg haar om zo snel mogelijk met het nieuws naar Bob Brandes te gaan. Ook wilde hij de kinderen bij de dokter weghalen. Of ze mogelijk naar de familie Van Donselaar gebracht konden worden?
Noor informeerde haar moeder die onmiddellijk naar Weesp vertrok om Bob Brandes te waarschuwen niet naar huis terug te gaan. Rond vijf uur kwam Jan bij de Van Donselaars aan de Naarderstraat. Hij vroeg of iemand bij Het Hoge Nest wilde gaan kijken. Hij wilde weten of iedereen al was vertrokken. Noor ging op pad en bedacht onderweg een goede reden om aan te bellen. Ze zou vertellen dat ze een weggelopen poesje zocht. Met deze smoes belde ze aan bij Het Hooge Nest.
De deur ging open en werd vrijwel meteen weer dichtgesmeten. Omdat ze niet onverrichter zake naar huis terug wilde gaan, ondernam ze een tweede poging. De man die eerst de deur had dichtgesmeten, nodigde haar nu vriendelijk uit om binnen te komen. Ze wimpelde de uitnodiging af, ging met de man een gesprekje aan en had ondertussen genoeg tijd om naar binnen te kijken. Twee mannen waren bezig een tapijt op te rollen, een andere man trok de traploper van de trap. Noor dacht dat het huis leeggehaald werd. Maar men was op dat moment nog op zoek naar onderduikers.

Kinderen in veiligheid
’s Avonds werd de eerste lading arrestanten in Amsterdam in een gevangenis in de Marnixstraat afgeleverd. De volgende dag werden ze ondervraagd op het hoofdkwartier van de Sipo-SD in de Euterpestraat. Het paspoort van Rebling was gevonden. Hij liep hierdoor het gevaar direct geëxecuteerd te worden. Hij was immers een Duitse deserteur. Bovendien leefde hij zonder getrouwd te zijn samen met een joodse vrouw, wat als Rassenschande wettelijk was verboden.
Lien en Eberhard werden hoogstpersoonlijk verhoord door Willy Lages, het hoofd van de Sipo-SD. Hij wilde weten hoe ze aan hun persoonsbewijzen en bonkaarten waren gekomen. Om de druk op te voeren, sloeg hij Lien met een zweep in haar gezicht en zei: ‘Vogeltje, ik weet hoe ik jou kan laten zingen. Ik laat je dochtertje hier brengen, en als je ziet wat we met haar doen, dan zal je wel praten.’
Maar toen de Gestapo (onderdeel van de Sipo) bij dokter Van den Berg kwam om Kathinka op te halen, was ze al door verzetsmensen meegenomen. De kinderen waren op verschillende adressen ondergebracht om het risico te spreiden. Dokter Schaberg had de kinderen Brandes van dokter Van den Berg overgenomen. Daar bleven ze drie weken totdat ze naar hun niet-joodse grootmoeder in Den Haag werden gebracht. Omdat ze officieel ‘half-joods’ waren, liepen ze minder gevaar dan hun nichtje Kathinka, die officieel ‘vol-joods’ was omdat haar ouders niet getrouwd waren. Jan Hemelrijk had aan dokter Van den Berge gevraagd Kathinka aan hem mee te geven. Maar Van den Berge weigerde omdat hij nu eenmaal de agenten zijn woord had gegeven. Kennelijk was hij bang voor problemen met de SD. Jan besloot het kind te ontvoeren. Zijn poging liep in eerste instantie op niets uit. Toen hij aanstalten maakte Kathinka mee te nemen, begon mevrouw Van den Berge te schreeuwen. Voor het huis van de dokter werd ter bewaking een politieagent geplaatst. Wat nu?
Jan vond twee mensen bereid de klus te klaren. Karel Poons, de joodse balletdanser met wie Lien de afgelopen tijd had gerepeteerd, en Marion van Binsbergen, een jonge niet-joodse vrouw die zich al vanaf 1942 inzette voor joodse onderduikers, gingen op 14 juli ’s ochtends vroeg naar het huis van dokter Van den Berg in Huizen. De twee werkten regelmatig samen. Karel Poons deed zijn verzetswerk hoogstwaarschijnlijk onder een valse identiteit. Terwijl Karel de politieagent afleidde, ging Marion het huis binnen. Kathinka was al aangekleed. Marion nam haar zo snel mogelijk mee naar buiten. Ze reden op de fiets over de heide naar Blaricum waar Kathinka bij Johnny en Anneke LeFebvre werd afgeleverd. Zij zou, evenals een aantal andere Hooge Nest-bewoners, de oorlog overleven.
Van de bewoners van Het Hooge Nest overleefden Eberhard Rebling; Lien Rebling-Brilleslijper; Bob Brandes; Janny Brandes-Brilleslijper; Puck van den Berg-Walvis, Willy en Rita Jäger en de drie kinderen.
Spectaculair was Reblings ontsnapping uit een politieauto bij bureau Spaarndammerdijk. Toen de auto stil stond en schoonzuster Janny zich in de armen van een agent stortte, kon Eberhard Rebling ontsnappen. Als gevolg ging Janny met haar zuster Lien op transport naar Auschwitz. Ze werden later doorgestuurd naar Bergen Belsen. Daar ontmoetten ze de zusjes Anne en Margot Frank. De zusjes Frank komen om, de zusjes Brilleslijper overleven. Na de oorlog worden ze verenigd met hun echtgenoten en kinderen.
Dat de zusjes Brilleslijper niet in Auschwitz zijn omgebracht, kan verklaard worden uit het feit dat ze gemengd gehuwd waren en kinderen hadden gekregen (de categorie Priviligierte Mischehe). Ook in de kampen bleek dat een voordeel.
Vanuit de gevangenis in Amsterdam had Lien alsnog een valse huwelijksakte (Londen, 1938) met haar geliefde weten te regelen. Willy en Rita Jäger bleven als enigen van de gevangen Hooge Nest-bewoners in Westerbork achter. Willy was bakker en omdat er geen bakkers meer in Westerbork waren, had men hem nodig.

