Ravensbrück, de daders-4.
Fotopagina4.
Opitz, Fritz. SS kleermaker. Geboren 7. August 1898 in Bergen; Gest 26. Februar 1948 in Hameln) war deutscher SS-Hauptsturmführer und Werksleiter der Texled GmbH im KZ Ravensbrück. Friedrich Opitz, von Beruf Schneidermeister, war verheiratet und hatte drei Kinder. Sein Beitritt zur NSDAP (Mitgliedsnummer 170.897) erfolgte 1929 und der zur SS 1930 (Mitgliedsnummer 3.533). Ab 1936 wurde Opitz in der Schneiderei (Bekleidungslager) im KZ Dachau eingesetzt und wurde von dort im Juni 1940 in das KZ Ravensbrück versetzt zwecks Aufbaus einer Außenstelle des Bekleidungswerkes Dachau. In der Folge wurde Opitz Werksleiter des SS-Unternehmens „Gesellschaft für Textil- und Lederverwertung (Texled)“ (ab 1944 „Deutsche Textil- und Bekleidungswerke GmbH“), welches 1940 offiziell die Häftlingsschneiderei des KZ Ravensbrück übernahm. Dort mussten weibliche Häftlinge KZ-Häftlingskleidung und später Uniformen für die Waffen-SS im Schichtbetrieb produzieren. Betriebsleiter war der SS-Oberscharführer Joseph Graf und dessen Stellvertreter Gustav Binder. Opitz verblieb in dieser Funktion bis zum April 1945. Er sollte bereits im ersten Ravensbrück-Prozess angeklagt werden, ihm gelang jedoch die Flucht. Nachdem er kurz darauf erneut verhaftet wurde, musste er sich im zweiten Ravensbrück-Prozess (5. bis 27. November 1947) als einziger Angeklagter für seine im KZ Ravensbrück begangenen Taten verantworten. Vor Gericht führte Opitz über seine Tätigkeiten folgendes aus: „Am Anfang war es meine Aufgabe in Ravensbrück die Häftlingskleidung für alle Konzentrationslager herzustellen. Zu dieser Aufgabe wurden mir 150-200 Häftlinge des Frauenkonzentrationslager Ravensbrück zur Verfügung gestellt. Zu dieser Zeit war noch kein Pensum festgesetzt. Bei Anfertigung von Hosen und Jacken wurden pro Tag von 150 Häftlingen ca. 200 Kleidungsstücke angefertigt. Der Betrieb wurde dan Der Betrieb wurde dann später ausgebaut und ich beschäftigte in der Schneiderei, Kürschnerei und Weberei bis zu 4.500 Frauen in zwei Schichten.“ Opitz soll, nach Aussagen ehemaliger weiblicher Häftlinge der Schneiderei, regelmäßig schwere Misshandlungen an den Häftlingen vorgenommen beziehungsweise angeordnet haben. Friedrich Opitz wurde am 24. November 1947 zum Tode verurteilt und durch Hängen am 26. Februar 1948 im Zuchthaus Hameln hingerichtet. Bron: Wikipedia.

Graf
, Josef. SS-er. In het jaar 1936 begon de SS met haar eerste zakelijke onderneming, het porselein-bedrijf Allach. Daarbij kwamen in de volgende jaren bouwmaterialen, porselein- textiel- en keramische bedrijven, houtbewerkingsbedrijven, werkplaatsen voor ijzerbewerking enz. Deze ondernemingen behoorden tot de holding-company van de Deutschen Wirtschafts-betriebe GmbW gevestigd te Berlijn. Enig vennoot van deze GmbH was in 1940 de SS-Gruppenführer Pohl. Tegen het einde van de oorlog bezat de SS meer dan 40 ondernemingen met ongeveer 150 fabrieken en bedrijven, die een waarde van meer dan 100.000.000 Mark vertegenwoordigde. Tot deze Deutschen Wirtschaftsbetriebe GmbH behoorde ook de Gesellschaft für Textil- und Lederverwertung mbH, Dachau und Ravensbrück, die op 21 juni van 1940 te Berlijn gesticht was. Met slechts 10.000 RM waren de twee vennoten SS-Brigadeführer Georg Lörner en SS-Brigadeführer August Frank deelnemer, zodat het gezamenlijk kapitaal 20.000 RM was. Dit bedrag was vanzelfsprekend voor de opbouw van een onderneming ontoereikend. De zetel van de Gesellschaft für Textil-und Lederverwertung mbH werd in 1941 van Dachau naar Ravensbrück verplaatst. Daar vond de SS immers de vrouwelijke gevangenen die geschikt waren om in de kleermakerij en in de rietmattenvlechterij, die als eerste werkplaatsen werden ingericht, te werken. Gevangenen uit concentratiekampen, ook meisjes en vrouwen werden in steeds grotere mate als arbeidskrachten in de bewapeningsindustrie ingezet. Uit de zakenrapporten van de Gesellschaft für Textil-und Lederverwertung mbH valt te concluderen dat in december 1943 nog slechts 2994 gevangenen in de werkplaatsen in het vrouwenconcentratiekamp werkzaam waren. In het begin was deze GmbH snel groter geworden. De kleermakerij werd uitgebreid met een hand- en machinale breierij, en de rietmattenvlechterij werd uitgebreid met een stroschoenen-vlechterij. In de herfst van 1940 werd met het kweken van Angora-konijnen begonnen.
