FERDINAND AUS DER FUNTEN.
Ferdinand Hugo (Ferdy) aus der Fünten (Mülheim an der Ruhr, 17 december 1909 – Duisburg, 19 april 1989) was een ter dood veroordeelde Duitse oorlogsmisdadiger die tijdens de Tweede Wereldoorlog de feitelijke leiding gaf aan de deportatie van tienduizenden Joden, met name vanuit Amsterdam. Tevens was hij betrokken bij talrijke razzia's. Hij behoorde tot de Vier van Breda, nadien de Drie en de Twee van Breda. Hij zat na gratie een levenslange gevangenisstraf uit voor oorlogsmisdaden en werd in januari 1989 vrijgelaten.
Aus der Fünten was de op een na jongste in een gezin met vier kinderen. Na de lagere school richtte hij zich op het koopmansvak in de textielbranche. Hij werkte bij meerdere winkelbedrijven, voordat hij na een faillissement in 1931 werkloos werd. Een jaar later sloot hij zich aan bij de NSDAP. Eveneens in 1932 meldde hij zich als vrijwilliger bij de SS, naar eigen zeggen, omdat hem een positie als schrijver was toegezegd. In 1938 werd hij bevorderd tot officier.
Voordat hij naar Nederland werd uitgezonden, was hij Verwaltungsführer bij de Keulse Sicherheitsdienst. Als SS'er was hij tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland betrokken bij de deportatie van Joden naar de concentratie- en vernietigingskampen in Duitsland en bezet Polen, doordat hij in 1941 als Hauptsturmführer, vergelijkbare Nederlandse rang: kapitein, de informele leiding kreeg over het bureau dat deze deportatie moest uitvoeren, de Zentralstelle für jüdische Auswanderung (vertaald: Centraal bureau voor Joodse emigratie). Naar eigen zeggen was hij in september 1941 in Nederland komen werken om als Verwaltungsführer meteen de leiding te krijgen over het administratieve gedeelte van de Zentralstelle für jüdische Auswanderung. Later kreeg hij er de administratieve leiding over de samenstelling van de kartotheek. Volgens Aus der Fünten kreeg hij steeds meer werkzaamheden, totdat hij uiteindelijk de informele leiding over het bureau kreeg. Officieel was hij toen plaatsvervangend chef. Hij woonde vlakbij de Zentralstelle, in de Rubensstraat. Tijdens zijn eerste proces vertelde Aus der Fünten dat hij tot mei 1944 bij dit bureau werkzaam bleef.
Aus der Fünten was betrokken bij talrijke razzia's van Joden in de stad Amsterdam, die vervolgens op transport werden gesteld naar Kamp Westerbork om vandaar doorgezonden te worden naar concentratie- en vernietigingskampen in Duitsland en bezet Polen. Hij had verder onder meer de leiding bij de voorbereiding en uitvoering van de deportatie naar Kamp Westerbork of rechtstreeks naar Auschwitz van alle of vrijwel alle Joodse patiënten en Joods personeel van onder meer De Joodse Invalide, het Portugees Israëlitisch Ziekenhuis, het Nederlands Israëlitisch Ziekenhuis, het Joodse bejaardenhuis de Wertheimstichting en van de Joodse psychiatrische inrichting Het Apeldoornsche Bosch. Vrijwel iedereen werd uiteindelijk op gruwelijke wijze om het leven gebracht of overleed aan ontberingen. In mei 1943 stelde Aus der Fünten in Kamp Westerbork meerdere Joden die met niet-Joden getrouwd waren voor de keus om sterilisatie te ondergaan of gedeporteerd te worden naar Polen, bij de laatste de woorden toevoegend: 'En u weet wat dat betekent', wat velen deed geloven dat hun daar dan de dood wachtte. De meesten lieten zich daarop - tegen hun wil - steriliseren.