Femke Last in de val
Toch moet er ergens iets misgegaan zijn. Op 11 juli, de dag na de inval[7], reisde Femke Last nietsvermoedend met een tas vol bonkaarten en andere papieren naar Het Hooge Nest. Ze had op het laatste moment Aleid vervangen die onverwachts aan haar blindedarm geopereerd moest worden. Misschien had de operatie Jan afgeleid, of had Femke de boodschap gemist. Maar het is moeilijk te begrijpen dat Jan op 10 juli wist dat Het Hoge Nest verraden was en zijn koerierster er de volgende dag toch naar toe ging.
Femke was die dag met de Gooise tram gekomen. Toen ze bij Het Hooge Nest kwam, was ze het veiligheidsteken vergeten. ‘Ik wist het niet meer’, zegt Femke Last. ‘In ieder geval ben ik zo stom geweest om gewoon aan te bellen. Het duurde even tot er werd open gedaan. Ik hoorde het toilet doortrekken, toen kwam iemand de deur open doen. Toen bleken er Nederlandse SD’ers te zitten. Knap fout natuurlijk.’
Femke verzon ter plekke een verhaal. Ze speelde een dom Hollands meisje. Ze zou op het station van Ommen een aardige jongen hebben ontmoet die haar had gevraagd op dit adres een pakje af te leveren. In haar tas vond de SD tussen de muziekboeken de bonkaarten die ze moest brengen. Maar de inktspullen die ze bij zich had om vingerafdrukken te maken, wist Femke achter een gordijn te verstoppen. In de taxi, op weg naar de gevangenis op de Amstelveenseweg in Amsterdam, ontdeed Femke zich nog van haar portemonnee met belastend materiaal: haar treinretourtje Amsterdam en haar lidmaatschap van gaarkeuken Zuid. In Amsterdam werd ze opnieuw ondervraagd. Ze kreeg een oorvijg. Maar ze bleef de vermoorde onschuld uithangen, het domme meisje dat er in was getrapt. Ze was bang om gemarteld te worden. Daarom ondertekende ze snel een verklaring dat ze koerierster was geweest. Hierna werden de ondervragingen beëindigd. Over haar connectie met de PP-groep was men niets te weten gekomen.
Na een maand gevangenis op de Amstelveenseweg ging ze op transport naar kamp Vught. Daar werd ze te werk gesteld op de Philips-afdeling waar de radiolampen werden gemaakt. Vlak na Dolle Dinsdag (5 september 1944), toen de Duitsers in paniek waren omdat ze dachten dat de geallieerde invasie van Nederland nabij was, werd Femke met de vrouwen van de Philipsgroep naar Ravensbru¨ck gestuurd. Ze ging van het ene naar het andere kamp en werd uiteindelijk na vele ontberingen op 14 april 1945 in het Duitse Salzwedel bevrijd.

Rondzwervingen van vader Jaap Hemelrijk
Jaap Hemelrijk, Jans vader, vond vanaf maart 1943 vooral onderdak bij zijn zwagers, de broers van zijn niet-joodse echtgenote. Nadat hij eerst in Putten een tijdje bij een van zijn zwagers had gewoond, vertrok hij naar een andere zwager in Wassenaar, Dick de Jong. Deze had zijn hulp ingeroepen omdat de schoolprestaties van zijn dochter in de vijfde klas van het Rijnlands Lyceum onder de maat waren. Ze had dringend bijles nodig. Met Kerstmis was het rapport van dat nichtje dermate verbeterd dat Jaap Hemelrijk weer naar Putten kon terugkeren. Daar was een groot deel van de familie van zijn echtgenote neergestreken. Toen begin 1943 de kuststrook werd ontruimd, moest Jaaps vrouw Dit met haar nog thuiswonende kinderen haar huis in Bergen verlaten. Dat gold ook voor haar drie broers die in de kuststreek woonden. Zo was er in Putten een enclave van de familie De Jong ontstaan.
De drie broers huurden huizen aan de Prins Hendrikweg. Leo zat met zijn gezin in De Kimme; Arie met het zijne in De Rietschoof. Jan de Jong huurde voor zijn vriendin huize De Eekhoorn. De bovenverdieping van dit huis stelde hij ter beschikking aan zijn zuster Dit en haar twee jongste kinderen, Dineke en Jaap.
Vanzelfsprekend deed Jan zijn uiterste best om zijn vader optimaal te beschermen. Jan verzorgde voor hem een steeds beter persoonsbewijs. Met elk nieuw document kreeg hij een andere naam. Zijn identiteit veranderde uiteindelijk van Jacques François in Benjamin Jacobus Johannes Piekar, zijn vierde naam inmiddels. Een naamsverandering betekende dat vader Hemelrijk telkens nieuwe familierelaties en geboortedata moest leren. Jan overhoorde zijn vader in al deze zaken die hij vlot moest kunnen reproduceren. Want, zoals Jan hem voorhield: ‘Als je maar even aarzelt of een onjuist antwoord geeft op welke vraag ook, ben je er geweest.’ Naast het nieuwe persoonsbewijs zorgde Jan ook voor een passende stamkaart, belastingpapieren en een verhuisvergunning voor Amstelveen, waar zijn vader in het bevolkingsregister als bewoner van een pension werd ingeschreven. Volgens Jan was zijn vaders veiligheid gegarandeerd zodat hij zich bij een huiszoeking niet hoefde te verstoppen. Hierdoor leefde vader Hemelrijk in Putten een relatief onbezorgd bestaan. Hij waande zich veilig en genoot er van de natuur. Helemaal toen in de zomer de zangvogels kwetterden en hij op stille zomeravonden boswandelingen kon maken. Aan leerlingen had hij ook hier geen gebrek. Twee neefjes die in de eerste klas van het Lyceum in Harderwijk zaten,kwamen bij hem hun huiswerk doen.
Begin september 1944 kwam er nog meer familie naar Putten. Zoon Leo, zijn Engelse vrouw Vera en hun pasgeboren dochter Miriam namen hun intrek in De Koepel, een zomerhuisje met een puntig rieten dak, vlak naast De Eekhoorn. Jaap Hemelrijk kon van zijn eerste kleinkind genieten en bijpraten met zijn oudste zoon. Vanzelfsprekend waren de oprukkende geallieerde legers een belangrijk gespreksonderwerp. Ze luisterden om de beurt, met een koptelefoon op, naar de nieuwste ontwikkelingen op de radio, die in een schuilplaats was verborgen. Ze hoorden dat de geallieerde legers de grens met België naderden en dat Brussel elk moment kon worden bevrijd.
De bevrijding liet echter nog lang op zich wachten. En ook hun persoonlijke lot zou een ongunstige wending nemen.

