De aanval, deel 2.
Svensbu
De explosievengroep had ondertussen een tweede hek geforceerd en zij bevonden zich nu een niveau lager op een verdieping die naar de kelders leidde waar zich de vaten met zwaar-water bevonden.
Afzien van het gebrom van de fabriek bleef het verder rustig. Het enige wat enigszins verontrustend was dat de maan door de wolken heen gebroken was. De omgeving werd ook verlicht door de lichten van de fabriekshallen die slecht verduisterd waren. De duisternis die de mannen zo nodig hadden was verdwenen. De dekkingsgroep nam nu de vooraf afgesproken posities in, bij een hut waar men uitzicht had over de barakken waarin zich de vijand bevond.
De explosieven groep lied ondertussen één man achter die de wacht hield en de overige vier splitsten zich zoals afgesproken in twee teams beide voorzien van een complete set explosieven in geval dat één van de twee het doel niet zou halen. Beide teams gingen meteen naar de kelderdeur, maar die zat op slot, vervolgens probeerden zij een deur een verdieping hoger, ook op slot. De kelderdeur had open moeten zijn want Skinnerland had één van zijn contactpersonen in de fabriek opdracht gegeven de deur van slot te laten, maar de man was ziek geworden en was die dag niet in staat geweest naar de fabriek te komen. Van de Nazi’s was in de fabriek geen spoor te bekennen.
Er zat niets anders op om tenminste een vuurgevecht te voorkomen om een laatste optie toe te passen. Professor Tronstad had hen verteld dat het mogelijk was om via de kabelschachten in de kelder te komen. God zij dank dat Tronstad zo nauwgezet was, de kabelschachten waren inderdaad open zoals hij hen reeds voorspeld had. Toen R
ønneberg rondkeek zag hij alleen Frederik Kayser, de andere twee Strømsheim en Idland waren zij tijdens de zoektocht naar de toegang tot de kelder kwijtgeraakt. Rønneberg begreep dat tijd nu de belangrijkste factor aan het worden was en elke minuut telde. Kayser en hij beklommen de kleine ladder die toegang gaf tot de schacht. Zij kropen over buizen en kabels terwijl zij hun rugzakken voor zich uit duwde. Door een opening in de schacht konden zij het doelwit onder zich zien liggen. Aan het einde van de schacht kamer zij in een soort kamertje uit naast de ruimte waar zich het zwaar-water bevond. Snel gingen de ruimte met de zwaar-water condensors binnen en oververmeesterden zij de bewaker.
Meteen sloten zij de deuren en Kayser hield de bewaker onder schot die beefde van angst. Hij had nog nooit een engels uniform gezien en verwachtte er ook nooit één te zullen zien. Rønneberg trok zijn rugzak open en begon de worst vormige explosieven rond de cilinders aan te brengen, die overigens precies leken op de modellen waar zij in Engeland op geoefend hadden. Rønneberg was net klaar met het aanbrengen van de helft van de explosieven toen hij gerinkel van glas hoorde. Toen hij opkeek zag hij Birger Strømsheim aan de achterzijde van de fabriek door het raam klimmen. Kayser draaide zich ook om en hij was al bezig zijn machinepistool te laden toen hij zag dat het goed volk was.
Str
ømsheim en Idland hadden de kabelschacht niet kunnen vinden, niet wetende dat Rønneberg en Kayser al binnen waren hadden zij besloten de enig mogelijke, maar ook de gevaarlijkste optie gekozen om binnen te komen. Het glasgerinkel had de Nazi’s kunnen alarmeren, Rønneberg snelde naar het raam toe om de laatste stukken glas weg te halen zodat Strømsheim naar binnen kon komen. Idland bleef buiten op wacht staan terwijl Strømsheim Rønneberg hielp met het aanbrengen van de laatste ladingen en het aanbrengen van de lonten. Oorspronkelijk waren zij van plan geweest om twee minuten lonten te gebruiken, maar omdat zij bang waren dat iemand de lonten vroegtijdig zou verwijderen hadden zij er voor gekozen om voor de zekerheid ook 30 seconden Bickford lonten te plaatsen. Dit was een dappere zet want dit betekende dat de explosies plaats zouden vinden voordat zij het complex verlaten konden hebben. Rønneberg’s honger om met de Nazi’s het gevecht aan te gaan was opmerkelijk, zijn gedrevenheid was enorm, dat bleek ook wel uit het feit dat hij zich een weg naar buiten wilde vechten. Ook nu weer ondernam hij iets gevaarlijk op de operatie goed af te laten lopen, maar ook om het gevecht aan te gaan.