Na afloop van de oorlog werd Aus der Fünten opgepakt en voor het Amsterdamse Bijzonder Gerechtshof gebracht. Hij bracht in zijn verdediging naar voren dat hij slechts bevelen had opgevolgd en dat hij er niet bekend mee was geweest dat de meeste gedeporteerden een zekere dood tegemoet gingen. Op 27 december 1949 werd hij tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld. Het Hof oordeelde dat Aus der Fünten zijn daden had verricht als onderdeel van zijn dienstbetrekking bij het Duitse leger, maar dat niet bewezen was dat hij kennis had van wat de gedeporteerden elders precies te wachten stond. Wel had hij bij de uitoefening van zijn functie grote onbarmhartigheid getoond. Tevens werd hem verweten dat hij minderen de kans had gegeven om eveneens oorlogsmisdaden te begaan. Enige clementie kreeg hij voor het gegeven dat hij volgens het Hof in opdracht handelde. Een en ander werd als volgt op papier gesteld:
Aus der Fünten heeft een groot practisch aandeel genomen in de tenuitvoerlegging van de onmenselijke maatregelen tot vervolging en deportatie der Joden in Nederland, speciaal in Amsterdam, door de Duitse bezettende macht getroffen; hij heeft er alzo toe medegewerkt dat tienduizenden en tienduizenden Nederlandse burgers van Joodse afkomst zijn opgespoord, bijeengedreven en hun ongeluk tegemoet gevoerd naar het kamp Westerbork en van daar naar de vernietigingskampen in Auschwitz, Sobibor, Birkenau e.a.;
Aus der Fünten heeft hierbij grote onbarmhartigheid aan de dag gelegd, en er bestaat geen twijfel of hij heeft begrepen, dat terwijl hij de ongelukkige Joden aanbracht en overgaf, mannen en vrouwen, maar ook ouden van dagen, jonge kinderen en zieken, hij daarmee voor hen een rampzalige toekomst hielp openen, al wist hij niet in bijzonderheden, welke duivelse maatregelen hen daar wachtten;
zowel zijn houding aan de Zentralstelle für Jüdische Auswanderung te Amsterdam, als bij de razzia's aldaar, te Rotterdam en Den Haag, de ontruiming van de verschillende gestichten en van het Israëlitisch krankzinnigengesticht Apeldoornse Bos, behoren tot de vreselijkste schanddaden van Duitse zijde in Nederland bedreven, waarbij Aus der Fünten ook persoonlijk gevoelloze hardheid en initiatief heeft betoond;
hem moet derhalve een der zwaarste straffen worden opgelegd, waarover het Hof krachtens de wet beschikt;
dat hem daarbij niet de doodstraf wordt opgelegd vindt zijn reden hierin, dat naar 's Hofs bevinding de opperste en doorslaggevende verantwoordelijkheid voor de onmenselijke maatregelen tegen de Nederlandse burgers van Joodse afkomst gelegen heeft bij de hogere machthebbers, de Jodenverdelging najagende als een algemeen stelsel Rauter en de kring van de Befehlhaber der Sicherheitspolizei in Den Haag, terwijl hij zelf zich door deze leiding heeft laten gebruiken als een inderdaad veel te dienstijverig en meedogenloos instrument, zeer wel wetende wat hij deed en misdeed, maar toch in actie gehouden door degenen, die in hogere bureaux gezeten de afschuwelijke plannen uitbroedden en doorgaven en een figuur als Aus der Fünten voor de volle jammer van de tenuitvoerlegging lieten opkomen;
hen treft derhalve een veel zwaardere aansprakelijkheid dan die van de ondergeschikte in de eigenlijke zin van het woord, maar aan de andere kant wordt zijn aansprakelijkheid in zekere zin begrensd door de niets ontziende, steeds doordrijvende leiding van de hoogstgeplaatsten;
op grond van deze overwegingen is het rechtvaardig hem de levenslange gevangenisstraf op te leggen...
Aus der Fünten berustte in zijn strafoplegging, maar het Openbaar Ministerie ging in cassatie en op 12 juli 1950 kreeg hij alsnog de doodstraf. Dat hij in opdracht handelde, deed volgens de Bijzondere Raad van Cassatie niet af aan de ernst van zijn wandaden. Tevens werd hem verweten dat hij wel degelijk weet zou hebben gehad van de uitroeiingspolitiek ten aanzien van Joden. Er werd verder gevonnist dat Aus der Fünten zijn misdrijven niet had begaan in krijgsdienst, maar in staatsdienst, dus als civiel ambtenaar, ook al was hij lid van de SS. Het doodvonnis werd als volgt gemotiveerd:
... ook al zijn er hier te lande hoger geplaatste Duitse functionarissen werkzaam geweest, op wie voor het gebeurde een nog zwaardere algemene verantwoordelijkheid rust, dit niet voldoenden grond oplevert om de doodstraf te zwaar te achten voor een man als gerequireerde, die bij de duivelse vervolging van Joodse Nederlanders, onder wie ouden van dagen, kinderen, zieken en krankzinnigen, op zo stuitende wijze persoonlijk een rol heeft gespeeld; dat gerequireerde blijkens zijn daden en blijkens zijn vele uitlatingen een ontstellende onbarmhartigheid en gevoelloosheid jegens zijn slachtoffers heeft betoond, te afschuwelijker, omdat hij blijkens de overvloedige gegevens, die in de sententie vervat zijn, bekend is geweest met de uitroeiingspolitiek van zijn Regering tegenover de Joden en daarmede heeft ingestemd; dat ook overigens de harteloosheid van gerequireerde op zo overtuigende wijze en in zovele opzichten is gebleken, dat de Raad tot geen andere slotsom kan komen ....
Omdat koningin Juliana grote gewetensbezwaren had tegen deze straf en gratie verleende, werd het doodvonnis op 15 januari 1951 toch weer omgezet in een levenslange gevangenisstraf.
