F
Flour, Francois Jacques (B) ook bekend als Guy Victor, of als Francois Fouget, of als Albert en als Frans Jacques Fonteyn. SOE T-Section missie HORATIO, codenaam GLOVE. Geboren in 1920. SOE agent van de Belgische sectie. Tweede, OSS, missie: PAINTER. Trostberg bij Munchen, maart 1945.
HS9/522/3 & HS6/105. Verstuurde vanuit zijn standplaats Brussel drie telegrammen voor Tobias Biallosterski. Netwerk-2

Frank, Friedrich Fritz. Commisaris der Sicherheits Polizei. SD/SS Obersturmführer.

FRANK, alias van Johannes A. van Beijnen, landelijke commandant KP en lid Delta-Centrum.

FREEK, alias van Gerben Wagenaar, lid raad van RVV en lid Delta-Centrum.

FRANS-6, alias van BI agent Frans Dijckmeester.

Floor, Ides. Officer T-Section (Belgium) SOE. Tobias met hem in een safehouse in Paris called "Garage".
Tobias referred to him as "Major Foreman". Floor offered Tobias the possiblity to use his WT Operator in Brussels (
GLOVE) to communicate with London and advised him to return to Holland. Floor continued his trip from Paris to Toulouse. DARDNIUS report, HS6-78, Belgium 52.Personal File: HS9/521/6. Netwerk-2

FENCING. Missienaam Tobias Biallosterski & Jan Steman.

PLAYFAIR, name of of cipher methode based on a phrase out of a book or a poem. HS16/1.

F.I.L. = Front de l'Indépendance et Liberation. Resistance movement in Belgium.

Faber, Lijkele. Geboren op 14 september 1919 te Koudekerk aan de Rijn, overleden te Vernon, Canada in 2009.  SOE agent/marconist van Peter Tazelaar tijdens missie NECKING. Gedropt in de nacht van 18 op 19 november 1944 op veld Ingram in de buurt van Haskerhorne. Missienaam:
BOBSLEIGHT. Trainingsnaam Lodewijck Fokker.
Was al eerder ingezet als marconist voor Jedburgh team EDWARD, werd gedropt in de buurt van Son op 17 september 1944, codenaam DANIEL II. Bron HS9/493. Netwerk-3

FRANS of FERDINAND. Alias van KP leider Rotterdam na de dood van Marinus van der Stoep.

Feldman, von. Majoor. Leverde informatie over Duitse posities aan OSS agent Anton Schrader.

FRED, alias van Ch. J. Tijgat, OD-Radiodienst.

Faber, Jan. MI-6/BI agent liaison bij de RVV. Geboren op 21 september te Schipluiden, overleden op 26 januari 2001 te Rijswijk. Gedropt in de nacht van 10 op 11 april 1944 in de buurt van Buurmalsen-Tricht in Gelderland. Trainingsnaam Frans Meier. Missienaam
BRADFIELD, BI codenaam FRANK. Naam in het veld J.H. van der Vaart.

FOPKONIJN, alias van MI-6/BI agent/marconist Gerard Buunk.

FRANS, alias van SOE/BBO agent/marconist Jan Steman.

FRED, alias van SOE/BBO agent Rein Bangma.

FRITS, alias van BBO/SOE agent/marconist Wim Hoogewerff.

FARO, alias van SOE/BBO agent Bob Celosse.

FOOTBALL, alias van BBO/SOE agent/marconist Jan Kuenen.

FFF, code for Barcelona used by DF-Section.