Inval in De Eekhoorn
Op zaterdag 2 september, kort na middernacht, werd er hard op de deur van De Eekhoorn geklopt. Voor de deur stond Egbert Otter, opperwachtmeester der marechaussee, in gezelschap van zeven gewapende landwachters uit Ermelo. Ter ondersteuning van hun missie hadden ze een bouvier-politiehond meegenomen. De toen 19-jarige Jaap jr., de jongste zoon van Jaap en Dit Hemelrijk, sprong uit het raam en wist te ontkomen. Opperwachtmeester Otter, een jongeman met een hardvochtig, zelfingenomen gezicht, nam samen met een collega het verhoor af. Kennelijk hadden ze een tip gekregen, want ze leken zeer zeker van hun zaak. Ze wantrouwden Jaap Hemelrijks voortreffelijke papieren en wonden er geen doekjes om. ‘En waar is nu je radio, vuile jood?’, brulde Otter. ‘Ik zal hem vinden, al is hij nog zo goed verstopt.’
Op Dolle Dinsdag, toen Otter op de vlucht was geslagen, werd op zijn bureau een anoniem briefje gevonden waarin stond dat zich op de Prins Hendrikweg een jood met radio had verborgen. Wie de verrader was, is nooit opgehelderd. Otter had grote moeite om Hemelrijk een bekentenis te ontlokken. Helaas aarzelde hij over de naam van zijn moeder toen hem daarnaar werd gevraagd. Fataal was echter de foto die in de jas van zoon Jaap werd gevonden die hij bij zijn vlucht had achtergelaten. Op de foto stond Jaap sr in het Zwitserse Tesserete toen hij daar in 1939 enige maanden verbleef om gezondheidsredenen. Hij had destijds die foto aan zijn jongste zoon Jaap gestuurd en op de achterkant een boodschap geschreven: ‘Voor Japie, opdat hij zijn vader niet vergeet.’
Otter zag hierin het bewijs dat de Heer Piekar feitelijk de vader was van Japie Hemelrijk. Dat klopte natuurlijk, maar Hemelrijk bleef de waarheid hardnekkig ontkennen. Op het politiebureau werd Jaap Hemelrijk nogmaals uitvoerig verhoord. Voor hij in het arrestantenhok werd gestopt, bekeek hij zijn belagers nog eens goed en constateerde te maken te hebben met ‘een zeldzame collectie van onnozele misdadigheid’, zoals hij later schreef.

In handen van de Nederlandse politie
Die nacht bereidde Jaap Hemelrijk zich voor op het einde van zijn leven. Hij keek terug op een gelukkig bestaan en schreef ter afscheid aan zijn vrouw een gedicht op de muur omdat hij vermoedde dat zij ook in deze cel zou belanden. Wat ook gebeurde: ‘Jij bent de vlam, die mijn verkleumde leden warmt, het schreiend hart, dat sidderend zich erbarmt. Jij hebt God nooit gezocht in kerken of gebeden, maar zijn gebod in zuiver hart beleden.’
De volgende dag werd hij opnieuw verhoord. Aanvankelijk leek het nog de goede kant op te gaan. Een Duitse politieman had zijn valse persoonsbewijs al goedgekeurd. Toen Hemelrijk de vraag of hij joods was ontkennend beantwoordde, was dat voor de Duitser genoeg reden om hem te laten gaan. Otter gooide echter roet in het eten. Op zondag konden er volgens hem geen arrestanten worden vrijgelaten.
Deze Dag des Heren had nog een onaangename verrassing in petto. Zondagavond 3 september kreeg vader Hemelrijk onverwachts gezelschap van een hem onbekende jongeman. Het was de 23-jarige Louis Albert Lansdorp, bekend onder zijn verzetsnaam Carlo van den Heuvel, die eerder betrokken was bij de hulpverlening aan neergeschoten geallieerde piloten. De uit Tilburg afkomstige Carlo was destijds actief op de Veluwe om mensen van de Gestapo uit de weg te ruimen. Hij was toevallig die zondag in Putten om vrienden op te zoeken en ging mee om vader Hemelrijk te bevrijden. De actie mislukte. Twee jongemannen uit Putten wisten te ontkomen, maar Carlo werd door politieman Oostering ontwapend. De mislukte operatie pakte uiteindelijk in het nadeel van vader Hemelrijk uit. Zijn beoogde vrijlating was van de baan. Otter zal door de actie gedacht hebben met Hemelrijk een grote leider uit het verzet te hebben opgepakt.
Vervolgens werden Hemelrijk en de jonge Carlo vanuit Putten naar de marechaussee kazerne in Arnhem vervoerd, waar ze werden opgewacht door luitenant-kolonel J.E. Feenstra, een beruchte NSB’er en commandant van de marechaussee gewest Arnhem, en zijn team. Hemelrijk zag op het trottoir vier mannen staan in het uniform der koninklijke marechaussee en stapte na Oostering uit terwijl hij Carlo aan zijn boeien meevoerde. Nauwelijks binnen voelde hij de slagen van gummiknuppels met kracht op zijn hoofd neerkomen. Ook Carlo kreeg zijn deel. ‘Zo ongeduldig waren deze lieden, als kinderen, die te lang op een beloofde pret gewacht hadden’, schreef Hemelrijk later in zijn oorlogsherinneringen. Het verhoor, dat vanaf middernacht tot omstreeks vier uur duurde, werd afgenomen door Feenstra, Otter en hun assistenten, onder wie Huizinga en wachtmeester Lanting uit Putten.
Na een urenlange afranseling werden Carlo en Hemelrijk apart opgesloten. Hemelrijk zou Carlo nooit meer terugzien. Hij werd op 5 september in de gevangenis van Arnhem geëxecuteerd. In zijn cel ondernam Hemelrijk die nacht een zelfmoordpoging. Hij sneed zijn polsen door en nam acht slaaptabletten en twaalf aspirines. Het leek hem de beste uitweg. Want hij had geen enkele hoop als jood een transport te overleven.
Op de ochtend van 5 september werd hij uit een diepe slaap wakker en zag hij dat zijn polsen verbonden waren. ‘Aufstehen!’, werd hem toegeschreeuwd. Op een draagbaar werd hij naar kamp Vught vervoerd.