                                                    
Net voordat zij de lonten aan wilde steken zei de bewaker: “Alstublieft, ik heb mijn bril nodig. Heden ten dagen zijn die nauwelijks in Noorwegen te krijgen”. Dit was een onwerkelijk moment en het verzoek deed de drie commando’s verstijven, deze plotselinge verandering van het plan bracht hen van hun stuk tijdens deze cruciale militaire operatie. Hierna rommelde de commando’s in het bureau van de bewaker om zijn glazen te kunnen vinden. “Takk”, zei de bewaker toen hij zijn bril op zijn neus zette. Terwijl hij sprak hoorden zij voetstappen naderden. De mannen laden hun wapens en zetten ze op scherp. Was die een Nazi’s die zijn ronde deed?  Tot hun oplichting stapte een Noorse voorman de ruimte binnen en hij ging bijna van zijn stokje toen hij de drie commando’s zag en een collega met zijn handen boven zijn hoofd.
Buiten begon de dekkingsgroep onrustig te worden, de anderen waren nu al 25 minuten geleden verdwenen in de schaduwen van de fabriek. Terwijl R
ønneberg de lonten aanstak telde Kayser tot tien, waarna de bewakers opdracht gaf zo snel mogelijk naar boven te rennen. De drie commando’s zelf renden zo snel mogelijk door de stalen deur naar buiten. Zij waren nog geen twintig meter van het gebouw verwijderd toen zij de doffe dreun van de explosies hoorden. Het geluid werd gedempt door het gebrom van de machines in de fabriek en de dikke betonnen muren van de kelders. De dekkingsgroep vroeg zich af of de explosieven wel op juiste wijze aangebracht waren, maar Rønneberg hoorde aan het geluid van de explosies dat de cilinders verwoest waren en dat de zwaar-water productie van vier of vijf maanden nu over de vloer het riool in verdween. Wat de commando’s niet konden weten was dat het geluid van een gedempte explosie niet ongewoon was voor degenen die in de fabriek werkten, Soms konden ongevaarlijke explosies gehoord worden die ontstonden in de verbrandingsmachines, soms maakte het geluid van scheurend ijs of het naar beneden storten van smeltende sneeuwmassa’s net zo’n geluid. Poulsson: “De explosies klonken niet erg hard, het was meer het geluid van twee of drie auto die op elkaar inreden. De explosieven groep ging na de ontploffingen onmiddellijk in dekking, wachtend op een reactie vanuit de Nazi barakken. Zij lagen of stonden doodstil toen de deur van een van de barakken openging en een slechts half geklede soldaat naar buiten kwam. Hij scheen met zijn zaklantaarn over het fabriekterrein , liep langzaam in de richting van Haukelid die verstopt zat achter een stapel lege vaten. Toen hij tot op een afstand van vijf meter genaderd was lied hij het licht van zijn zaklamp rond schijnen en hij ging daarbij maar een paar centimeter over het hoofd van Haukelid heen. Als het een windstille nacht was gewest hij de wacht misschien het gehijg, of de pompende hartslag van Haukelid kunnen horen. Op dat zelfde moment waren alle wapens waarover de groep beschikte op de onwetende soldaat gericht. Had hij zijn lamp wat lager laten schijnen dan was hij ongetwijfeld doorzeeft geweest met kogels. Hij draaide zich echter om en verdween weer in de barak en op het moment dat de deur dichtsloeg werd het teken gegeven om de terugtocht te aanvaarden. De kalmte van de hele groep geeft nogmaals aan hoe professioneel zijn bezig waren. In een rapport dat na de aanval rond ging tussen de verschillende militaire en politiek afdelingen staat het volgende te lezen over Haukelids koelbloedigheid: ‘Het voorbeeldig wapengebruik van de leider van de dekkingsgroep toen de vijand hem tot op slechts een paar meter was genaderd om te kijken wat er aan de hand en toen naar zijn barak terugkeerde, was één van de opmerkelijkste feiten van de gehele operatie’.