Bedrijfsleider in Ravensbrück was SS-Obersturmführer Fritz Opitz, van beroep kleermaker. Hij had noch organisatorische, noch beroepsmatige kwaliteiten. Tegenover de gevangenen compenseerde hij zijn onkunde door wreedheid. Bedrijfsleider in de kleermakerij was SS-Oberscharführer
Joseph Graf en diens plaatsvervanger was SS-Unterscharführer Gustav Binder. Binder was de schrik van alle gevangenen. Wie de gestelde norm niet haalde -bijvoorbeeld als wegens het uitvallen van de stroom de electrische naaimachines stil moesten staan- kon erop rekenen dat Binder er genadeloos op los sloeg.
In de kleermakerij waren bij tijden ongeveer 600 gevangenen te werk gesteld. Zij naaiden in het begin gevangenenkleding en SS-uniformen. In het jaar 1942 werden er nieuwe moderne machines geïnstalleerd, waaronder een knoopsgatenmachine en een strijkmachine. Aan 13 lopende banden stonden 26 naaimachines, die een groot lawaai veroorzaakten. Daarbij kwam nog het geschreeuw en gebakkelei van de SS-Aufseherinnen en de werkmeesters. De hete strijkijzerdampen in de lage ruimte, het haastige en hectische werk om straf te ontlopen, maakte het werk in de kleermakerij helemaal tot een hel. Met de nieuwe inrichting kreeg de kleermakerij ook nieuwe opdrachten: zij werkte nu alleen nog maar voor de inkoopbureaux van de SS.
Kledingstukken voor de Waffen-SS werden er genaaid, verder camouflage jacks, veldjassen, windjacks , winterbroeken, handschoenen, jassen enz. De in de kleermakerij voor de SS uniformen gebruikte stoffen, doek, voeringen, knopen en garnituren waren allemaal gestolen, z.g. Beutegut. Aan de bontwerkerij werden door Gestapo-kantoren uit heel Duitsland pelzen geleverd. Deze pelzen kwamen meestal uit Joods bezit. Pelzen en bontwerk werden in de bontwerkerij losgetornd en gebruikt als voering voor de jassen van Wehrmacht-officieren en tot voering van anoraks, bontmutsen en wanten verwerkt. Edelpelzen moesten naar de Rijksdienst voor Pelswaren worden gestuurd. Deze dienst was gevestigd te Berlijn. Toch verdwenen niet zelden waardevolle stukken in de kasten van de vrouwen van SS-ers en de Aufseherinnen van Ravensbrück. De ongeveer 450 gevangenen die in de bontwerkerij werkzaam waren stonden onder zeer strenge controle van SS-ers en Aufseherinnen, temeer daar in menige pels sieraden waren verstopt en ingenaaid. De bontwerkerij kreeg ook konijnen- en lamsvellen als grondstof, die door de Textil- und Lederverwertung GmbH gekocht waren. Daarnaast werden er ook vellen verwerkt, die door de fascistische Wehrmacht in bezette landen gestolen waren. In de stoffenweverij waren in het begin slechts enkele handweefgetouwen geïnstalleerd. Het werk in dit bedrijf was heel zwaar. Fritzi Jaroslawski, een arbeidersmeisje uit Wenen, dat als vijftienjarige was gevangen genomen, werkte in 