Aus der Fünten moest zijn straf in de koepelgevangenis van Breda uitzitten. Op 7 november 1952 werd hij met de andere Duitse oorlogsmisdadigers Franz Fischer en Joseph Kotalla vanuit de gevangenis van Norgerhaven in Veenhuizen naar Breda overgebracht. Hij kon er goed overweg met de oudste kok, die hem stimuleerde zich voor het keukenwerk te interesseren en werd gevraagd een interne koksopleiding te volgen. Hij slaagde voor het koksdiploma en kookte sindsdien dagelijks, zeven dagen per week, voor de gevangenen en zette thee en koffie voor hen. Op zijn 75ste werd hij om medische redenen door de directie gedwongen met zijn keukenwerk te stoppen. Daarna vulde hij zijn dagen met een verblijf in de cel, afgewisseld met vele wandelingen op de binnenplaats en het beantwoorden van zijn uitvoerige correspondentie.
Aus der Fünten had als hobby schilderen en kreeg in de koepelgevangenis les van de in Breda bekende schilder Jan Strube. Het schildersmateriaal werd voor hem uit West-Duitsland meegenomen door zijn echtgenote. Toen zijn ogen te slecht werden, was hij gedwongen met deze liefhebberij te stoppen.
Niet alleen in Breda, maar ook elders in Nederland bevonden zich oorlogsmisdadigers in gevangenschap. Allen, op vier na, werden begin jaren zestig vrijgelaten. De vier overgeblevenen – naast Aus der Fünten waren dat Franz Fischer, Joseph Kotalla en Willy Lages – verbleven in de koepelgevangenis van Breda en werden om die reden in de wandelgangen aangeduid als de Vier van Breda. Nadat Lages in 1966 was vrijgelaten, sprak men van de Drie van Breda. In de jaren zeventig wilde toenmalig minister van Justitie Dries van Agt hen vrijlaten, maar dit stuitte op zoveel weerstand dat hij daarvan afzag. Nadat in 1979 Kotalla was overleden, sprak men nog van de Twee van Breda.
Halverwege de jaren zeventig onderging Aus der Fünten een longoperatie. Ook verliet hij de gevangenis om in het nabijgelegen Ignatiusziekenhuis de oogarts te bezoeken vanwege zijn staar. Gebeurde dat eerst per taxi, later liep hij de korte afstand onder begeleiding van een bewaarder. Ook liep hij korte afstanden zonder zichtbare begeleiding. Eind maart 1987 werd hij daarbij gefotografeerd door een persfotograaf, wat de media haalde. Sindsdien werden de veiligheidsnormen verscherpt. Aus der Fünten kreeg ook last van spataderen en moest steunkousen gaan dragen. Vocht hoopte zich op in vooral zijn benen, maar geestelijk bleef hij helder.
Uiteindelijk werden Aus der Fünten en Fischer toch nog tamelijk onverwacht in vrijheid gesteld en wel door een beslissing van minister van Justitie Frits Korthals Altes op 27 januari 1989. De Tweede Kamer had even daarvoor een motie verworpen om de vrijlating niet door te laten gaan. Op dezelfde dag werden beiden tot 'persona non grata' verklaard en verordonneerd het land te verlaten. Aus der Fünten en Fischer werden die dag per ambulance en onder politiebegeleiding naar de grens ten noorden van Venlo gebracht. De echtgenote van Aus der Fünten leefde nog bij zijn vrijlating en was toen 79 jaar. Het echtpaar had een zoon en een dochter. Aus der Fünten ging bij zijn zoon in Duisburg wonen, maar na bedreigingen dook hij na enkele weken onder in een verzorgingstehuis. Tweeëntachtig dagen na zijn vrijlating overleed Aus der Fünten in West-Duitsland op 79-jarige leeftijd aan een hersenbloeding. Bron: Wikipedia.
Ferdinand Hugo aus der Fünten (17 December 1909 – 19 April 1989), widely known as Fünten, was an SS-Hauptsturmführer and head of the Central Office for Jewish Emigration in Amsterdam during the Second World War. He was responsible for the deportation of Jews from the Netherlands to the German concentration camps and was convicted as a war criminal.
A native of Mülheim in the Ruhr, in the early years of Nazi Germany Fünten was employed in the Jewish section of the Reich Security Main Office, under the command of Adolf Eichmann. After the occupation of the Netherlands by German troops, Fünten became head of the Central Office for Jewish Emigration in Amsterdam. In this capacity, he was subordinate to the commander of the Sicherheitspolizei and the SD in The Hague. As head of the Central Office for Jewish Emigration, he organized the registration and arrest of Dutch Jews. Those arrested were taken to the Westerbork transit camp and deported to concentration and extermination camps in German-occupied Poland. Among those deported were sick and insane Jews from Amsterdam and Apeldoorn. Fünten threatened Jews who had married non-Jews with deportation, in order to force their sterilization. He held the rank of Hauptsturmführer in the SS in 1941.