foto: Antonet Dijkstra
foto: Antonet Dijkstra
Het plan liep zelfs beter als de mannen gehoopt hadden, slechts drie waren gezien door de bewakers in de kelder, die niets anders vermoeden dan dat dit Engelse commando’s waren die Noors spraken. Rønneberg en Kayser hadden hun strepen laten zien en hadden diverse gereedschappen en papieren achter gelaten om daarmee alvast te bewijzen welke nationaliteit zij hadden. Om te voorkomen dat de Nazi’s vergeldingsacties uit zouden voeren tegen de lokale bevolking was het van belang dat het aantoonbaar was dat dit het werk was van Engelse troepen en niet van een lokale verzetsbeweging.
Het team had zijn opdracht succesvol uitgevoerd en nu stond er nog maar
één ding op het programma, ontsnappen en snel ook. Het probleem was echter dat een snelle ontsnapping vanuit de Rjukan vallei niet mogelijk was. Het was van vitaal belang dat zij zo ver mogelijk weg wisten te komen voordat er alarm werd geslagen. De negen mannen daalden zo snel mogelijk langs de zuidelijke helling naar beneden af naar de bodem van de kloof. Vervolgens staken zij de rivier over die nu al veel hoger stond en sneller stroomde dan enkele uren gelden.
Het water op het ijs stond centimeters hoger dan op de heenweg en het was een kwestie van uren of misschien van minuten dat het oversteekpunt weggespoeld zou worden. Als dat gebeurde zaten de mannen als ratten in de val en zonder hoop om de andere oever te kunnen bereiken..
De stijging van temperatuur en het smelten van de sneeuw staat bij de plaatselijke bevolking bekend als ‘Fohn’ en dit bracht de ontsnapping van de groep in gevaar. Diepe natte sneeuw was het laatste waar de groep op zat te wachten als zij snel wilden ontsnappen, maar zij konden het zuigen van de sneeuw onder hun laarzen voelen en ook de warme wind die in hun gezicht blies.
Het team werd ontnuchterd terwijl zij net de rivier over staken, toen rond het fabrieksterrein het gehuil van sirenes klonk. Snel kropen zij de oever aan de andere kant van de rivier op. De eerste auto die vanuit de richting van Rjukan verscheen reed heel langzaam over de slingerende bergweg, het was spekglad. Toen de auto voorbij kwam verschool de groep zich achter een sneeuwwal die opgeworpen was door een sneeuwploeg die de weg had vrijgemaakt. Nadat de auto gepasseerd was staken de mannen de weg over en liepen aan de andere kant van de weg naar de plek waar zij hun ski’s en de rest van de uitrusting hadden achtergelaten. Toen zij omkeken in de richting van de fabriek zagen zij lichten langs de spoorweg bewegen precies op het punt waar zij het fabrieksterrein hadden betreden. Gedurende de volgende minuten zagen zij een sliert auto’s en trucks zo snel als de omstandigheden het toelieten over de weg in de richting van Vemork rijden. Op een gegeven moment sloegen zij links af om via de hangbrug het fabrieksterrein te bereiken, de race was begonnen.
Gedurende de volgende uren worstelden zij zich een weg naar boven via een zigzag pad dat onder de de baan van de Krosso lift naar top van de vallei. De lift was aangelegd zodat de mensen die beneden in het dal woonden gedurende de donkere winter maanden de vallei konden verlaten en boven op de top van de zon konden genieten. In Noorwegen had men al in een vroeg stadium ontdekt dat de mens ook in de winter zonlicht nodig heeft.