1942 enkele maanden in de stoffenweverij. Zij schrijft: "Het handweefgetouw moest met beide armen en beide benen bediend worden, wat natuurlijk zeer vermoeiend was. Zoals in alle afdelingen moest ook in de stoffenweverij een bepaald Arbeitspensum (zekere prestatie) gehaald worden, dat in het begin van een dienst 5 meter bedroeg tot in 1945 dit pensum was gesteld op 15 meter." Hoofdzakelijk werden krachtige meisjes en vrouwen uit de Sowjet-Unie in dit bedrijf tewerkgesteld. Gezond uitziende Oekraïensen werden door dit werk, dat grote lichamelijke kracht vergde, in een paar maanden tot zieke mensen. Hongerrantsoenen en het opjagen hadden dit proces van verzwakking en vernietiging nog bevorderd. In 1942 werd in de weverij 70.000 meter weefsels gefabriceerd , hemdenflanel, neteldoek, dril (een grof linnen) en keper. In het jaar 1943 was het ongeveer 517.000 meter en voor 1944 was een jaarlijkse productie voorzien van 1,5 tot 2 miljoen meter. Aan het eind van 1943 werd met 96 hand- en 44 mechanische weefstoelen gewerkt (voor deze getallen: vgl. Lotte Zumpe, Die Textilbetriebe der SS im Konsentrationslager Ravensbrück, Jahrbuch für Wirtschaftsgeschichte 1969/11 blz. 29). Een jaar later kwamen er ook mechanische weefstoelen waarop hemdenflanel en ruwere stoffen werden. geproduceerd. Bedrijfsleider was tot aan het eind van 1944 de SS-man Hans Kollmeier. Daar hij ongeschikt was om het bedrijf te leiden, werd hij naar het front gestuurd en nam SS-man Schindler de leiding van de weverij over. In de zomer van 1942 werd in de stoffenweverij ook een kunstnijverheidsafdeling ingericht. Hier werden gordijnen, vloerkleden, lopers, kussens, meubelbekleding e.d. vervaardigd, die grotendeels voor de SS-officieren in Berlijn, Ravensbrück en Oranienburg bestemd waren. De rietmattenvlechterij maakte stromatten, zonweringen, verpakkingsmaterialen, enz. Hier werkten bijna uitsluitend zigeunerinnen. De voltooide producten werden hoofdzakelijk aan het rietmattenbedrijf Ernst Sander te Fürstenburg geleverd. In de winter van 1942 en 1943 waren ongeveer 60 gevangenen, waaronder 13- en 14 jarige Zigeunerkinderen op het schiereiland Darss (Oostzee) onder leiding van Aufseherin Leopold bezig met het snijden van riet.
In de breierij werden machinaal sokken en hemden gebreid. In 1942 begon men ook kousen voor vrouwelijke- en mannelijke gevangenen te vervaardigen. Daarnaast werd in enkele barakken door oudere gevangenen met de hand gebreid. In de stroschoenenvlechterij werden ongeveer een jaar lang, tot 1943, overschoenen van stro voor de Waffen-SS vervaardigd. Tegelijkertijd werden ook stropantoffels, sandalen en strotassen met de hand vervaardigd. De kunstnijverheidsafdeling werd met de rietmattenvlechterij in 1943 verplaatst naar de z.g. biezenplaats bij het dorp Ravensbrück.