After the war, Fünten was brought to trial for war crimes and on 12 July 1950 was sentenced to death by the Netherlands. His sentence was commuted to life in prison on 4 January 1951 due to Queen Juliana's refusal to sign his death warrant. He was imprisoned at Breda Prison with Willy Lages, Joseph Kotalla, and Franz Fischer as one of "The Breda Four", the only German war criminals of the Second World War to be imprisoned in the Netherlands. Lages was released in 1966 due to serious illness, dying in 1971. Kotälla died in prison in 1979.
During the 1960s, discussions started about whether the remaining prisoners should be set free, since the "Breda Four" were the only German war criminals still in captivity in the Netherlands. Politicians who favoured releasing them were met with staunch opposition from the people of the Netherlands. In 1988, the Dutch government under Prime Minister Ruud Lubbers decided to release Fischer and Fünten. The news led to mass demonstrations against the decision and to emotional debates. However, the two men were released on 27 January 1989 and deported to Germany. On 19 April 1989, shortly after his release, Ferdinand aus der Fünten died at Duisburg. Source: Wikipedia.
Hellmuth Reinhardt (Unterwerschen, 24 juli 1911 – Heidelberg, 28 oktober 2002) was een Duitse jurist die een belangrijke rol speelde bij de Jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij stond aan het hoofd van de Gestapo in Noorwegen en gaf gedurende korte tijd leiding aan de Zentralstelle für jüdische Auswanderung in Amsterdam.
Reinhard werd geboren als Hermann Gustav Hellmuth Patzschke in de Pruisische provincie Saksen. Zijn familie verhuisde in 1913 naar Leipzig. Hij bezocht aldaar het König-Albert-Gymnasium. Na de middelbare school studeerde hij rechts- en staatswetenschappen aan universiteiten in Wenen, Berlijn en Leipzig.
Op jonge leeftijd voelde Reinhard zich al aangesproken door het nationaalsocialisme. In 1929 was hij al aangesloten bij de Hitlerjeugd. In de eerste helft van 1933 sloot hij zich aan bij zowel de SS als de NSDAP. In 1934 vond hij werk bij de Sicherheitsdienst. Zijn achternaam veranderde hij in april 1939 naar Reinhard vanwege de Germaanse klank.
Na de uitbraak van de Tweede Wereldoorlog werd Reinhard in Praag gestationeerd bij de RSHA. Vanaf augustus 1941 stond hij korte tijd aan het hoofd van de Zentralstelle für jüdische Auswanderung in Amsterdam. Hij trad echter agressief op tegen de voorzitters van de Joodsche Raad en maakte tegelijkertijd ruzie met Hans Böhmcker, die onder Arthur Seyss-Inquart was aangesteld als de Duitse vertegenwoordiger in Amsterdam. Reinhard moest daarom snel het veld ruimen en werd vervangen door Ferdinand aus der Fünten, die hij nog had ingewerkt, en Willy Lages.
Na zijn vertrek uit Nederland maakte Reinhard een paar maanden deel uit van Einsatzgruppe C. In januari 1942 werd hij benoemd tot hoofd van de Gestapo in Noorwegen. Hij was in die functie medeverantwoordelijk voor de deportatie van ten minste 532 Noorse Joden naar concentratiekamp Auschwitz.
Reinhard werd in februari 1945 overgeplaatst naar Reichenberg in Sudetenland waar hij het waarnemend hoofd was van de plaatselijke Gestapo. Tegen het einde van de oorlog dook hij onder in Sleeswijk-Holstein en nam zijn geboortenaam weer aan. Nadat hij was dood verklaard in 1951 hertrouwde hij met zijn "weduwe". Het echtpaar woonde in Baden-Württemberg. Reinhard stond aan het hoofd van een gespecialiseerde juridische uitgeverij.
Vanuit Noorse zijde werd herhaaldelijk aangedrongen op Reinhards opsporing, maar zijn doodverklaring bemoeilijkte dat. Uiteindelijk werd een gevonden aantekening van zijn naamsverandering naar Reinhard hem noodlottig. In december 1964 werd hij door de Duitse autoriteiten gearresteerd.
De rechtbank in Hamburg veroordeelde Reinhard in 1967 tot een gevangenisstraf van vijf jaar wegens zijn betrokkenheid bij de deportatie van de Noorse Joden. In 1970 werd hij echter volledig vrijgesproken omdat volgens de rechtbank van Karlsruhe Reinhard in 1942 nog niet kon weten wat hun lot zou zijn. In 1967 werd Reinhard veroordeeld omdat hij hulp zou hebben verleend bij een executie van vier Noorse verzetsstrijders en de moord op een hoteleigenaar. In hoger beroep werd hij ook in dit geval vrijgesproken. In totaal zat Reinhard vier jaar vast. Bron: Wikipedia.