Dolle Dinsdag
Het was een memorabele dag. Dolle Dinsdag. De dag waarop minister-president Gerbrandy via Radio Oranje het Nederlandse volk foutief informeerde over de vorderingen van de geallieerde legers. Ze zouden de Nederlandse grens al zijn overschreden. Terwijl ze die in werkelijkheid slechts naderden. Ook werd gemeld dat Britse troepen Breda hadden bereikt. Ook dat bleek later een fabeltje te zijn.
In deze bevrijdingsroes sloegen de Duitsers massaal op de vlucht. Maar hun gevangenen lieten ze niet achter. Een deel werd op de valreep gefusilleerd. Een ander deel ging mee naar Duitsland. Op 6 september vertrok Jaap Hemelrijk met het laatste transport van politieke gevangenen uit kamp Vught. Hij kreeg zonder problemen een ligplaatsje in de wagon omdat iedereen ervan uitging dat hij het transport niet zou overleven. Na drie dagen en drie nachten arriveerde de trein ’s ochtends om 10.00 uur in het kamp Sachsenhausen, vlakbij Oraniënburg, op 35 km van Berlijn. Jaap Hemelrijk stapte tot ieders verbazing fit en levendig uit de trein.

Sachsenhausen
In het kamp kwam Hemelrijk tot z’n grote verrassing de socialistische voorman Koos Vorrink tegen. Het was een hartverwarmend weerzien tussen vrienden die elkaar kenden uit de ajc. Ze hadden elkaar jaren niet gezien. Nu kon Hemelrijk zijn grote zorg met iemand delen. Als jood bevond hij zich immers in een hopeloze positie.
Vorrink beloofde te proberen iets voor hem te doen. Later zou blijken hoe cruciaal deze ontmoeting voor Hemelrijk is geweest. In eerste instantie redde hij zichzelf door zich op de appèlplaats niet als jood kenbaar te maken.

Gered door Vorrink en Zwart
Pas maanden later hoorde Hemelrijk dat zijn kaart uit het register was gelicht en door een nieuwe was vervangen. Op zijn nieuwe registratiekaart stond bij religie Gottlos in plaats van joods. Hoe dat was gegaan, hoorde hij na de bevrijding. Koos Vorrink kende Joop Zwart, een oud-Spanjeganger, die in Sachsenhausen aan het hoofd stond van de politische Abteilung waar de nieuwe gevangenen bij aankomst werden geregistreerd.
Vorrink had Zwart gevraagd Hemelrijk zo mogelijk te redden. Die gelegenheid deed zich voor door de hebzucht van een SS’er. De kaarten met alle gegevens van de gevangenen, inclusief vergrijpen en strafmaatregelen, waren met het transport uit Vught in drie kistjes meegekomen. Een van die drie kistjes had een mooi ijzeren beslag. Dat kistje wilde de SS’er graag hebben. Joop Zwart ging akkoord, op voorwaarde dat hij de sleutel kreeg zodat hij de inhoud van dat kistje in de andere twee kon stoppen. Hierdoor konden alle gevaarlijke kaarten uit de kistjes gelicht worden en werd van 300 gevangenen uit Vught het leven gered, onder wie Jaap Hemelrijk. Vriendschap, geluk en intelligentie hadden hem voor een wisse dood behoed.
Later verhuisde Hemelrijk naar kamp Buchenwald. Ook daar werd hij gered door advies en hulp van zijn medegevangenen. Toen de Amerikanen Buchenwald naderden en het kamp door de SS geëvacueerd zou worden, wilde Hemelrijk weten wat hij het beste kon doen om te overleven. Meegaan of blijven? Zolang mogelijk blijven, had Arie Treurniet, evenals Hemelrijk jeugdleider bij de AJC, hem geadviseerd.
Hemelrijk luisterde en werd door een groepje landgenoten meegenomen om zich in het kamp te verbergen. Hij overleefde de oorlog, terwijl van de mensen die het kamp verlieten en deelnamen aan de zogeheten dodenmarsen alsnog duizenden (naar schatting 13.500) om het leven kwamen. Op 11 april 1945 werd hij door de zesde pantserdivisie van het derde Amerikaanse leger in Buchenwald bevrijd.