Fünten, aus der. Ferdinand Hugo. Geboren 17 december 1909 te Mülhheim an der Ruhr, overleden 19 april 1989 te Duisburg. Was een veroordeelde Duitse oorlogsmisdadiger die tijdens de Tweede Wereldoorlog de feitelijke leiding gaf aan de deportatie van tienduizenden Joden, met name vanuit Amsterdam. Tevens was hij betrokken bij talrijke razzia's. Hij behoorde tot de Vier van Breda, nadien tot de Drie van Breda en uiteindelijk tot de Twee van Breda. Hij zat een levenslange gevangenisstraf uit voor oorlogsmisdaden en werd in januari 1989 vrijgelaten.
Voordat hij naar Nederland werd uitgezonden, was hij Verwaltungsführer bij de Keulse Sicherheitsdienst. Als SS'er was hij tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland betrokken bij de deportatie van Joden naar de concentratie- en vernietigingskampen in Duitsland en Polen, doordat hij in 1941 als Hauptsturmführer de informele leiding over het bureau kreeg dat deze deportatie moest uitvoeren, de Zentralstelle für jüdische Auswanderung. Naar eigen zeggen was hij in september 1941 in Nederland komen werken om als Verwaltungsführer meteen de leiding te krijgen over het administratieve gedeelte van de Zentralstelle für jüdische Auswanderung. Later kreeg hij er de administratieve leiding over de samenstelling van de kartotheek. Volgens Aus der Fünten kreeg hij steeds meer werkzaamheden, totdat hij uiteindelijk de informele leiding over het bureau kreeg. Officieel was hij toen plaatsvervangend chef.Tijdens zijn eerste proces vertelde Aus der Fünten dat hij tot mei 1944 bij dit bureau werkzaam bleef.
Aus der Fünten was betrokken bij talrijke razzia's van Joden in de stad Amsterdam, die vervolgens op transport werden gesteld naar Kamp Westerbork om vandaar doorgezonden te worden naar concentratie- en vernietingskampen in Duitsland en Polen. Hij had verder onder meer de leiding bij de voorbereiding en uitvoering van de deportatie naar Kamp Westerbork of rechtstreeks naar Auschwitz van alle of vrijwel alle Joodse patiënten en Joods personeel van onder meer de De Joodse Invalide, het Portugees Israëlitisch Ziekenhuis, het Nederlands Israëlitisch Ziekenhuis, het Joodse bejaardenhuis de Wertheimstichting en van de Joodse psychiatrische inrichting Het Apeldoornsche Bosch. Vrijwel iedereen werd uiteindelijk op gruwelijke wijze om het leven gebracht of overleed aan ontberingen. In mei 1943 heeft Aus der Fünten in Kamp Westerbork meerdere Joden die met niet-Joden getrouwd waren voor de keus gesteld om sterilisatie te ondergaan of gedeporteerd te worden naar Polen, bij de laatste de woorden toevoegend: 'En u weet wat dat betekent', wat velen deed geloven dat hen daar dan de dood wachtte. De meesten lieten zich daarop - tegen hun wil - steriliseren.
Na afloop van de oorlog werd Aus der Fünten opgepakt en voor het Amsterdamse Bijzonder Gerechtshof gebracht. Hij bracht in zijn verdediging naar voren dat hij slechts bevelen had opgevolgd en dat hij er niet bekend mee was geweest dat de meeste gedeporteerden een zekere dood tegemoet gingen. Op 27 december 1949 werd hij tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld. Het Hof oordeelde dat Aus der Fünten zijn daden had verricht als onderdeel van zijn dienstbetrekking bij het Duitse leger, maar dat niet bewezen was dat hij kennis had van wat de gedeporteerden elders precies te wachten stond. Wel had hij bij de uitoefening van zijn functie grote onbarmhartigheid getoond. Tevens werd hem verweten dat hij minderen de kans had gegeven om eveneens oorlogsmisdaden te begaan. Enige clementie kreeg hij voor het gegeven dat hij volgens het Hof in opdracht handelde. Een en ander werd als volgt op papier gesteld:
"Aus der Fünten heeft een groot practisch aandeel genomen in de tenuitvoerlegging van de onmenselijke maatregelen tot vervolging en deportatie der Joden in Nederland, speciaal in Amsterdam, door de Duitse bezettende macht getroffen; hij heeft er alzo toe medegewerkt dat tienduizenden en tienduizenden Nederlandse burgers van Joodse afkomst zijn opgespoord, bijeengedreven en hun ongeluk tegemoet gevoerd naar het kamp Westerbork en van daar naar de vernietigingskampen in Auschwitz, Birkenau e.a.;
Aus der Fünten heeft hierbij grote onbarmhartigheid aan de dag gelegd, en er bestaat geen twijfel of hij heeft begrepen, dat terwijl hij de ongelukkige Joden aanbracht en overgaf, mannen en vrouwen, maar ook ouden van dagen, jonge kinderen en zieken, hij daarmee voor hen een rampzalige toekomst hielp openen, al wist hij niet in bijzonderheden, welke duivelse maatregelen hen daar wachtten; zowel zijn houding aan de Zentralstelle für Jüdische Auswanderung te Amsterdam, als bij de razzia's aldaar, te Rotterdam en Den Haag, de ontruiming van de verschillende gestichten en van het Israëlitisch krankzinnigengesticht "Apeldoornse Bos", behoren tot de vreselijkste schanddaden van Duitse zijde in Nederland bedreven, waarbij Aus der Fünten ook persoonlijk gevoelloze hardheid en initiatief heeft betoond; hem moet derhalve een der zwaarste straffen worden opgelegd, waarover het Hof krachtens de wet beschikt; dat hem daarbij niet de doodstraf wordt opgelegd vindt zijn reden hierin, dat naar 's Hofs bevinding de opperste en doorslaggevende verantwoordelijkheid voor de onmenselijke maatregelen tegen de Nederlandse burgers van Joodse afkomst gelegen heeft bij de hogere machthebbers, de Jodenverdelging najagende als een algemeen stelsel Rauter en de kring van de Befehlhaber der Sicherheitspolizei in Den Haag, terwijl hij zelf zich door deze leiding heeft laten gebruiken als een inderdaad veel te dienstijverig en meedogenloos instrument, zeer wel wetende wat hij deed en misdeed, maar toch in actie gehouden door degenen, die in hogere bureaux gezeten de afschuwelijke plannen uitbroeden en doorgaven en een figuur als Aus der Fünten voor de volle jammer van de tenuitvoerlegging lieten opkomen; hen treft derhalve een veel zwaardere aansprakelijkheid dan die van de ondergeschikte in de eigenlijke zin van het woord, maar aan de andere kant wordt zijn aansprakelijkheid in zekere zin begrensd door de niets ontziende, steeds doordrijvende leiding van de hoogstgeplaatsten; op grond van deze overwegingen is het rechtvaardig hem de levenslange gevangenisstraf op te leggen..."
Aus der Fünten berustte in zijn strafoplegging, maar het Openbaar Ministerie ging in cassatie en op 12 juli 1950 kreeg hij alsnog de doodstraf. Dat hij in opdracht handelde, deed volgens de Bijzondere Raad van Cassatie niet af aan de ernst van zijn wandaden. Tevens werd hem verweten dat hij wel degelijk weet zou hebben gehad van de uitroeiingspolitiek ten aanzien van Joden. Er werd verder gevonnist dat Aus der Fünten zijn misdrijven niet had begaan in krijgsdienst, maar in staatsdienst, dus als civiel ambtenaar, ook al was hij lid van de SS. Het doodvonnis werd als volgt gemotiveerd: "... ook al zijn er hier te lande hoger geplaatste Duitse functionarissen werkzaam geweest, op wie voor het gebeurde een nog zwaardere algemene verantwoordelijkheid rust, dit niet voldoenden grond oplevert om de doodstraf te zwaar te achten voor een man als gerequireerde, die bij de duivelse vervolging van Joodse Nederlanders, onder wie ouden van dagen, kinderen, zieken en krankzinnigen, op zo stuitende wijze persoonlijk een rol heeft gespeeld; dat gerequireerde blijkens zijn daden en blijkens zijn vele uitlatingen een ontstellende onbarmhartigheid en gevoelloosheid jegens zijn slachtoffers heeft betoond, te afschuwelijker, omdat hij blijkens de overvloedige gegevens, die in de sententie vervat zijn, bekend is geweest met de uitroeiingspolitiek van zijn Regering tegenover de Joden en daarmede heeft ingestemd; dat ook overigens de harteloosheid van gerequireerde op zo overtuigende wijze en in zovele opzichten is gebleken, dat de Raad tot geen andere slotsom kan komen ...."