Hellmuth Reinhardt (Unterwerschen, 24 July 1911 – Heidelberg, 28 October 2002) was a German jurist who played an important role in the persecution of Jews during the Second World War. He headed the Gestapo in Norway and briefly led the Zentralstelle für jüdische Auswanderung in Amsterdam.
Reinhardt was born as Hermann Gustav Hellmuth Patzschke in the Prussian Province of Saxony. His family moved to Leipzig in 1913, where he attended the König-Albert-Gymnasium. After secondary school, he studied law and political science at universities in Vienna, Berlin, and Leipzig.
At a young age, Reinhardt was already attracted to National Socialism. In 1929, he joined the Hitler Youth. During the first half of 1933, he became a member of both the SS and the Nazi Party (NSDAP). In 1934, he found employment with the Sicherheitsdienst (SD). In April 1939, he changed his surname to Reinhardt because of its more Germanic sound.
After the outbreak of the Second World War, Reinhardt was stationed in Prague with the Reich Main Security Office (RSHA). From August 1941 onward, he briefly headed the Zentralstelle für jüdische Auswanderung in Amsterdam. However, he acted aggressively toward the chairmen of the Joodsche Raad (Jewish Council) while simultaneously quarreling with Hans Böhmcker, who had been appointed by Arthur Seyss-Inquart as the German representative in Amsterdam. Reinhardt was therefore quickly forced to step down and was replaced by Ferdinand aus der Fünten — whom he himself had trained — and Willy Lages.
After leaving the Netherlands, Reinhardt spent several months as part of Einsatzgruppe C. In January 1942, he was appointed head of the Gestapo in Norway. In that position, he was partly responsible for the deportation of at least 532 Norwegian Jews to the Auschwitz concentration camp extermination camp.
In February 1945, Reinhardt was transferred to Reichenberg in the Sudetenland, where he served as acting head of the local Gestapo. Toward the end of the war, he went into hiding in Schleswig-Holstein and resumed using his birth name. After being legally declared dead in 1951, he remarried his own “widow.” The couple lived in Baden-Württemberg, where Reinhardt managed a specialized legal publishing company.
Norwegian authorities repeatedly pressed for Reinhardt to be traced, but his official declaration of death complicated the search. Ultimately, a discovered record of his name change to Reinhardt led to his downfall. In December 1964, he was arrested by German authorities.
In 1967, the court in Hamburg sentenced Reinhardt to five years’ imprisonment for his involvement in the deportation of Norwegian Jews. However, in 1970 he was fully acquitted because, according to the Karlsruhe court, Reinhardt could not have known in 1942 what their fate would be. In 1967, Reinhardt was also convicted of assisting in the execution of four Norwegian resistance fighters and the murder of a hotel owner. On appeal, he was acquitted in this case as well. In total, Reinhardt spent four years in prison.
Hans Böhmcker (Bad Schwartau, 6 november 1899 - 18 oktober 1942) was een nationaalsocialistische senator in Lübeck en onder de Rijkscommissaris voor het bezet Nederland Arthur Seyss-Inquart vertegenwoordiger van het Duitse Rijk voor Amsterdam.
Böhmcker was een zoon van een advocaat in de buurt van Lübeck. De latere nationaalsocialistische burgemeester van Bremen, Johann Heinrich Böhmcker, was zijn neef. Na de Eerste Wereldoorlog studeerde hij rechten aan de Georg-August-universiteit en was lid van het Korps Brunsviga Göttingen.
Hij studeerde af als jurist en werd vervolgens rechter in Lübeck. Begin 1933 werd hij lid van de NSDAP en op 8 juni 1933 werd hij benoemd tot senator van Justitie.
Van 1940 tot 1942 werkte Böhmcker onder de Rijkscommissaris voor Nederland Seyss-Inquart. Böhmcker trad op als vertegenwoordiger van het Duitse Rijk voor de stad Amsterdam. Zijn kantoor was het gebouw waarin nu het Consulaat-Generaal van de Verenigde Staten gehuisvest is. Böhmcker was verantwoordelijk voor de uitvoering van alle anti-Joodse maatregelen in het kader van het Joods vraagstuk. Hij implementeerde ook de registratie van de Joden en beval op 12 februari 1941 de oprichting van de Joodse Raad voor Amsterdam. Op 2 oktober 1941 schreef Böhmcker aan zijn superieur Seyss-Inquart: "Dankzij de verordening 6/41, hebben we nu alle Nederlandse joden in de zak." In september 1941 waren 140.000 Joden geregistreerd. Böhmcker werd echter nog voor de eerste structurele deportaties van Joden in Nederland in juli 1942 teruggeroepen om in Lübeck burgemeester te worden. Na een rel over corruptie - zijn vrouw had gelden ontvreemd van de nazi-instelling NSV toen hij in Nederland werkzaam was - pleegde hij in oktober 1942 zelfmoord. Bron: Wikipedia.