Het thuisfront
In Amsterdam kreeg Jan van zijn broer Leo een telegram met het slechte nieuws over zijn vader. Op 6 september, de dag na Dolle Dinsdag, was in Amsterdam de uittocht van NSB’ers in volle gang. Door het slechte nieuws kon Jan er nauwelijks van genieten: ‘En ik zou er een enorm genoegen in hebben, als ik niet gisteravond, toen we thuis kwamen van onze vacantie van 4 dagen, bericht had gevonden dat vader gepikt was. (…) M’n enige hoop is, dat ze geen tijd meer zullen hebben en geen gelegenheid om hem weg te brengen. (…) Dat ze moeder hebben gehaald, lijkt me eerder gunstig dan ongunstig, misschien zijn ze nog aan een soort onderzoek bezig. En zijn papieren zijn erg goed. Alles hangt af van de snelheid, waarmee de geallieerden oprukken.’
Dat duurde aanzienlijk langer dan veel Nederlanders hoopten. Dolle Dinsdag bracht niet de verwachte bevrijding, en ook de slag om Arnhem (17–25 september) liep uit op een fiasco.
Voor de familie Hemelrijk bracht Dolle Dinsdag ook goed nieuws. Otter en een aantal van zijn collega’s namen de benen naar Duitsland. Goede marechaussees namen het roer over en lieten moeder vrij. Direct na haar vrijlating probeerde moeder samen met dochter Dineke de verblijfplaats van vader te achterhalen. Ze werden van het kastje naar het muurtje gestuurd. Ze fietsten tussen Arnhem, Amersfoort, Putten en Wageningen heen en weer. Pas in tweede instantie leverde contact met Arnhem informatie op.

Op 12 september 1944 schreef Dit Hemelrijk aan haar kinderen: ‘Lieve, lieve kinderen, Het zal hoogstwaarschijnlijk alles al achter de rug zijn; vader is dood. Dineke heeft gisteren ten einde raad Abas van de J.R. (Joodse Raad) in Arnhem laten bellen naar de marechausseekazerne, waar hij óf Otter óf Feenstra a.d. telefoon kreeg: ‘Hebt u een meneer Hemelrijk gehad?’ – Ja – ‘Wat heb U met hem gedaan?’ -Dien hebben we doodgeschoten. –Daarna is D. alleen naar Fischer in Velp gegaan, om te vragen om ‘het lijk’.’ Zij vervolgt: ‘Mevr. Driebergen (een kennis van de familie, LG) gelooft er niet aan, intimidatie. Ze krijgt vandaag of morgen nog verbinding met het kamp hier. Ik ben er van overtuigd, dat onze Pappa niet meer leeft. Hij heeft waarschijnlijk niet lang geleden. Hij heeft het de laatste weken gevoeld, hij was nooit opgewekt en begreep dat zelf niet. Wees jullie voorzichtig. Die tol is voldoende voor ons gezin. Dag lievelingen. Als het kan, Jan, als het kan, kom dan even in P. (Putten-lg). Maar nodig is het niet. Moeder’
De familie ging er vanuit dat vader omgekomen was. Tot Dineke midden november van de echtgenote van burgemeester Nieuwenhuijsen van Limmen hoorde dat vader nog in leven was. Er was een man teruggekeerd uit de Duitse kampen. Bij die man was mevrouw Kalma, de echtgenote van de secretaris van de gemeente Alkmaar, in Haarlem op bezoek geweest. Hij bleek met de heer Kalma in het kamp te hebben gezeten en vertelde dat haar man veel om ging met ene meneer Hemelrijk, een directeur van een school in Alkmaar. Mevrouw Kalma begreep dit niet. Want voor zover zij wist, was Hemelrijk overleden. Jan stuurde een foto van vader naar de man in Haarlem die bevestigde dat hij hem had gezien. Sindsdien wist de familie Hemelrijk dat vader mogelijk nog in leven was. In januari 1945 hoorden ze een soortgelijk bericht.
Moeder Hemelrijk besloot uit veiligheidsoverwegingen niemand uit de kennissenkring hierover te informeren. Wie weet zou het zijn leven in gevaar brengen. Inmiddels stroomden er nog steeds condoleancebrieven binnen. Na de oorlog kostte het Jaap Hemelrijk veel tijd om alle condoleancebrieven te beantwoorden.