Waar bleven de zo zeer gevreesde zoeklichten die op het dak van de fabriek stonden en die zoals hun verteld was de hele omgeving konden verlichten?
De Nazi’s daarin tegen waren er van overtuigd dat de saboteurs zich nog steeds op het fabrieksterrein bevonden. Zij hadden immers de brug niet overgestoken en het was niet mogelijk en men was vast niet zo gek om via de helling af te dalen naar de bodem van de vallei, dus moesten zij zich nog op het fabrieksterrein bevinden was hun redenering.
                                                     
Het grootste gedeelte van de route, genaamde het Ryes Pad, naar de top lag verscholen in een dicht sparren bos, maar elke als het pad een bocht maakte en de route van de kabelbaan kruiste dan was er totaal geen dekking meer. Tijdens hun drie uur durende zwoegtocht naar boven waren om de zoveel minuten zichtbaar voor iedereen die naar hen op zoek was. Voor de commando’s was dit de aangewezen route voor een ieder die uit de vallei wilde ontsnappen, maar in de verwarring en de paniek die bij de Nazi’s toesloeg na de aanslag had niemand er over nagedacht op welke wijze de saboteurs zouden kunnen ontsnappen. De grootste angst van de Noren was dat de Nazi’s zo slim zouden zijn om de kabelbaan in te schakelen en een groep soldaten naar de top te transporteren. Er waren maar een paar minuten voor nodig om de bedienaar van de kabelbaan die er naast woonde te alarmeren en op die manieren tientallen soldaten naar boven te krijgen. Dit scenario zou het einde van hun ontsnapping betekenen, zelfs als zij een vuurgevecht zouden overleden dan nog wist men precies waar zij waren en de Nazi;s zouden hen vervolgens in kunnen sluiten door gebruik te maken van vliegtuigen die hen vanuit de lucht in de gaten konden houden.

Dit gebeurde echter niet en om vijf ’s morgens bereikten zij uitgeput de top van de vallei. Eenmaal op de top aangekomen merkten zij pas hoe hard het op het plateau stormde, zij weren bijna door de kracht van de storm weer naar beneden geblazen. De mannen staarden naar beneden in het dal waar de Nazi’s nog fanatiek naar hen aan het zoeken waren. Toen zij halt hielden om te rusten en te eten begonnen zij zich te realiseren dat hun kans om te ontsnappen flink toegenomen was nu zij ongezien uit het dal hadden kunnen wegkomen. Rønneberg; “Het was een geweldig gevoel, wij hadden ons de afgelopen maanden zo op deze klus geconcentreerd en nu leek het erop dat het de goede kant op ging. Wij zagen de zon in een fantastisch kleurspel boven de Gaustatop opkomen, terwijl wij in stilte onze chocoladerepen en rozijnen opaten”.

“Een vogel zong ergens in het struikgewas en wij wisten dat het voorjaar eraan zat te komen. Terwijl wij daar zo zaten waren wij erg blij dat de opzet geslaagd was en wij voelden ons trots, tegelijkertijd moesten wij aan onze Engelse kameraden denken die omgekomen waren met de ramp met de zweefvliegtuigen. Zij hadden pech gehad, maar iets, of iemand had ons afgelopen nacht beschermd. De Nazi’s zaten in het dal onder ons, maar voor hen waren wij nu niet bang meer. Nu moesten wij de strijd met de Noorse natuur weer aangaan. Maar hier waren wij niet bang voor, wij hadden al uit ervaring geleerd toe te geven en dat de natuur soms de baas is. Als wij  met die kracht met respect om zouden gaan zou het wel goed komen”.