Hans Böhmcker (Bad Schwartau, 6 November 1899 – 18 October 1942) was a National Socialist senator in Lübeck and, under Reich Commissioner Arthur Seyss-Inquart, served as the representative of the German Reich for Amsterdam in the occupied Netherlands.
Böhmcker was the son of a lawyer from the Lübeck area. The later National Socialist mayor of Bremen, Johann Heinrich Böhmcker, was his cousin. After the First World War, he studied law at the Georg August University of Göttingen and was a member of the student corps Brunsviga Göttingen.
After graduating in law, he became a judge in Lübeck. In early 1933, he joined the Nazi Party (NSDAP), and on 8 June 1933 he was appointed Senator of Justice.
From 1940 to 1942, Böhmcker worked under Seyss-Inquart in the occupied Netherlands. He acted as the representative of the German Reich for the city of Amsterdam. His office was located in the building that now houses the U.S. Consulate General. Böhmcker was responsible for implementing all anti-Jewish measures relating to the so-called “Jewish Question.” He also introduced the registration of Jews and, on 12 February 1941, ordered the establishment of the Jewish Council for Amsterdam.
On 2 October 1941, Böhmcker wrote to his superior Seyss-Inquart:
“Thanks to Regulation 6/41, we now have all Dutch Jews in our pocket.”
By September 1941, 140,000 Jews had been registered. However, Böhmcker was recalled before the first systematic deportations of Jews from the Netherlands began in July 1942, in order to become mayor of Lübeck. Following a scandal involving corruption — his wife had embezzled funds from the Nazi welfare organization NSV while he was working in the Netherlands — he committed suicide in October 1942. Source: Wikipedia.
De Zentralstelle für jüdische Auswanderung (letterlijke vertaling 'Centraal bureau voor Joodse emigratie') in Amsterdam organiseerde vanaf het voorjaar van 1941 tot het najaar van 1943 de deportatie van Joden uit Nederland naar concentratiekampen in Duitsland en Polen.
De Nederlandse Zentralstelle werd op bevel van Reinhard Heydrich, op verzoek van Arthur Seyss-Inquart, opgericht. De oprichting werd nooit officieel afgekondigd; pas in augustus 1941 beschikte de Zentralstelle over eigen briefpapier. Jacques Presser was van mening dat zij:
zou dienen als model voor de oplossing van de Jodenkwestie (die Endlösung der Judenfrage) in alle Europese staten die onder Duits bewind stonden. Naast de Zentralstelle in Amsterdam bestonden er reeds gelijknamige instellingen in Wenen en Praag.
De Zentralstelle kreeg drie taken toegewezen:
de Erfassung sämtlicher Juden;
de Überwachung des jüdischen Lebens;
de zentrale Steuerung der Auswanderung.
Spoedig na de oprichting werd de leiding over de Zentralstelle door dr. Wilhelm Harster, Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD, in handen gelegd van Willy Lages. De tweede man van de Zentralstelle was Ferdinand aus der Fünten. Lages verving Hellmuth Reinhard die al snel moest vertrekken omdat hij niet alleen agressief optrad richting leden van de Joodsche Raad, maar ook ruzie maakte met zijn meerdere. De Zentralstelle begon pas op grote schaal activiteiten te ontplooien na de openbaarmaking op 15 september 1941 van de Anordnung über das Auftreten von Juden in der Öffentlichkeit, uitgevaardigd door Hanns Albin Rauter. Op 3 februari 1942 werd de opdracht aan de Zentralstelle gewijzigd, deze luidde toen:
die Steuerung des jüdischen Lebens (Befehlsausgabe an den Judenrat, jüdische Organisationen, Schulung, Fürsorge, Arbeitseinsatz, Wochenblatt)
die Durchführung der Anordnung über das Auftreten der Juden in der Öffentlichkeit (Bestimmung örtlicher und zeitlicher Beschränkungen im einzelnen, Überwachung der Kennzeichnung, Zulassung zu öffentlichen Einrichtungen und Veranstaltungen, Umzugsgenehmigungen)
die Vorbereitung der Endlösung (Durchschleusung durch die Zentralstelle für jüdische Auswanderung, Umsiedlungsaktionen, Lager Westerbork, Vorbereitung der Aussiedlung)
Met deze opdracht werd de Zentralstelle tot het belangrijkste apparaat van de Jodenvervolgingen in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hoewel verbonden aan de in de Euterpestraat gevestigde Aussenstelle van de Sicherheitspolizei und SD, waren haar kantoren gevestigd in de daartegenover liggende school aan het Adama van Scheltemaplein.
De opsporing en uitvoering van de Duitse maatregelen tegen de Joodse bevolking in Amsterdam werd op 1 juni 1942 in handen gegeven van Bureau Joodsche Zaken, dat werkzaam bleef tot aan 8 mei 1943 toen het merendeel van de Joden reeds waren gedeporteerd.