Jules van Amerongen onder de grote rivieren
De familie Van Amerongen maakte ondertussen iets heel anders mee. In de periode na Dolle Dinsdag ontplooide Bob een nieuwe activiteit. Samen met een groepje verzetsmensen legde hij zich toe op de voedselvoorziening voor Amsterdam. Ook bleef hij actief voor zijn onderduikers die verspreid zaten op uiteenlopende plekken in Nederland. Hij had de grootste moeite om zijn vader in het gareel te houden. Zijn vader was al begin 1943 naar Weert gegaan omdat het in Amsterdam te gevaarlijk werd. De Alkmaarse psychiater Hoeneveld kende daar een priester die actief was in het verzet en die zich ook bezighield met het onderbrengen van joden.
Er zou voor vader een adres geregeld zijn. Maar toen hij ter plekke arriveerde, was de priester in geen velden of wegen te bekennen. Vader Van Amerongen nam in Weert zijn intrek in Hotel de Vesper. Bob zocht hem daar verschillende keren op. Vol trots vertelde vader Van Amerongen zijn zoon over al zijn avonturen. Hij bezocht overdag mensen, ging langs bij de ijscoman. Hij deed geen enkele poging om zijn identiteit te verbergen. Op een goede dag stond de ijscoman er niet met zijn karretje. Vader besloot in zijn plaats het ijs te gaan verkopen, midden op het grote plein van Weert. Juist op die dag had hij zijn felblauwe zomerjasje aangetrokken. Hij kwam de voorzitster van de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen tegen. Zij kende hem omdat hij daar twee jaar geleden nog de Christmas Carol had voorgedragen en begroette hem hartelijk: ‘Hé, meneer Van Amerongen!’ Dit had mis kunnen gaan, maar vader kwam er zonder kleerscheuren van af.
Bob’s waarschuwingen over dit gevaarlijke gedrag leverden niets op. Na enige tijd vond vader Van Amerongen onderdak bij een van de stamgasten van Hotel de Vesper.
Dit verblijf was van korte duur omdat het tussen vader Van Amerongen en zijn gastheer niet boterde. Tenslotte moest hij het huis hals over kop verlaten. Na een korte periode in Treebeek vertrok vader naar het dorp Meijel in de Peel, waar hij een kamer in het plaatselijke hotel kon krijgen.
Van een traditionele onderduikperiode was in het geval van vader Van Amerongen geen sprake. Hij woonde vooral in hotels en niet bij een familie in huis. Hij week hiermee af van de gemiddelde onderduiker.
Om het contact met zijn gezin te onderhouden, schreef hij regelmatig brieven, die hij naar de familie Admiraal in Alkmaar stuurde. Een brief rechtstreeks naar zijn huis zou te gevaarlijk zijn. In deze brieven deed hij verslag van zijn leven in het zuiden. Hij repeteerde zijn voordrachten die hij nog regelmatig hield. In de zomer ging hij wandelen, zwemmen en fietsen. Ook schreef hij zijn familie over schrijvers die hij net gelezen had. ‘Kennen jullie een zekere Carmiggelt?’, vroeg hij zich af.
Na Dolle Dinsdag (5 september 1944) werd het zuiden bevrijd. Het was niet langer mogelijk naar het zuiden te reizen en het contact tussen vader Van Amerongen en zijn gezin werd verbroken. Pas later hoorde Bob hoe zijn vader de rest van de oorlog was doorgekomen. Ten tijde van de bevrijding van het zuiden zat vader in Zuid-Limburg, waar hij zijn intrek had genomen in Hotel Avondvrede in Houthem St. Gerlach.
Hier kreeg hij een affaire met een jonge vrouw. Voor vader Van Amerongen was dat niet uitzonderlijk. Ook tijdens zijn huwelijk had hij regelmatig buitenechtelijke affaires. In zijn gezin kreeg hij daarom het predicaat ‘los voor de kar’ te zijn. Dit kwam het huwelijk vanzelfsprekend niet ten goede.
Bob zag zijn vader pas terug in mei 1945, na de bevrijding van het noorden. Zijn vader was door de oorlog en het gebrek aan contact met bekenden zwaar aangeslagen. Hij was depressief en kon zijn oude leven niet meer oppakken.

MiepLobatoMiep Lobatto in isolement
Bob had verschillende soorten onderduikers. In hoofdzaak familieleden en aanverwanten en daarbij nog een paar niet-familieleden. Bovendien had hij vooral volwassenen onder zijn hoede. Jaap Lobatto en zijn zuster Miep Lobatto behoorden niet tot Bobs familiekring, maar waren wel door zijn neef Willy Pos voorgedragen. Toen ze in
1943 onderdoken was Jaap al bijna volwassen en zat Miep nog midden in haar puberteit.
In de eerste periode van haar onderduik verbleef Miep vooral in de kop van Noord-Holland: Heiloo, Alkmaar, Bergen. Broer Jaap zat op verschillende adressen bij haar in de buurt. In de loop van 1944 was de toen 15-jarige Miep Lobatto onder de grote rivieren terechtgekomen. Een vriendin van haar nichtje Betty had haar met de trein vanuit Alkmaar naar Amsterdam gebracht. Vandaar ging de reis verder met mevrouw Eikelboom die bij de familie Lobatto in de Johannes Verhulststraat had gewoond. Zij bracht Miep per trein naar familie van haar in Maastricht. Daar kreeg Miep onderdak bij een eenvoudig katholiek gezin met zes kinderen. Miep schreef destijds vanuit Maastricht (d.d. 18 juli 1944) een brief aan haar 19-jarige broer Jaap. Zij omschreef hierin het Maastrichtse gezin als ‘reuze aardige mensen’. En alhoewel de plaatselijke kapelaan haar blij maakte met twee boeken voelde ze zich in dit katholieke milieu toch vooral een buitenstaander.

Het gastgezin nam Miep mee op sleeptouw. Elke zondag ging ze mee naar de kerk en daarna ging men wandelen. Ook bezochten ze een keer de St. Pietersberg. Anders dan ze gewend was, werd in deze familie niet de verjaardag maar de katholieke naamdag gevierd. Miep maakte het feest mee ter ere van de naamdag van de heer des huizes. Zijn echtgenote bakte voor de gelegenheid vijf taarten.
In Maastricht was Miep geen passieve onderduiker. Ze werkte als dienstmeisje en nam de verzorging op zich van de kinderen waarvan de jongste,Willy, anderhalf jaar oud was. Elke avond ging ze met de oudste dochter, de tienjarige Anneè, groente kopen. De toenemende strijd tussen Duitsers en de geallieerden was ook in Maastricht te merken. ’s Avonds vlogen er vliegtuigen over richting Duitsland. De kinderen hoefden niet meer naar school omdat ze bijna aldoor in de kelder moesten schuilen.
Enige tijd later moest Miep naar Breda verhuizen, waar ze op 29 oktober de bevrijding zou meemaken. Toch was Breda het dieptepunt van haar onderduikperiode. Ze voelde zich hier ‘erg eenzaam’ en ‘afgesloten van de wereld’. Net als voorheen in Alkmaar woonde ze hier bij de familie Zanen, samen met drie volwassen onderduikers.
Bij een paar gezinnen waar ze eerder had gezeten, voelde ze zich onderdeel van het gezin. Maar met deze mensen voelde ze totaal geen aansluiting. Behalve kinderen of leeftijdsgenoten ontbraken hier ook boeken en muziek, zaken waarmee Miep was opgegroeid. Hier werd ze een echte onderduiker. ‘De laatste periode van mijn onderduik heb ik mij zo weinig in contact gevoeld met anderen’, vertelde ze later. ‘Ik denk dat isolement voor een mens het allerergste is. Met isolement bedoel ik: echt niet meer in gedachten kunnen voelen dat je nog bij iemand hoort. Ik voelde me toen eigenlijk het meest verloren.’