De mannen was geen lange rustpauze gegund, zij moesten nu zoveel mogelijk afstand tussen hun en de jagers cre
ëren. Het stormde hard toen zij op weg gingen naar de hut bij Langsjå en hun grootste angst was dat nu het goed licht werd zij met vliegtuigen te maken zouden krijgen die het gebied gingen uitkammen. Deze vliegtuigen zouden men met machinegeweer vuur kunnen besproeien, maar zij konden ook vijandelijke troepen naar de op de vlucht zijnde commando’s dirigeren. Zij bereikten om elf uur echter de hut zonder het een geluid van een enkel vliegtuig gehoord te hebben. Zij hadden in de afgelopen 36 uur geen oog dicht gedaan en zij hadden zich zo snel mogelijk verplaats als hun vermoeide benen ze maar dragen konden.
De adrenaline had hen op de been gehouden vanaf het moment dat zij acht uur geleden aan de werkelijke sabotage actie begonnen waren. Dit waren jonge fitte en geharde kerels, maar ook hun lichaam kon maar een beperkte belasting hebben. Het was dan ook een enorme opluchting toen zij de hut bereikten en daar konden gaan zitten om nog meer voedsel tot zich te nemen, want zij waren ondertussen totaal uitgeput geraakt.
De hele operatie was tot op dat moment een groot succes geweest, zelfs beter dan zij in hun stoutste dromen hadden durven dromen. Zij waren ongezien de fabriek binnengedrongen, hadden alle zwaar-water cilinders opgeblazen, waren ontsnapt zonder dat er ook maar één enkel schot afgevuurd was, of dat er iemand gewond was geraakt en zij hadden de fabriek al ver achter zich gelaten voordat het alarm afging. Verder was er aan de rest van de fabriek geen schade toegebracht waardoor zijn economische belang voor Noorwegen niet in gevaar was. Het Duitse garnizoen was schuldig aan ernstige fouten en blunders in de eerste uren direct na de aanval en dit was het geluk van de saboteurs geweest. De mannen hadden het gevoel dat de Goden aan hun kant hadden gestaan die nacht terwijl zij in de hut lagen uit te rusten. Binnen uur was de storm op de Hardangervidda aangetrokken tot een orkaan en het was totaal zinloos de hut te verlaten. Om buiten de hut te kunnen ademen moesten zij de handen voor hun mond houden, deze sneeuwstorm zorgde er echter voor dat alle sporen van hun terugtocht bedekt werden. Dit was van groot belang, nu hadden de Nazi’s helemaal geen idee meer hoe de commando’s ontsnapt waren. Als zij hun voetsporen naar boven en hun skisporen op het plateau ontdekt hadden dan zou de kans op ontsnapping weer aanmerkelijk kleiner worden. Nu was er absoluut geen kans meer hen te vinden, zij waren simpel weg opgegaan in de sneeuw. De nazi’s konden nu niet meer geconcentreerd in één bepaald gebied gaan zoeken, zij moesten hun manschappen verdelen over één van Europa’s grootste verlaten wildernis. Een geslaagde ontsnapping was echter nog niet gegarandeerd, er kon nog van alles gebeuren. Zij konden nog steeds in contact komen met Nazi patrouilles, of met Noorse landverraders, of zij konden vanuit de lucht gezien worden. Maar hun achtervolgers hadden één groot nadeel zij kenden het terrein en de weersomstandigheden niet, terwijl de Noorse commando’s dit voordeel ten volle uit konden benutten. De storm betekende ook dat de mannen langer konden uitrusten en weer op krachten konden komen. Een nadeel was echter dat de Nazi’s in staat waren versterking uit de omgeving van Vemork op te roepen wetende dat de saboteurs met dit weer geen kant op konden en zich ergens in de buurt van Vemork op zouden houden. Zij moesten ergens in de buurt zitten.
De volgende dag, 1 maart 1943, vertrok het gezelschap richting Svensbu, maar de kracht van de storm deed hen na enige tijd weer terug keren. In de loop van de middag ging de wind enigszins liggen en om vijf uur werd een nieuwe poging ondernomen. Om half tien kwamen de mannen opnieuw totaal uitgeput bij de Svensbu hut aan, de storm was weer in alle hevigheid losgebroken.