De bandvlechterij, die in 1943 in bedrijf werd gesteld had tot opdracht het vervaardigen van singelband, boombanden, sledebanden enz. Het ruwe materiaal kwam van de Fa. Schwarz & Co. te Hamburg. Aan dit bedrijf werden ook de eindproducten geleverd. In het begin van 1944 werd met een reparatiebedrijf begonnen. In de barak van dit bedrijf, dat op het terrein van het concentratiekamp stond, werd ingezamelde troepenkleding van de SS vernieuwd, d.w.z. het werd gewassen, gerepareerd en gestreken. De leiding van dit bedrijf lag in handen van SS-Hauptsturmführer Opitz. Het werk was weerzinwekkend want de gevangenen kregen de gescheurde, uit elkaar geschoten en met bloed besmeurde stukken die slechts gebrekkig gedesinfecteerd waren, in handen. De lucht van verrotting, die van de uniformen afkwam was net als de stofontwikkeling bij het lostornen niet alleen zeer onhygiënisch, maar ook levensgevaarlijk. Voor de veeleisende SS-Aufseherinnen en de vrouwen van SS-mannen werd een privé kleermakerij ingericht, die eveneens tot de GmbH behoorde. Toestemming om in deze kleermakerij te laten werken verleende SS-Hauptsturmführer Opitz. Deze privé kleermakerij, waarin voornamelijk gevangenen werkten die kleermaakster van beroep waren, was eerst in de knipperij ondergebracht. De vraag was echter zo groot en de kosten voor de klanten zo laag -per werkuur moesten ze 50 pf. betalen- dat voor dit bedrijf een eigen barak werd gebouwd. De SS-kampleiding van het vrouwenconcentratiekamp Ravensbrück 'verhuurde' haar gevangenen aan het SS-concern, aan de Gesselschaft fürTextil-und Lederverwertung GmbH.


Hofbauer, Margarethe. Bewaakster.  „Während des Krieges trug ich auch einen grauen Hosenrock und die übrige Frauen-Uniformkleidung. Es war wie ein Kostüm. Am linken Ärmel hatte ich lediglich den Adler im Hakenkreuz. Ich hatte keine Rangabzeichen an dieser Kleidung. Auch kein SS-Zeichen war an dieser Kleidung. (...) Ich war kein SS-Mitglied. Ich hatte keinen Dienstrang. (...) Ich weiß mich noch zu erinnern, dass Lagerleiter Suhren sich bei einer Betriebsversammlung sehr darüber aufgehalten hat, dass sich Aufseherinnen als SS-Angehörige ausgegeben hatten. Er hatte es uns wissen lassen, dass wir nicht SS-Angehörige, sondern Reichsangestellte sind.“

Peters, Heinrich. SS bewaker. Geboren 22. August 1890 in Auenbüttel; Gestorben 2. Juli 1957 in Friedrichskoog, war SS-Obersturmführer im KZ Ravensbrück. Heinrich Peters, von Beruf Landwirt, war Mitglied der NSDAP und seit 1933 der SS. Nach Einsätzen im KZ Sachsenhausen, dem KZ Natzweiler und wahrscheinlich dem KZ Arbeitsdorf wurde Peters im August 1942 in das KZ Ravensbrück versetzt. Dort fungierte er bis zum Februar 1945 als Kompanieführer des SS-Wachbataillons. Von Juli bis zum Herbst 1944 war Peters zudem zeitweise Schutzhaftlagerführer des Männerlagers im KZ Ravensbrück. Nach dem Ende des Zweiten Weltkrieges musste sich Peters für seine im KZ Ravensbrück begangenen Taten vor einem britischen Militärgericht im ersten der sieben Ravensbrück-Prozesse verantworten. Am 3. Februar 1947 wurde Peters zu 15 Jahren Haft verurteilt und am 18. Mai 1955 wegen „guter Führung“ entlassen. Heinrich Peters starb am 2. Juli 1957 in Friedrichskoog. Bron: Wikidepia.