Tijdens zijn proces vertelde Aus der Fünten dat hij acht tot tien Duitse militairen onder zich had, ongeveer twaalf civiele Duitsers en
zestig tot tachtig Nederlanders. Allen werkten op het bureau. Bron: Wikipedia.
The Zentralstelle für jüdische Auswanderung (literally translated as “Central Office for Jewish Emigration”) in Amsterdam organized the deportation of Jews from the Netherlands to concentration camps in Germany and Poland from the spring of 1941 until the autumn of 1943.
The Dutch Zentralstelle was established on the orders of Reinhard Heydrich, at the request of Arthur Seyss-Inquart. Its establishment was never officially proclaimed; it was not until August 1941 that the Zentralstelle even had its own letterhead. Historian Jacques Presser believed that it:
“was intended to serve as a model for the solution of the Jewish Question (die Endlösung der Judenfrage) in all European states under German rule. In addition to the Zentralstelle in Amsterdam, similarly named institutions already existed in Vienna and Prague.”
The Zentralstelle was assigned three tasks:
die Erfassung sämtlicher Juden (“the registration of all Jews”)
die Überwachung des jüdischen Lebens (“the supervision of Jewish life”)
die zentrale Steuerung der Auswanderung (“the central coordination of emigration”)
Soon after its establishment, the leadership of the Zentralstelle was entrusted by Dr. Wilhelm Harster, commander of the Sicherheitspolizei and the SD, to Willy Lages. The second-in-command of the Zentralstelle was Ferdinand aus der Fünten. Lages replaced Hellmuth Reinhard, who was soon forced to leave because he not only behaved aggressively toward members of the Joodsche Raad (Jewish Council), but also quarreled with his superior.
The Zentralstelle only began operating on a large scale after the publication, on 15 September 1941, of the Anordnung über das Auftreten von Juden in der Öffentlichkeit (“Regulation concerning the conduct of Jews in public”), issued by Hanns Albin Rauter. On 3 February 1942, the mandate of the Zentralstelle was revised as follows:
die Steuerung des jüdischen Lebens (issuing orders to the Jewish Council, Jewish organizations, education, welfare, labor deployment, weekly bulletin)
die Durchführung der Anordnung über das Auftreten der Juden in der Öffentlichkeit (determining local and temporal restrictions in detail, supervising identification measures, regulating access to public institutions and events, granting moving permits)
die Vorbereitung der Endlösung (processing through the Zentralstelle für jüdische Auswanderung, resettlement operations, Westerbork camp, preparation for deportation) Endlösung = final solution, the extermination of Jewish people.
With this mandate, the Zentralstelle became the principal instrument of the persecution of Jews in the Netherlands during the Second World War. Although connected to the Aussenstelle of the Sicherheitspolizei and SD located on Euterpestraat, its offices were housed in the school building directly opposite, at Adama van Scheltemaplein.
The detection and enforcement of German measures against the Jewish population in Amsterdam were entrusted on 1 June 1942 to the Bureau Joodsche Zaken (“Jewish Affairs Bureau”), which remained active until 8 May 1943, by which time the majority of the Jews had already been deported.
During his trial, Aus der Fünten stated that he had eight to ten German military personnel under his command, approximately twelve German civilians, and between sixty and eighty Dutch employees. All worked at the bureau. Source: Wikipedia.
Karl Josef Silberbauer (Wenen, 21 juni 1911 – aldaar, 2 september 1972) was een Oostenrijkse politiefunctionaris en SS'er. Hij kwam als Oberscharführer naar Amsterdam, waar hij verder opklom tot Hauptscharführer.
Na de Anschluss ging hij in 1939 bij de Gestapo werken en vanaf 1943 was hij in Nederland bij de Sicherheitsdienst (SD) werkzaam.
Hij is de man die na het verraad van de onderduikers in het Achterhuis de arrestatie van de onderduikers leidde, in opdracht van Obersturmführer Julius Dettmann. Hij was afkomstig uit Oostenrijk: Miep Gies herkende zijn Weense accent. Anne Frank en haar familie, de andere onderduikers en twee helpers (Victor Kugler – in het dagboek van Anne Frank ook bekend als Kraler – en Johannes Kleiman – in het dagboek van Anne Frank ook bekend als Koophuis) werden afgevoerd. Het dagboek is door Miep Gies bewaard. Zij heeft het na de oorlog aan Otto Frank overhandigd, de enige overlevende van de familie Frank. Otto Frank zou geen wraakgevoelens hebben gekoesterd jegens Silberbauer en noemde hem uit privacy-overwegingen zelfs 'Silberthaler'.
In april 1945 keerde Silberbauer naar Wenen terug en zat veertien maanden gevangen; niet wegens zijn hulp bij de deportatie van joden, maar om mishandeling van communisten tijdens een verhoor. Hij werd in 1954 opgenomen in het politiekorps. Hij was tegelijk spion voor de West-Duitse geheime dienst Bundesnachrichtendienst.