Ondertussen bekeek de hoofd-ingenieur van de fabriek Alf Larsen, die tevens hun belangrijkste informant in de fabriek was geweest, de aangerichte schade. Hij was één van de eerste die de plek des onheil betrad.
“Toen ik binnen kwam zag ik dat alle cellen opgeblazen waren en dat de bodem van elke cel weggeslagen was. De hele ruimte hing vol waterdamp, dit was mede afkomstig doordat dat bijna alle waterbuizen in de ruimte door rondvliegende scherven lek geraakt waren. Het leek wel of ik onder de douche stond. Dit was een perfecte sabotage actie geweest”.
Generaal Wilhelm Redies, hoofd van de Gestapo in Noorwegen, kwam bij de fabriek aan om zelf de schade op te nemen en om uit te vinden hoe men in staat was geweest deze onneembare vesting te nemen. Ook wilde hij erachter komen om hoeveel saboteurs het ging en hoe zij gevlucht waren. Hij was die zondagochtend niet in de allerbeste stemming, hij wilde snel antwoorden op zijn vragen en dreigde met vergeldingsacties. Hij nam aan dat de actie door Engelse commando’s was uitgevoerd, er was een Tommygun gevonden, engelse papieren waren achtergelaten de bewakers die door de overval verrast werden bevestigden deze veronderstelling ( onduidelijk blijft of de bewakers niet wisten dat de commando’s Noren waren, maar dat ook zij wilden voorkomen dat er vergeldingmaatregelen genomen zouden worden).
Het doorgeknipte hangslot, het open hek en een spoor voetstappen ( daarbij ook nog een bloedspoor van R
ønneberg’s hand) onthulden hoe men de fabriek in was gekomen en hoe men hem verlaten had. Het was echter voor Redies nog steeds onduidelijk hoe men weg was gekomen, naar zijn mening was ontsnappen via de kloof onmogelijk. Redies was er van overtuigd dat deze missie alleen kans van slagen had gehad indien men vanuit binnen uit hulp had gekregen. Natuurlijk verdacht hij meteen de voormalige directeur D. Brun, maar desondanks lied hij alle technici en laboranten arresteren en hij dreigde iedereen dood te schieten tot het lek boven water kwam. Door de aankomst van Wehrmacht Generaal von Falkenhorst gingen de plannen van Redies niet door. Von Falkenhorst was één van de weinige hoge Nazi’s die enige bewondering voor de actie in Vemork had en hij toonde daarbij ook mededogen voor de burgerbevolking. Later werd hij overigens wel vervolgd en veroordeelt wegens oorlogsmisdaden, onder andere voor zijn rol in het Freshman incident.
Ter plekke verklaarde hij dat dit de beste sabotage actie geweest was die hij ooit tijdens de oorlog gezien had.
Volgens een telegram dat door Haugland was verstuurd had Skinnerlands contactpersoon in de fabriek zelfs gezien dat von Falkenhorst had moeten glimlachen toen hij de schade zag die de saboteurs hadden aangericht. “Engelse gangsters”had hij gemompeld. Onderschept berichtenverkeer tussen Duitse en Noorse inlichtingen afdelingen gaven aan dat men van mening was dat drie Noors spreken Engelse commando’s gekleed als burgers per trein naar Rjukan hadden genomen, maar dat zij de omgeving goed kenden.. Vreemd genoeg leidde het feit dat zij vloeiend Noors spraken niet tot argwaan. De gegijzelden werder echter pas vrijgelaten toen von Falkenhorst had verklaard dat het hier een Engelse militaire actie ging en dat de lokale bevolking hier niets mee te maken had. Vervolgens werd de jacht op de Engelsen massaal geopend. Later zou de lokale bevolking zijn dank jegens von Falkenhorst uitspreken omdat hij in verweer was gekomen tegen de Gestapo die absoluut vergeldingsacties tegen de lokale bevolking wilden ondernemen. . Terwijl hij nog bezig was om te onderzoeken hoe de indringers weg hadden weten te komen gaf hij het bevel om de zoeklichten te ontsteken, maar tot schaamte van de bewakers en tot woede van von Falkenhorst lukte dat niet want men kon de schakelaars niet vinden!