Fischer, Fritz. SS-arts. Geboren Berlin-Tegel, 5 oktober 1912, overleden Ingelheim, 2003, was een chirurg en Sturmbannführer van de Schutzstaffel (SS). Fischer nam in het concentratiekamp Ravensbrück deel aan medische experimenten op de gevangenen. Fischer werd geboren in Berlin-Tegel. Hij studeerde aanvankelijk geneeskunde in Bonn, maar later in Berlijn, Leipzig en uiteindelijk in Hamburg, waar hij in 1938 zijn diploma behaalde. In 1934 werd Fischer lid van de SS en in 1937 trad hij toe tot de NSDAP. Op 1 november 1939 werd hij naar de Waffen-SS overgeplaatst en ging als arts in het Hohenlychen Sanatorium. Hij was daar assistent van Karl Gebhardt. Inmiddels was hij opgeklommen tot de rang van tweede luitenant. In juni 1941 ging hij als arts aan de slag bij het SS-regiment Leibstandarte Adolf Hitler. Hij raakte al snel gewond en keerde nog datzelfde jaar terug naar Hohenlychen. Ditmaal ging hij werken in het concentratiekamp Ravensbrück als chirurgisch assistent van Karl Gebhardt. Hij nam deel aan diverse chirurgische experimenten bij gevangenen. Tevens ondernam hij samen met Percy Treite verscheidene experimenten met sulfonamide op de vrouwelijke gevangenen. Hij deed dit in het kader van onderzoek naar de behandeling van geïnfecteerde en opgezette wonden en bottransplantaties. In mei 1943 verliet hij Ravensbrück en werd hij naar het front gestuurd. Ruim een jaar later, op 18 augustus, raakte hij zwaargewond en moest zijn rechterarm worden geamputeerd. In december 1944 werd hij in het Berlijnse ziekenhuis Charité aangesteld als arts. Echter, in april 1945 keerde hij weer terug naar Hohenlychen. Fischer werd door de geallieerden gevangengenomen en aangeklaagd voor zijn daden. In het Artsenproces werd hij schuldig bevonden aan zijn daden: hij werd veroordeeld tot levenslang. De straf werd in 1951 omgezet naar vijftien jaar. Drie jaar later, in maart 1954, werd hij vervroegd vrijgelaten. Het werd Fischer daarnaast toegestaan om weer in de geneeskunde te gaan werken. Hij startte een nieuwe carrière bij het chemiebedrijf Böhringer in Ingelheim, waar hij in 2003 kwam te overlijden.


Gebhardt, Karl. SS-arts. Geboren te Haag in Oberbayern, 23 november 1897, opgehangen in  Landsberg am Lech, 2 juni 1948) was een Duitse chirurg en de lijfarts van SS-leider Heinrich Himmler.
Gebhardt stamde uit een te Landshut gevestigde geneesherenfamilie. Zijn vader was van 1912 tot 1916 huisarts van de ouders van Heinrich Himmler. Hij studeerde van 1919 tot 1924 medicijnen in München. In 1935 werd hij huisarts van Himmler. Hij werd toen ook 'Verbindungsmann' tussen de Reichssportführer en Himmler. Nog in 1935 werd hij SS-Sturmbannführer in de Algemene-SS (zonder commando over een eenheid). In 1937 werd hij in Berlijn benoemd tot professor voor orthopedische chirurgie. Onder zijn patiënten telde hij o.a. de Belgische koning Leopold III; twee van diens kinderen: prins Boudewijn (de latere koning) en prinses Joséphine (de latere echtgenote van Groothertog Jan van Luxemburg); de echtgenote van de koninklijke commissaris voor administratieve hervorming, Camu; en graaf G. de Grunne, grootmeester van het huis van koningin Elisabeth (de moeder van Leopold III). De meeste patiënten gingen ter behandeling naar Duitsland, maar van 1937 af kwam Gebhardt zelf herhaaldelijk naar Brussel. Op 10 en 11 juni 1939 en begin juli 1939 verbleef hij te Brussel, waar hij telkenmale politieke gesprekken had met koningin Elisabeth. Hij nam de leiding op zich van het tuberculose-sanatorium in Hohenlychen, dat hij eerst liet ombouwen tot orthopedische kliniek en vervolgens, tijdens de Tweede Wereldoorlog, tot ziekenhuis van de Waffen-SS. In de laatste dagen van de Tweede Wereldoorlog gaf Gebhardt zich uit als president van het Duitse Rode Kruis (DRK), maar dit bleek later niet te kloppen. Karl Gebhardt was een jeugdvriend van Heinrich Himmler en lid van het Freikorps Oberland, waartoe ook Himmler en SS-Oberstgruppenführer Sepp Dietrich behoorden. Hij nam ook deel aan Hitlers mislukte poging tot een staatsgreep in München op 9 november 1923, maar werd pas op 1 mei 1933 lid van de NSDAP. Twee jaar daarna trad hij toe tot de SS. Gebhardt voerde in verschillende concentratiekampen experimenten uit op gevangenen, met name in het concentratiekamp Ravensbrück, in de buurt ven Hohenlychen, en in Auschwitz. Karl Gebhardt groeide in zijn functie als Heinrich Himmlers lijfarts uit tot een van de belangrijkste SS-artsen. Hij begeleidde Himmler tijdens diens vlucht en werd op 21 of 22 mei 1945 in Bremervörde gearresteerd. Op 9 december 1946 begonnen de Neurenberger processen tegen de nazi-artsen, waarbij Gebhardt werd aangeklaagd wegens dodelijke sulfonamide-experimenten op vrouwelijke concentratiekampbewoners en misdadige chirurgische ingrepen. Gebhardt werd op 20 augustus 1947 voor oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid ter dood veroordeeld en op 2 juni 1948 op vijftigjarige leeftijd opgehangen. Bron: Wikipedia.