Omdat koningin Juliana grote gewetensbezwaren had tegen deze straf en gratie verleende, werd het doodvonnis op 15 januari 1951 toch weer omgezet in een levenslange gevangenisstraf.
Aus der Fünten moest zijn straf in de koepelgevangenis van Breda uitzitten. Op 7 november 1952 werd hij met de andere Duitse oorlogsmisdadigers Franz Fischer en Joseph Kotälla vanuit de gevangenis van Norgerhaven in Veenhuizen naar Breda overgebracht. Hij kon er goed overweg met de oudste kok, die hem stimuleerde zich voor het keukenwerk te interesseren en werd gevraagd een interne koksopleiding te volgen. Hij slaagde voor het koksdiploma en kookte sindsdien dagelijks, zeven dagen per week, voor de gevangenen en zette thee en koffie voor hen. Zelden was hij ziek en als hij dat al was, slechts voor korte tijd. Op zijn 75ste werd hij om medische redenen door de directie gedwongen met zijn keukenwerk te stoppen. Daarna vulde hij zijn dagen met een verblijf in de cel, afgewisseld met vele wandelingen op de binnenplaats en het beantwoorden van zijn uitvoerige correspondentie.
Aus der Fünten had als hobby schilderen en kreeg in de koepelgevangenis les van de in Breda bekende schilder Jan Strube. Het schildersmateriaal werd voor hem uit West-Duitsland meegenomen door zijn echtgenote. Toen zijn ogen te slecht werden, was hij gedwongen met deze liefhebberij te stoppen.
Niet alleen in Breda, maar ook elders in Nederland bevonden zich oorlogsmisdadigers in gevangenschap. Allen, op vier na, werden begin jaren zestig vrijgelaten. De vier overgeblevenen - naast Aus der Fünten waren dat Franz Fischer, Joseph Kotälla en Willy Lages - verbleven in de koepelgevangenis van Breda en werden om die reden in de wandelgangen aangeduid als de Vier van Breda. Nadat Lages in 1966 was vrijgelaten, sprak men van de Drie van Breda. In de jaren zeventig wilde toenmalig minister van Justitie Dries van Agt hen vrijlaten, maar dit stuitte op zoveel weerstand dat hij daarvan afzag. Nadat in 1979 Kotalla was overleden, sprak men nog van de Twee van Breda.
Halverwege de jaren zeventig onderging Aus der Fünten een longoperatie. Ook verliet hij de gevangenis om in het nabijgelegen Ignatiusziekenhuis de oogarts te bezoeken vanwege zijn staar. Gebeurde dat eerst per taxi, later liep hij de korte afstand onder begeleiding van een bewaarder. Ook liep hij korte afstanden zonder zichtbare begeleiding. Eind maart 1987 werd hij daarbij gefotografeerd door een persfotograaf, wat de media haalde. Sindsdien werden de veiligheidsnormen verscherpt. Aus der Fünten kreeg ook last van spataderen en moest steunkousen gaan dragen. Vocht hoopte zich op in vooral zijn benen, maar geestelijk bleef hij helder.
Uiteindelijk werden Aus der Fünten en Fischer toch nog tamelijk onverwacht in vrijheid gesteld en wel door een beslissing van minister van Justitie Frits Korthals Altes op 27 januari 1989. De Tweede Kamer had even daarvoor een motie verworpen om de vrijlating niet door te laten gaan. Op dezelfde dag werden beiden tot 'persona non grata' verklaard en verordonneerd het land te verlaten. Aus der Fünten en Fischer werden die dag per ambulance en politiebegeleiding naar de grens ten noorden van Venlo gebracht. De echtgenote van Aus der Fünten leefde nog bij zijn vrijlating en was toen 79 jaar. Het echtpaar had een zoon en een dochter. Aus der Fünten ging bij zijn zoon in Duisburg wonen, maar na bedreigingen dook hij na enkele weken onder in een verzorgingstehuis. Tweeëntachtig dagen na zijn vrijlating overleed Aus der Fünten in Duitsland op 79-jarige leeftijd aan een hersenbloeding.  Bron: Wikipedia.