In de laatste periode van de oorlog was ook het contact met broer Jaap, nichtje Betty en verzorger Bob van Amerongen onmogelijk geworden. Vanaf Dolle Dinsdag was de communicatie tussen het noorden en het zuiden van het land immers uitgesloten.
Na de bevrijding van Breda door de Polen begon voor Miep Lobatto een nieuw bestaan. Voor haar levensonderhoud stuurde Tini Israël, als vertegenwoordiger van de PP-groep, een postcheque naar de familie Zanen. Miep ging voor het eerst sinds ruim anderhalf jaar naar school. In de tweede klas van de HBS leerde ze een meisje uit Teteringen kennen bij wie ze later ging wonen. De bevrijding van het noorden liet nog lang op zich wachten. Voor Miep duurde het een eeuwigheid voordat ze weer met haar verwanten contact had.
Pas op 8 mei 1945 schreef ze voor het eerst sinds bijna een jaar een brief aan haar broer Jaap. De brief, met als afzender de familie Van der Worp in Huize Zonneweelde te Teteringen, begon als volgt: ‘Gelukkig, het Noorden is vrij. En nu ben ik zo gloeiend benieuwd of jij er nog zal zijn. Alle mensen zeggen hier dat het nog wel een paar maanden zal duren voor particulieren in het Noorden zullen worden toegelaten.’

Jaap Lobatto snakt naar actie
Bob bracht de meeste van zijn onderduikers onder in en rond Alkmaar. Dat gold ook voor Jaap Lobatto. Bob en Jaap scheelden nauwelijks in leeftijd. Dat maakte de verhouding niet makkelijk, zeker omdat Jaap naar Bob moest luisteren. Op een zeker moment moest Bob Jaap tot de orde roepen. De familie Stam, Jaaps onderduikgevers in Heiloo, vond hem ‘een schat van een jongen’ maar hadden last van zijn bemoeizucht.
Hierover heeft Bob hem de les gelezen, waar Jaap enorm van schrok. Hierna verliep Jaaps onderduik zonder problemen.
Vlak voor de bevrijding van Breda zat hij nog steeds bij de familie Stam. Hier verdroeg hij de onderduik beter dan op eerdere adressen. Hij vond het ‘aardige mensen’ met wie hij kon praten. De heer Stam had als militair in Nederlands-Indië gediend en was door zijn aandeel bij een muiterij uit militaire dienst ontslagen. Bovendien was er een zoon in de familie, ongeveer van Jaaps leeftijd, met wie Jaap kon optrekken. De onderduik ervoer Jaap vooral als een ‘abnormale situatie’ zei hij later, waarin je nog nauwelijks leefde. Hij voelde zich opgesloten: ‘Je zat als een aap in een kooitje. Overdag moest je buiten zicht blijven. Dus als je op gelijke hoogte met de straat zat dan moest je in een ruimte gaan zitten die je van buitenaf niet kon zien. Dat waren geen leuke dingen, om het zachtjes te zeggen. Je zat eigenlijk in een soort gevangenis. Maar dan wel veilig, althans dat hoopte je.’
Bij de familie Stam kwam hij weer een beetje tot leven. Zijn voornaamste bezigheid bestond uit het lezen van scheikundeboeken. Hij bereidde zich voor op de periode na de oorlog. Het stond vast dat hij dan scheikunde zou gaan studeren. Daarnaast was hij een handeltje begonnen. Hij wilde dolgraag actief iets ondernemen en had daarom via Bob van Amerongen linnengoed naar Heiloo laten komen. Hij ging langs bij de boeren in de omgeving. Het linnengoed werd geruild voor boter, vlees en andere levensmiddelen. Van tevoren was hem gezegd welke boeren hij moest overslaan. Tot zijn verbazing wist een van de goede boeren precies wie hij was. Namelijk ‘de jood van Stam’. Hierdoor werd hem duidelijk dat de bewoners van Heiloo de onderduikers konden lokaliseren.

Eind oktober 1944 moest Jaap Lobatto verhuizen. De heer Stam kreeg last van reumatiek en een onderduiker in huis werd hem te veel. Via een korte tussenstop elders in Heiloo belandde Jaap uiteindelijk in december 1944 bij de familie Vels Heijn, Prins Hendrikstraat 10 in Alkmaar. Nicolaas Vels Heijn was docent klassieke talen aan het Murmellius Gymnasium en tegelijkertijd reserve-officier van de Binnenlandse Strijdkrachten. Zijn grote bibliotheek bevatte in die lijn naast de klassieken ook werken van de militaire auteurs Clausewitz en De Gaulle. Jaap had inmiddels genoeg van de chemieboeken. Met Vels Heijn besprak hij de ontwikkelingen op het slagveld.
Uit voorzorg kreeg Jaap een revolver. Vels Heijn leerde hem ermee om te gaan. Jaap dacht dat de revolver ongeladen was. Dat bleek onjuist. Op een dag ging de revolver onverwachts af en zat er een gat in het tafelkleed. Omdat Jaap geleerd had de loop altijd naar beneden te richten, bleef de schade beperkt.
In de Hongerwinter werd Jaap tot zijn tevredenheid ingeschakeld voor illegale activiteiten. Hij had hier de hele oorlog reikhalzend naar uitgezien. Nu kon hij eindelijk iets doen. Vanwege het gebrek aan vlees werden in Alkmaar illegale noodslachtingen uitgevoerd door de plaatselijke veearts. Maar die stukken vlees waren veel te groot om te distribueren. Ze moesten verkleind worden en op een noodkacheltje gebraden. Jaap had er een dagtaak aan. Met het achterstuk van een koe was hij twee dagen bezig.