Grawitz, Ernst. SS-arts. Born 8 June 1899, died 24 April 1945, was a German physician and an SS functionary (Reichsarzt, "arzt" meaning "physician") during the Nazi era. Grawitz was born in Charlottenburg, in the western part of Berlin, Germany. As Reichsarzt SS und Polizei (Reich Physician SS and Police), Grawitz was also head of the German Red Cross. Grawitz funded Nazi attempts to "eradicate the perverted world of the homosexual" and research into attempts to "cure" homosexuality. This involved experimentation on inmates in Nazi concentration camps. He was in charge of "enthusiastic" experiments on concentration camp inmates. Grawitz was also a part of the group in charge of the killing of mentally ill and physically handicapped people in the Action T4 "euthanasia" programme, especially the child "euthanasia" from 1939. The officials selected the doctors who were to carry out the operational part of the killing programme. In addition, researchers both in and outside the SS wanted to exploit the "supply" of inmates held in the SS camps and use them like "human guinea pigs" for experiments.[5] In order to do so, the interested parties had to apply to Grawitz, who forwarded requests to Reichsführer-SS Heinrich Himmler who then gave final approval. Towards the end of World War II in Europe, Grawitz was a physician in Adolf Hitler's Führerbunker. When he heard that other officials were leaving Berlin in order to escape the advancing Soviet Red Army, Grawitz petitioned Hitler to allow him to leave Berlin; his request was denied. As the Soviet Army advanced on Berlin, Grawitz killed himself and his family with grenades at their house in Babelsberg.

Quernheim, Gerda. SS verpleegster. Gerda Ganzer, geborene Quernheim, Geboren 15. Dezember 1907 in Oberhausen; gestorben nach 1961, war Häftlingskrankenschwester im KZ Ravensbrück. Gerda Ganzer absolvierte nach dem Abschluss des Lyzeums eine kaufmännische Lehre und danach ihre Ausbildung zur Krankenschwester. Nach der erfolgreichen Beendigung dieser Ausbildung war sie als Krankenschwester tätig. Aufgrund staatsfeindlicher Äußerungen wurde sie am 8. Oktober 1938 durch die Gestapo verhaftet. Sie wurde in der Folge zu anderthalb Jahren Haft verurteilt und nach anschließender dreimonatiger „Schutzhaft“ im Polizeigefängnis Moabit am 2. November 1940 in das KZ Ravensbrück eingewiesen. Dort wurde sie bis März 1943 als Häftlingskrankenschwester eingesetzt. Ihre Vorgesetzten waren die KZ-Ärzte Gerda Weyand, Herta Oberheuser, Walter Sonntag und der Standortarzt Gerhard Schiedlausky. Ganzer soll zudem für die Wund- und Nachversorgung der für medizinische Experimente missbrauchten Häftlingsfrauen zuständig gewesen sein. Der Arzt Rolf Rosenthal soll mit Ganzer eine Beziehung eingegangen sein. In der Folge nahm Rosenthal bei ihr einen Schwangerschaftsabbruch vor. Ein an dem Schwangerschaftsabbruch beteiligter Häftlingsarzt meldete diesen Vorfall, worauf Rosenthal und Ganzer verhaftet und inhaftiert wurden. Ganzer kam in Einzelhaft und wurde im April 1944 in das KZ Auschwitz-Birkenau überstellt. Nach der Evakuierung dieses Lagers wurde Ganzer wieder nach Ravensbrück überstellt und verblieb dort bis zur Befreiung des Lagers am 28. April 1945. Ganzer wurde im Hamburger „Curiohaus“ vor einem britischen Militärgericht im Vierten Ravensbrück-Prozess wegen der Misshandlung und Tötung von alliierten Häftlingsfrauen (Injektionen) angeklagt und am 4. Juni 1948 zum Tod durch den Strang verurteilt. Im dritten Anklagepunkt, der Tötung eines Säuglings, wurde sie freigesprochen. Infolge einer Begnadigung wurde die Todesstrafe am 3. Juli 1948 in eine lebenslange Haftstrafe umgewandelt. Im Februar 1950 wurde die lebenslange Haft auf 21 Jahre und im September 1954 auf zwölf Jahre Haft reduziert. Ganzer wurde am 6. Juni 1961 aus der Haft entlassen. Über ihren weiteren Lebensweg ist nichts bekannt.