Fischer, Franz. Geboren op 10 december 1901 te Bigge, overleden 19 september 1989 te Bigge. Was een Duitse SS-Sturmscharführer en fanatieke Jodenvervolger in de Tweede Wereldoorlog. Hij was betrokken bij de deportatie van ongeveer 13.000 Joden vanuit Den Haag, waarvan er om en nabij de 12.000 het leven lieten. Ook was hij verantwoordelijk voor de mishandeling van Joden, 'jodenbegunstigers' en van personen die met Jodinnen getrouwd waren. Fischer behoorde tot de Vier van Breda, nadien tot de Drie van Breda en uiteindelijk tot de Twee van Breda. Hij zat na de oorlog een levenslange gevangenisstraf uit voor oorlogsmisdaden en werd in januari 1989 vrijgelaten.
Fischer was de oudste uit een katholiek gezin van vijf kinderen. Hij voelde zich van jongs af aan erg aangetrokken tot de Rooms-Katholieke Kerk en wilde aanvankelijk in navolging van een broer en een zus van zijn moeder het klooster in. Hij hield volgens eigen zeggen van de eenzaamheid. Op de middelbare school liet hij echter zijn wens om het klooster in te gaan varen en ging in militaire dienst. Na voltooiing van een diensttijd van negen maanden vond hij werk op een belastingkantoor, wat hem echter niet beviel. Hij besloot daarop naar de politieschool te gaan. In 1922/23 werd hij aangesteld bij de Kriminalpolizei in Bochum en in 1937 bij de Gestapo te Düsseldorf.
In 1933 werd hij lid van de NSDAP, maar hij was volgens eigen zeggen niet politiek geïnteresseerd. In 1934 trouwde hij. Het huwelijk bleef kinderloos. Op 28 mei 1940 werd hij geplaatst bij de Aussenstelle der Sicherheitspolizei und des SD in Utrecht, waar hij enkele maanden werkzaam zou blijven. In november 1940 werd hij overgeplaatst naar Referat IV-B4 te Den Haag. Dit bureau, gevestigd in het complex Windekind aan de Nieuwe Parklaan 72, 74 en 76, hield zich bezig met de deportatie van Joden en opsporing van Joodse onderduikers. Zijn directe chef was Regierungsrat Willy Zöpf, maar deze liet de dagelijkse leiding over aan Fischer. Uiteindelijk zouden zo'n 13.000 Joden vanuit Den Haag door Fischer gedeporteerd worden; waarvan er ongeveer 12.000 zijn vermoord in voornamelijk concentratie- en vernietigingskampen. Ook was hij verantwoordelijk voor mishandelingen van Joden, 'jodenbegunstigers' en van personen die met jodinnen getrouwd waren. Hij liet ze niet alleen door anderen mishandelen, maar sloeg en schopte volgens meerdere getuigen ook zelf. Door zijn fanatieke jacht op Joden kreeg hij al snel de bijnaam "Judenfischer". Zijn specialiteit was het 'U-boot Spiel', waarbij de slachtoffers in een badkuip langdurig onder water werden gehouden om bekentenissen of inlichtingen af te dwingen.
Benedictus Hijmans, een half-Jood, pleegde op 11 januari 1943 in Den Haag een mislukte aanslag op Fischer. Omdat zijn vader gearresteerd was, tekende Hijmans persoonlijk protest aan bij Fischer. Na het vergeefse gesprek pakte Hijmans een pistool van de muur en probeerde op Fischer te schieten. Het wapen was echter niet geladen. Een week later vonniste het SS- en Polizeigericht de doodstraf tegen Hijmans en werd hij gefusilleerd.
Na de oorlog werd Fischer door het Canadese leger naar Duitsland gebracht, waar hij in diverse kampen verbleef. Op 28 augustus 1946 werd door Nederland om uitlevering van Fischer gevraagd. In november dat jaar werd hij overgedragen en vastgezet in de Cellenbarakken van Scheveningen.