De groep die die nu verder terugtrok op de Hardangervidda bestond nu nog uit acht man, Helberg ging terug naar de hut in Fjosbudalen omdat hij daar zijn burgerkleding en zijn vervalste identiteitsbewijs had laten liggen die hij voor zijn verkenningstochten had gebruikt. Dit mocht absoluut niet door de Nazi’s gevonden worden anders zou men zeker vergeldingsacties tegen de lokale bevolking uitvoeren. Voor hij vertrok sprak hij met de rest af dat zij elkaar weer zouden ontmoeten bij de Svensbu hut mts het weer en de Nazi’s dat toelieten.

                                        
Op
2 maart verliet de hoofdgroep de Svensbu hut en ging op weg naar Skrykken, de plek waar Gunnerside geland was, maar ook dit keer werden zij door een zware storm gedwongen na twee uur op weg te zijn geweest om naar de hut terug te keren. De volgende dag hadden zij meer succes. Eénmaal op weg maakten zij een omtrekkende beweging via Slettedal waar zij een boodschap voor Skinnerland en Haugland, de twee marconisten, achterlieten. Zij zouden de boodschap naar het hoofdkwartier in Engeland doorseinen. Deze luidde als volgt:

Geland op Skrykkenvann stop wegens de weeromstandigheden daar een week vastgezeten  stop gezien de foutieve landingsplaats veel uitrusting moeten achterlaten  stop  aanval gestart op 28-2-43 om 00.45 uur  stop  zwaar-water destillatie fabriek totaal verwoest  stop  iedereen present  stop  geen gevechten’  sluiten
       

Omdat Haugland zich van de rest van de groep had afgescheiden wist men in Londen niet wat de situatie was en men vreesde zo langzamerhand het ergste.. De groep arriveerden om acht uur
’s avons in Skrykken en zij begonnen daar meteen hun lange mars naar Zweden te plannen. Haugland en Skinnerland waren al bij de Skrykken langs geweest om hun deel van de voorraden op te halen, Skinnerland zou de taak van marconist voor de Swallow groep van Haugland overnemen  en Haugland zou gaan proberen om nog meer informatie te verzamelen en contacten te leggen met andere verzetsgroepen en die ook verder opleiden. Maar eerst moesten beiden onderduiken tot de Nazi’s hun jacht op de saboteurs zouden staken.
Vijf leden van de Gunnerside groep - R
ønneberg, Idland, Kayser, Strømsheim en Storhaug waren van plan de 4oo kilometer trip naar Zweden in 10 dagen te doen, mits het weer het toestond  Haukelid en Kjelstrup zouden op de Hardangervidda blijven, Poulsson en Helberg waren van plan eerst naar Oslo te gaan om daarna te besluiten wat zij zouden gaan doen. Terwijl de diversen groepen zich aan het voorbereiden waren om te vertrekken was er van Helberg geen spoor te bekennen en zij begonnen zich zorgen over hem te maken terwijl de storm voort raasde. De groep die naar Zweden zou uitwijken was van plan om de trip  zoveel mogelijk op ski’s af te leggen. Men zou in uniform reizen, mocht men enige tegenstand tegen komen dan zouden zij zich een weg naar de vrijheid vechten. Bij het bereiken van de grens zou de groep zich opdelen in kleine groepjes en zich aan de Zweedse autoriteiten overgeven alvorens men zich eerst van alle wapens en uitrusting had ontdaan.
                                    
Op de ochtend van de 4e maart namen Rønneberg Kayser, Idland, Storhaug en Strømsheim afscheid van de anderen en begonnen aan hun trektocht door de bevroren wereld.
Later zouden zij ervaren dat het echte avontuur nu pas echt begonnen was.

( volgend hoofdstuk )
foto: ejmyrvang@flickr.com
foto: Mads Elbertsen, Rjukan.
Geslaagde ontsnapping
weggum.com