Rascher, Sigmund. SS-arts. Geboren 12 februari 1909, München, Duitse Keizerrijk. Overleden 26 april 1945, Dachau, nazi-Duitsland, was een Duitse nazi-arts. Rascher volgde een opleiding in de medicijnen toen hij in 1933 lid werd van de NSDAP. In 1936 voegde hij zich bij de Sturmabteilung (SA). In 1939 werd hij naar de SS gehaald. Door een goede relatie met SS-leider Heinrich Himmler maakte hij snel carrière. In 1942 werd Rascher, evenals Claus Schilling, arts in het concentratiekamp Dachau. Sigmund Rascher is berucht geworden door zijn medische experimenten die hij deed op de gevangenen van Dachau. Hij testte daar onder andere wat onderkoeling en zeer lage luchtdruk met mensen doet. Rascher viel aan het einde van de oorlog in ongenade en werd zelf geïnterneerd. Vlak voordat de Amerikanen het concentratiekamp in april 1945 bevrijdden werd hij met een nekschot doodgeschoten.

Stumpfegger, Ludwig. SS-arts.  Geboren 11 July 1910, overleden 2 May 1945, was a German doctor who served in the SS of Nazi Germany during World War II. He was Adolf Hitler's personal surgeon from 1944 to 1945. Stumpfegger was present in the Führerbunker in Berlin in late April 1945. Stumpfegger was born in Munich in Bavaria. He studied medicine from 1930 onwards. Stumpfegger joined the SS on 2 June 1933 and the Nazi Party on 1 May 1935. He initially worked as an assistant doctor under Professor Karl Gebhardt in the Hohenlychen Sanatorium, which specialised in sports accidents. As a result of this experience, he was part of the medical team, along with Gebhardt, at the 1936 Summer Olympics in Berlin and the Winter Olympics of the same year in Garmisch-Partenkirchen. In August 1937 Stumpfegger obtained his doctor's degree. After World War II began in Europe, the "Hohenlychen" was used by the SS as part of the war effort. Working under the supervision of Gebhardt, Dr. Fritz Fischer and Dr. Herta Oberheuser, he participated in medical experiments, the subjects of which were women from the concentration camp at Ravensbrück. On 1 November 1939, he transferred to the surgical department of the SS hospital in Berlin. He was transferred back to the "Hohenlychen" as adjutant to Gebhardt in March 1940. On 20 April 1943, he was promoted to SS-Obersturmbannführer. Upon Himmler's recommendation, he was transferred to "Wolfsschanze" Führer headquarters as the resident doctor on 9 October 1944. In 1945, Stumpfegger started working directly for Hitler in the Führerbunker in Berlin under the direction of Dr. Theodor Morell. Stumpfegger distributed cyanide capsules to the various military adjutants, secretaries, and staff in the bunker. Doubting the efficacy of the cyanide capsules, Hitler ordered SS physician Dr. Werner Haase to test one on his dog Blondi, who died as a result on 29 April. As the Red Army advanced towards the bunker complex, some sources report that he helped Magda Goebbels kill her children as they slept in the Vorbunker, before she and her husband Joseph Goebbels committed suicide on 1 May. On 30 April 1945, just before committing suicide, Hitler signed the order to allow a breakout. On 1 May, Stumpfegger left Führerbunker in a breakout group that included Martin Bormann, Werner Naumann and Hitler Youth leader Artur Axmann. They were one of ten groups attempting to break out of the Soviet encirclement. At the Weidendammer Bridge, a Tiger tank spearheaded the first attempt by the Germans to storm across the bridge, but it was destroyed. Bormann and Stumpfegger were "knocked over" when the tank was hit. On the third attempt, made around 01:00, Stumpfegger and his group from the Reich Chancellery crossed the Spree. Leaving the rest of their group, Bormann, Stumpfegger, and Axmann walked along railroad tracks to Lehrter station, where Axmann decided to go alone in the opposite direction of his two companions. When he encountered a Red Army patrol, Axmann doubled back. He saw two bodies, which he later identified as Bormann and Stumpfegger, on a bridge near the railway switching yard; the moonlight clearly illuminating their faces.He did not have time to check the bodies, so he did not know what killed them.