Fischer werd door het Bijzonder Gerechtshof in Den Haag op 17 maart 1949 veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf. Dat hij niet de doodstraf kreeg, verwoordde het hof als volgt: "... dat verdachte deel heeft gehad aan één van de meest afschuwelijke daden, die Duitsland tegenover de bevolking van de bezette landen heeft bedreven, welke daden op zichzelf gezien het opleggen van de doodstraf zouden rechtvaardigen, ware het niet dat de rechter verplicht is, alvorens deze op te leggen, om te zien naar mogelijke persoonlijke omstandigheden de verdachte betreffende, die zouden kunnen leiden tot een ander oordeel; dat deze verdachte, gelijk uit het onderzoek van de psycholoog Dr. Ph. M. van der Heyden, waarover deze ter terechtzitting zijn verklaringen heeft afgelegd, blijkt, bijzondere psychische aspecten vertoont, waarbij een zucht naar macht, een sterke geldingsdrang en een algeheel gemis aan schuldbesef wel de voornaamste zijn, dat bovendien uit verdachte's uitlatingen tegenover zijn slachtoffers en anderen blijkt van een uitgesproken anti-semitisme, hetgeen niet te verwonderen valt in een Duitser, die jarenlang door zijn Regering op de meest systematische en geraffineerde wijze door propaganda tegen de Joden daartoe is opgehitst, gelijk algemeen bekend is, dat daardoor de mentaliteit van deze verdachte, die ter terechtzitting heeft blijk gegeven nog steeds geen besef te hebben van de grote schuld, die hij op zich heeft geladen, volkomen is vergiftigd door de omgeving waarin hij heeft verkeerd en gewerkt en naar het Hof aanneemt, zijn psychische gesteldheid voor het zaad van het anti-semitisme een gunstige ontwikkelingsbodem is geweest, terwijl verdachte niet die geestelijke ontwikkeling heeft bereikt, dat hij zich aan deze verderfelijke invloed heeft kunnen onttrekken; dat het Hof hierom termen aanwezig acht geen doodstraf op te leggen, maar te volstaan met een levenslange verwijdering van deze verdachte uit de maatschappij, waarbij het Hof opmerkt, dat, indien een Nederlander soortgelijke misdrijven tegen zijn eigen landgenoten zou hebben gepleegd, de doodstraf op haar plaats zou zijn geweest; dat deze straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde misdrijven en de ter terechtzitting gebleken omstandigheden waaronder zij zijn begaan; mede gelet op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte."
De Bijzondere Raad van Cassatie veroordeelde hem echter op 12 juli 1950 alsnog ter dood.
De raad motiveerde zijn besluit als volgt: "Overwegende thans ten aanzien van de opgelegde straf, waartegen zowel de Procureur-Fiscaal als requirant Fischer opkomen; dat de Raad zich, wat de waardering van den ernst der bewezen verklaarde misdrijven betreft, geheel aansluit bij het oordeel van het Hof en die misdrijven zo zwaar acht, dat zij zeker de doodstraf rechtvaardigen, vooral in het licht van requirant Fischer's door het Hof uitvoerig gemotiveerde bekendheid en instemming met de uitroeiingspolitiek van zijn Regering tegenover de Joden; dat het dus alleen de vraag is of de overwegingen, welke het Hof ertoe hebben geleid, desniettemin van oplegging van de zwaarste straf af te zien, deugdelijk zijn; dat nu die overwegingen betrekking hebben op zekere bijzondere psychologische aspecten, welke requirant volgens een psychologisch onderzoek zou vertonen, nl. een sterker geldingsdrang en een algeheel gemis aan schuldbesef, en verder op zijn uitgesproken anti-semitisme; dat deze laatste trek in requirant's persoonlijkheid naar 's Raads oordeel zeker niet te zijner ontlasting kan strekken, welke redenering daaraan in het bedoelde psychologische rapport ook moge worden vastgeknoopt; dat ook sterke geldingsdrang en volslagen gemis aan schuldbesef bij Duitse oorlogsmisdadigers zo gewone verschijnselen zijn dat de Raad daaraan evenmin een persoonlijk ontlastende werking ten gunste van requirant Fischer kan toekennen; dat derhalve de Raad, anders dan het Hof, in deze psychologische