MENNO TER BRAAK.
Menno ter Braak (Eibergen, 26 januari 1902 – Den Haag, 15 mei 1940) was een gezaghebbend Nederlands schrijver, essayist, cultuur- en literatuurcriticus. Samen met E. du Perron en Maurice Roelants was Ter Braak oprichter van het invloedrijke literaire tijdschrift Forum.
In de loop van de jaren dertig, toen het nationaalsocialisme steeds meer terrein won, keerde Ter Braak zich fel tegen deze beweging en riep hij intellectuelen zelfs op tot een "opportunistische" trouw aan de democratie.[2] De opkomst van zowel nationaalsocialisme als communisme was in de ogen van Ter Braak uitdrukking van 'De Grote Gelijkheid', het decor van de grote massabewegingen van zijn tijd. Hoe die bewegingen samenhingen met de ontwikkeling van het christendom schilderde hij in zijn boek Van oude en nieuwe christenen (1937).
In een reeks essays, waarvan vooral Het nationaal-socialisme als rancuneleer uit 1937 indruk maakte, leverde hij een scherpe analyse van het nationaalsocialisme, en bekritiseerde hij degenen die de invloed en aanhang ervan bagatelliseerden. Om het niet alleen bij woorden te laten, richtte hij in deze jaren samen met onder anderen Du Perron, de historicus Dr. Jan Romein en dominee Buskes, tevens het Comité van Waakzaamheid tegen het nationaalsocialisme op. In samenwerking met Hermann Rauschning bracht Ter Braak in augustus 1939 een ingeleide en bewerkte Nederlandse vertaling uit van diens werk De nihilistische Revolutie. Schijn en werkelijkheid in het Derde Rijk.
Ter Braak bemoeide zich ook intensief met de literatuur van de Duitse emigranten - de zogenaamde Exil-literatuur - van wie er na de machtsovername door Adolf Hitler in het buurland, velen een toevlucht in Nederland hadden gezocht. Onder de Duitse schrijvers die hij protegeerde waren onder meer Erich Noth, Konrad Merz en Nobelprijswinnaar Thomas Mann, met wie hij tot zijn dood bevriend bleef en die na de oorlog een bijzonder In memoriam aan hem wijdde.
Tegenover diens zoon Klaus Mann, die het in Nederland uitgegeven literaire tijdschrift die Sammlung had opgericht, stond Ter Braak echter uiterst afwijzend, wat onder meer tot uitdrukking kwam in een vernietigende kritiek over Manns roman Flucht in den Norden. Dat juist Klaus Mann een van de auteurs was die qua stijl en scherpzinnigheid niet voor Ter Braak onderdeden en diens afkeer van negentiende-eeuwse 'woordkoekebakkerij' deelden, mag tragisch worden genoemd, vooral daar Manns grote antinazistische roman Mephisto aan al Ter Braaks criteria leek te voldoen. Maar dit werk, zeker een van de hoogtepunten van de Exil-literatuur, bleef in Ter Braaks besprekingen geheel achterwege. Wel was Ter Braak ook kritisch over tal van andere Exil-auteurs, wie hij onder andere verweet in hun ballingschap gewoon de draad van hun schrijven van vóór 1933 weer op te pakken, zonder hun emigratie als zodanig te thematiseren. Ter Braak vond dat veel Exil-auteurs zich te breed als gevestigde literaten neerzetten, zonder goed en wel doordrongen te zijn van hun veranderde positie. Zo moesten onder andere Jakob Wassermann, Lion Feuchtwanger en Alfred Döblin het zwaar ontgelden in zijn kritieken, die hij onder andere in het Duits publiceerde in verschillende Exil-bladen. De emigratie diende in Ter Braaks ogen juist een positief effect te hebben op hun literaire productie: de persoonlijkheid van de schrijver kreeg nu immers alle kans.
Dat Ter Braak in deze kringen weerstand wekte, mag dan ook nauwelijks verwonderlijk heten: vele van deze schrijvers hadden ternauwernood het vege lijf kunnen redden en verkeerden niet in de luxepositie van Thomas Mann, die dan wel geëmigreerd was, maar zijn boeken nog steeds in Berlijn liet drukken en later gemakkelijk kon leven van de royalty's die zijn vertalingen opbrachten. In die zin diende onder andere Ludwig Marcuse Ter Braak scherp van repliek: in zijn ogen was het nationaalsocialisme nu eenmaal geen geestelijke beweging en kon het dus ook geen (anti-)uitgangspunt vormen voor een nieuwe Duitse literatuur. Ook werd Ter Braak voorgehouden dat de emigrantenliteratuur een uit nood geboren lotsgemeenschap was, maar geen literaire beweging met een eigen programma.
Toch konden, vooral na de oorlog, veel voormalige exil-schrijvers wel waardering opbrengen voor het geëngageerde optreden van Ter Braak in hun kringen; internationaal gezien lag hier zelfs het hoogtepunt van zijn werkzaamheid als auteur.
In 1940 brachten Ter Braak en Max Nord Hitlers eigen woorden uit, hun vertaling van Rauschnings Gespräche mit Hitler. De verkoop overtrof alle verwachtingen, maar nadat op 1 maart ‘van Duitsche zijde’ de aandacht op ‘den onneutralen inhoud van het boek’ gevestigd was, werd het restant van de voorraad van de uitgever, enkele honderden exemplaren, op 8 maart in beslag genomen. Ook bij boekhandels probeerde justitie de voorraad te vorderen, maar op veel plaatsen bleef het boek 'onder de toonbank' verkrijgbaar. De uitgever, Robert Leopold, die intensief met Ter Braak samenwerkte, werd persoonlijk aangeklaagd wegens 'belediging van een bevriend staatshoofd', wat sinds de jaren dertig een regelmatig gebruikt censuurmiddel was.[3] Ondanks kritische vragen van SDAP-Kamerlid Van der Goes van Naters keurde minister van Justitie Gerbrandy, de latere premier, de beslaglegging goed. De zaak zou op 14 mei voor de rechter komen, maar op 9 mei werd de klacht ingetrokken.[4][5] Na de Duitse inval verwijderden vele lezers het werk uit hun boekenkast, uit angst voor de bezetter.
Ter Braak was naar het schijnt al jaren vastbesloten, in geval van een nazi-bezetting van Nederland uit het leven te stappen. Na het binnenvallen van het Duitse leger op 10 mei 1940 deed hij met zijn vrouw en enkele vrienden een (halfhartige) poging om via Scheveningen naar Engeland te vluchten. Op de avond van 14 mei 1940, toen het Nederlandse leger had gecapituleerd, pleegde Ter Braak in de woning van zijn broer J.W.G. (Wim) ter Braak, zenuwarts te Den Haag, zelfmoord door een combinatie van een slaapmiddel en een injectie, toegediend door zijn broer. Zijn vriend Eddy du Perron overleed rond dezelfde tijd, tussen tien en elf uur 's avonds, aan hartfalen. Zijn uitgever pleegde een dag later zelfmoord.[3] Deze Robert Leopold, die de dagelijkse leiding had van H.P. Leopold's Uitgeversmaatschappij (de tegenwoordige Uitgeverij Leopold), was de zoon van Leopold-oprichter Joes Leopold en een neef van de dichter J.H. Leopold.
De schouwarts, die de volgende ochtend arriveerde, vulde 15 mei in als datum van Ter Braaks overlijden. Hij werd op 18 mei begraven op de begraafplaats Oud Eik en Duinen in Den Haag. In het graf werden later zijn echtgenote Ant en haar halfzus Mineke, weduwe van Menno's broer Wim, bijgezet.
WEGGUM.COM