Bron: Wikidepdia.

Broad, Pery. SS Auschwitz. Born 25 April 1921, died 28 November 1993, was a Brazilian non-commissioned officer SS-Unterscharführer, active at Auschwitz from April 1942 to 1945 as a translator and stenographer at the Auschwitz headquarters. Perry Broad, born in Rio de Janeiro in 1921, came to Berlin with his mother at the age of five. He studied at the Technical University of Berlin and joined the Waffen-SS in 1941 as a foreigner. Detached on duty to Auschwitz, he asked for transposition to the "Politische Abteilung" where he conducted interrogations. He remained in Auschwitz until the dissolution of the camp in early 1945 and was captured by British armed forces. While a prisoner of war, he voluntarily wrote a report about his experiences in Auschwitz. Released in 1947, he again was arrested 12 years later, freed in December 1960 after the payment of DM 50,000 as surety and again arrested in November 1964 as a defendant in the Frankfurt Auschwitz Trials. He was found guilty of supervising selections at Birkenau, as well as of participating in interrogations, tortures and executions, and was sentenced to four years in prison in 1965.

Suhren, Fritz. SS Kommandant Ravensbrück. Born 10 June 1908, hanged 12 June 1950) was a German SS officer and Nazi concentration camp commandant. Suhren joined the Nazi Party in 1928 and the Sturmabteilung at the same time.[1] He moved over to the SS in October 1931, initially as a volunteer before going full-time in 1934.Prisoners of Sachsenhausen, 19 December 1938. Trained by the Wehrmacht under SS supervision he was nevertheless not used as a soldier and instead was stationed at Sachsenhausen concentration camp in 1941.[1] By 1942 he was Lagerführer (deputy commandant) at the camp and in May of that year ordered camp Lagerältester Harry Naujoks to hang a prisoner who had been earmarked for execution. Naujoks refused to perform the deed and, whilst Naujoks was able to survive the insubordination, Suhren insisted that he stand beside the prisoner on the gallows (which had been fitted with a winch in order to prolong the execution) and forced a young inmate to perform the hanging. He was later commandant of the women's camp at Ravensbrück concentration camp. His policy upon taking command in 1942 was to exterminate the prisoners through working them as hard as possible and feeding them as little as possible.As commandant at Ravensbrück, Suhren had to provide inmates to Dr. Karl Gebhardt for experimentation. Suhren initially objected to this, mainly because most of the inmates at the camp were political prisoners, and he complained to the SS-Reichssicherheitshauptamt about the practice. However the SS command overruled Suhren's doubts and he was forced to apologise to Gebhardt and supply him with the prisoners he demanded.[4] Suhren would later state that he had witnessed experiments that included exposing women to high levels of x rays in order to accomplish sterilisation.
Near the end of World War II, Franz Göring (SS member) [de] and Benoit Musy approached Suhren to ask him to allow a convoy of women to leave the camp and go into the custody of the Scandinavian Red Cross. Suhren however refused the request as it was against superior orders although eventually Göring got the backing of Rudolf Brandt and Suhren was forced to yield. With the Allies just a few miles from the camp Suhren took Odette Sansom, an inmate at Ravensbruck whom he believed to be Winston Churchill's niece due in part to her using the assumed surname of Churchill in the camp, and drove with her to the United States base, hoping that her presence would save him. Sansom had in fact been instructed to adopt the false name and to encourage the presumption of her relationship to the British Prime Minister as she was a spy in the camp and the British felt that if the Germans thought she was Churchill's relative they would want to keep her alive as a possible bargaining tool. Suhren later came to trial for his time as commandant of Ravensbruck, at which Sansom testified against him, and he was hanged. Bron: Wikipedia.



 
Verder naar pagina-5
w.mugge@home.nl


    
19-02-2020