beschouwingen met den Procureur-Fiscaal geen voldoenden grond vindt om af te zien van oplegging van de zwaarste straf; dat requirant Fischer's beroep op zijn ondergeschikte positie hem evenmin kan baten, doch integendeel de Raad het hem zwaar aanrekent, dat hij een ambtelijk lage positie door eigen optreden heeft weten te maken tot een feitelijk centrale functie in de uitvoering van de Duitse politiek van vernietiging van het Joodse deel van het Nederlandse volk; dat de Raad derhalve het beroep van den Procureur-Fiscaal gegrond acht en van oordeel is, dat requirant Fischer's beroep moet worden verworpen."
Dit arrest werd echter nooit ten uitvoer gelegd, omdat koningin Juliana grote gewetensbezwaren had tegen de doodstraf. Aan Fischer werd uiteindelijk door Juliana in 1951 gratie verleend, zodat de doodstraf opnieuw werd teruggebracht tot levenslange opsluiting.
Fischer werd gelijktijdig met de Duitse oorlogsmisdadigers Joseph Kotälla en Ferdinand aus der Fünten vanuit de strafgevangenis van Norgerhaven in Veenhuizen per 7 november 1952 gedetineerd in de Bredase koepelgevangenis, waar vanaf 24 februari 1955 ook de Duitse oorlogsmisdadiger Willy Lages werd opgesloten. Gezamenlijk gingen ze de geschiedenis in als de Vier van Breda. Na de vrijlating van Lages in 1966 gingen de overgeblevenen door als de Drie van Breda en na de dood van Kotalla als de Twee van Breda. In de koepelgevangenis van Breda sleet Fischer zijn dagen door de gevangenis te poetsen. Hij had wegens zijn werk vrije toegang tot de directiekamer, ook als er niemand binnen was. Tot op hoge leeftijd bleef hij actief met poetswerk. Hij had een eigen werkhok met daarin een oude stofzuiger, dweilen, emmers en versleten textiel dat hij als poetsdoek gebruikte. Toen hij om gezondheidsredenen het werk niet meer aankon, bleef hij wel zijn cel poetsen - hij dweilde zijn celvloer minstens drie keer per dag - en soms was hij ook toen toch buiten zijn cel aan het poetsen. Ondanks die gedrevenheid was hij geen goede poetser. Zo snoot hij regelmatig zijn neus in zijn poetsdoek om vervolgens met de doek een bureau af te vegen. Op eigen initatief hield hij de visvijver op de binnenplaats van de gevangenis schoon. Wekelijks ververste hij al het water en gaf hij de in het water zwemmende goudvissen hun dagelijkse visvoer dat hij van de bewaarders kreeg aangereikt. Ook hielp hij de luchtplaats ongevraagd onkruidvrij te houden. Fischer had tijdens zijn gevangenschap last van nachtmerries; hij droomde dan dat hij achtervolgd werd door een grote groep Joden, die hem in elkaar sloeg. Hij riep dan in zijn slaap om hulp en werd vervolgens badend in het zweet wakker.
De West-Duitse regering spande zich vanaf de jaren zestig in voor zijn vrijlating. Bij elk bilateraal contact tussen Nederland en de Bondsrepubliek Duitsland was zijn gevangenschap onderwerp van gesprek. De West-Duitse regering ondersteunde Fischer juridisch en financieel. In de jaren zeventig ontving hij van de West-Duitse overheid een maandelijkse toelage van veertig tot vijftig D-mark.
Fischer werd, samen met Aus der Fünten, op 27 januari 1989 vrijgelaten op instigatie van minister van justitie Frits Korthals Altes. Hij ging inwonen bij zijn echtgenote, met wie hij nog steeds getrouwd was en bij zijn vrijlating 88 jaar oud was. Fischer overleed nog datzelfde jaar op 19 september aan een longonsteking in het Sankt Josef Hospital in Bigge, een deelgemeente van Olsberg, en werd aldaar op 25 september begraven. Aus der Fünten was eerder al, op 19 april, overleden. Fischer liet bij zijn overlijden honderdduizenden D-mark na, geld dat hij gekregen had van sympathisanten. Bron: Wikipedia.