Tini Israel & Netty DavidPP-groep – De vrouwelijke leden en hun onderduikers
Opvallend is dat een aantal leden van de PP-groep eigen onderduikers verzorgden. Behalve Bob en Jan hadden ook een paar vrouwelijke medewerkers eigen onderduikers. Zo verzorgde Diet Kortmann tijdens de Hongerwinter zeven onderduikers in De Pijp, in de buurt van de Albert Cuypmarkt. Deze joodse familie had de eigen winkel, waar onder meer brillen en fototoestellen werden verkocht, tot schuilplaats gemaakt. Diet bracht hen voedselbonnen.
Tini Israël ondersteunde een onbekend aantal joodse vrienden van het Vossius Gymnasium in de onderduik. Ook gaf ze bijles Russisch aan een Pools-joodse broer en zus die ondergedoken zaten in de Indische buurt. Ze deed dit niet om geld te verdienen maar voor de geestelijke ondersteuning.
Ook Frederika Samson, die zich vrij laat bij de pp-groep had aangesloten, verzorgde een groepje onderduikers. Hier wisten Bob en Jan niets van. Frederika was een vriendin en oud-schoolgenoot van Karel van het Reve en Tini Israël van het Vossius Gymnasium. Vanaf het najaar 1944 hielp ze PP-groepslid Frans Meijers met het vervalsen van documenten. Ze verzorgde onder meer Netty David, de vriendin van David Koker, een goede vriend met wie Karel, Tini en Frederika op het Vossius Gymnasium hadden gezeten.
Begin 1943 had de jonge joodse dichter David Koker aan Frederika gevraagd om de zorg voor zijn joodse vriendin Netty op zich te nemen als hij daartoe niet meer in staat zou zijn. Dit gold vanaf februari 1943, toen David Koker werd opgepakt en vervolgens naar kamp Vught getransporteerd. Na een waarschuwing door twee buurmeisjes dat haar ouderlijk huis in de Rivierenbuurt was ontruimd, dook Netty onder bij een jong echtpaar op de Admiraal de Ruijterweg. Ze vroeg hen contact op te nemen met Frederika Samson. Op een gegeven moment trok ze in bij de familie Samson. Daar ging het bijna mis. Tijdens een razzia kwamen er twee rechercheurs langs. Netty wist ternauwernood te ontsnappen en keerde terug naar haar adres aan de Admiraal de Ruijterweg. Frederika bleef haar daar wekelijks bezoeken, wat voor Netty van grote betekenis was.
Ook Karel en Tini spanden zich in voor de vriendin van hun goede vriend. Tini schreef haar regelmatig brieven en stelde met Karel voor haar een leesportefeuille samen. In dit pakket zat onder meer werk van Carry van Bruggen en Joost van den Vondel, Tsjip van Elsschot, Het fregatschip Johanna Maria van Arthur van Schendel en Ik en mijn speelman van Aart van der Leeuw. Maar ook buitenlandse literatuur: Emile Zola, Heinrich Heine, Stefan Zweig, Leo Tolstoj, Vaders en zonen van Toergenjev en Brieven van Rosa Luxemburg. Bovendien stuurde Karel Netty ook nog gedichten van David en van hemzelf.
Netty was hen heel dankbaar en genoot van de lectuur al maakte ze zich grote zorgen dat de levering van boeken zou stoppen: ‘Weet je, Tini, dat ik dan doodga! Weet je dat die boeken op het ogenblik mijn vrienden, mijn liefde en hartstocht zijn, alles wat ik heb! Zonder hen zouden alleen nog maar gedachten overblijven, die het leven op den duur heel erg moeilijk maken. Met boeken voel je je geen ogenblik alleen, je bent nooit eenzaam!’

De boeken en brieven bleven komen. Met name de brieven van Tini waren Netty tot grote steun. Ook stuurden Karel en Tini haar de brieven door die ze van David Koker uit kamp Vught ontvingen, tot hij in juni 1944 naar het oosten werd getransporteerd. Net als Bob en Jan volgden ook de overige leden van de PP-groep de geallieerde opmars op de voet. Netty schreef midden augustus in een brief aan Tini dat volgens de radio Churchill gezegd zou hebben dat de oorlog in Europa eind september, uiterlijk oktober afgelopen zou moeten zijn. Op 5 september 1944 schreef Karel van het Reve thuis in Amsterdam in zijn dagboek over Dolle Dinsdag: ‘Gisteravond (de geallieerden) de grens overschreden. Reuter noemt Breda. Allerlei geruchten gisteravond en gistermiddag: Maastricht was genomen–niet bevestigd. Duitsers verlieten gisteravond de stad. Staat van beleg. Acht uur binnen. Zouden er nog veel Duitsers over zijn? Als de Engelsen hier binnenrijden ben ik alleen. David in Zelle, Cor in Mannheim, Femke in Vught, Tini ergens in Nederland. Maar niettemin, laat ze maar komen.’
De Engelsen trokken echter niet Amsterdam binnen. De Hongerwinter stond voor de deur en een aantal Amsterdamse verzetsgroepen, waaronder de PP-groep, vond het tijd worden om de handen in een te slaan.

Door Loes Gompes.



Bron: https://rozenbergquarterly.com/fatsoenlijk-land-de-onderduikers/
zie schema