Frijda, Leo Herman. Geboren 1 augustus 1923 te Amsterdam, overleden 1 oktober 1943 te Overveen
(executie). Was een Joods-Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was het oudste kind van Herman Frijda (1887-1944), hoogleraar economie in Amsterdam, en Dora Frank. In 1938 was Herman Frijda de erepromotor van koningin Wilhelmina, toen zij haar 40-jarig regeringsjubileum vierde. In het najaar van 1940 werd hij, als Joodse hoogleraar, ontslagen. Omdat hij Joods was, mocht Leo Frijda na zijn gymnasium-eindexamen op het Amsterdams Lyceum in 1941 niet gaan studeren. Daarom ging hij als leerling medisch-analist werken in het CIZ-laboratorium in Amsterdam. Leo en zijn vader leefden op gespannen voet. Leo besloot daarom op kamers te gaan wonen in Aalsmeer, waar hij door de 8 jaar oudere dochter des huizes, Mien Harmsen, zeer bewonderd werd om zijn gedichten en zijn kennis van muziek. Na een paar maanden ging hij bij zijn schoolvriend Theo Hondius wonen op een grote kamer aan de Herengracht. Samen met Hondius maakte hij plannen om in de herfst van 1941 naar Engeland gaan. Het kopen van een boot was niet het grootste probleem. Om ongezien door de duinen naar het strand komen, wel. Het plan werd opgegeven. Frijda ging in 1942 in het verzet en verhuisde naar een pand aan de Nieuwe Herengracht. Hij was een van de oprichters van verzetsgroep CS-6. De groep bestond in het begin uit Hans Katan, Gideon Willem Boissevain en diens broer Jan Karel. Ze werkten samen met leden van de illegale CPN. De naam van de groep was een afkorting van het adres waar de Boissevains woonden, Corellistraat 6. Eind 1942 richtte Hondius samen met Gerrit Jan de Jongh, student in Utrecht, een literair jongerentijdschrift op. Het kreeg de naam Lichting:litterair maandblad van de jongeren, het eerste nummer verscheen in november 1942. Frijda schreef erin onder de naam Edgar Fossan. Ondertussen was Frijda actief in het verzet. Op 5 februari was hij samen met Jan Verleun uit Amsterdam betrokken bij de moord op luitenant-generaal Seyffardt, omdat die zich beschikbaar had gesteld als commandant van het Nederlands Vrijwilligerslegioen, dat naar het Oostfront zou gaan. Na deze liquidatie werden 600 studenten gearresteerd en naar Kamp Vught gebracht. Frijda ontsprong deze dans. Enkele weken later werkte hij mee aan spoorwegsabotage in de Amsterdamse Rietlanden, en in juni liquideerde hij twee Sipo-informanten: fietsenmaker B. Hoff en D. Blom, de laatste samen met Katan. Hij werd op 20 augustus 1943 gearresteerd. Hij werd met Katan, de gebroeders Boissevain en 14 anderen CS-6 leden door het Polizeistandgericht ter dood veroordeeld en op 1 oktober 1943 gefusilleerd. Zijn graf is op de Eerebegraafplaats Bloemendaal. Bron: Wikipedia.