In 1963 werd Silberbauer in Wenen aangehouden, na twee jaar onderzoek door de Oostenrijkse speurder Simon Wiesenthal; zonder steun van Otto Frank. Wiesenthal had in 1958 besloten hem te gaan zoeken, om de twijfel van Holocaustontkenners te ontkrachten. In 1964 werd zijn strafvervolging gestaakt met als reden dat hij slechts op bevel had gehandeld. De getuigenverklaring van Otto Frank, dat Silberbauer zich bij de arrestatie van de familie Frank 'uit de hoogte' maar wel correct had gedragen, was daarvoor mede aanleiding. Vanaf 1965 keerde hij terug bij de politie, waar hij tot zijn pensionering vooral ondersteunende diensten bij de opsporing van misdadigers verleende. De Oostenrijkse auteur Melissa Müller schreef in Anne Frank - De Biografie ook over Karl Silberbauer. Bron: Wikipedia.
Karl Josef Silberbauer (Vienna, 21 June 1911 – Vienna, 2 September 1972) was an Austrian police officer and SS member. He arrived in Amsterdam with the rank of Oberscharführer, where he later rose to the rank of Hauptscharführer.
After the Anschluss, he joined the Gestapo in 1939, and from 1943 onward he worked in the Netherlands for the Sicherheitsdienst (SD).
He was the man who, following the betrayal of the people hiding in the Secret Annex, led the arrest of the occupants on the orders of Obersturmführer Julius Dettmann. He was originally from Austria: Miep Gies recognized his Viennese accent. Anne Frank and her family, the other people in hiding, and two helpers (Victor Kugler — referred to in Anne Frank’s diary as “Kraler” — and Johannes Kleiman — referred to in the diary as “Koophuis”) were taken away. The diary was preserved by Miep Gies, who handed it over after the war to Otto Frank, the only surviving member of the Frank family. Otto Frank reportedly harbored no feelings of revenge toward Silberbauer and, out of concern for privacy, even referred to him as “Silberthaler.”
In April 1945, Silberbauer returned to Vienna and was imprisoned for fourteen months — not because of his role in the deportation of Jews, but for mistreating communists during an interrogation. In 1954, he was admitted to the police force. At the same time, he also worked as a spy for the West German intelligence service, the Bundesnachrichtendienst.
In 1963, Silberbauer was arrested in Vienna after a two-year investigation by the Austrian Nazi hunter Simon Wiesenthal, carried out without the support of Otto Frank. Wiesenthal had decided in 1958 to track him down in order to counter the doubts raised by Holocaust deniers. In 1964, the prosecution against him was dropped on the grounds that he had merely acted under orders. A witness statement by Otto Frank, stating that Silberbauer had behaved “condescendingly” but correctly during the arrest of the Frank family, contributed to this decision. From 1965 onward, he returned to the police force, where until his retirement he mainly provided support services in criminal investigations. The Austrian author Melissa Müller also wrote about Karl Silberbauer in the book Anne Frank: The Biography. Source: Wikipedia.
De Colonne Henneicke, was een onderdeel van de Hausraterfassungsstelle, een Nederlandse afdeling, dat onder toezicht stond van de Zentralstelle für jüdische Auswanderung in Amsterdam en tot doel had gestolen joodse inboedels naar Duitsland af te voeren. Het bestond uit een groep Nederlandse nazi-collaborateurs die actief waren als premiejagers in de periode tussen maart en oktober 1943. De groep bestond uit ruim vijftig Nederlanders die tegen betaling jacht maakten op Joodse onderduikers. De groep stond onder leiding van Wim Henneicke. In het halve jaar dat de organisatie bestond was deze verantwoordelijk voor de deportatie van acht- tot negenduizend personen. Op 30 september 1943 werd de organisatie opgeheven, officieel omdat Amsterdam Judenfrei was, maar ook omdat de chef van de Sicherheitsdienst, Willy Lages, zich aan het ongedisciplineerde gedrag van de leden ergerde.
In het najaar van 1947 werd in Amsterdam in een kelder van het perceel Prof. Tulpstraat 19 (Hoofdsynagoge Nederlands Israelitische Gemeente) een grote partij documenten gevonden, De documenten waren van verschillende zijden aan de Prof. Tulpstraat 19 toegezonden, zonder opgave van de herkomst, en waren opgeborgen in de kelder van het pand. De archiefstukken kwamen weer tevoorschijn tijdens de verhuizing van de Hoofdsynagoge in november 1947 naar een andere locatie. Het bleek om archiefmateriaal van de Hausraterfassungsstelle te gaan, waaronder documenten die betrekking hadden op de administratie van de Henneicke groep.
Van de Colonne Henneicke werden in de Bijzondere rechtspleging in de jaren 1946 - 1949 25 leden ter dood veroordeeld, van wie de straf in cassatie werd omgezet in gevangenisstraf. Van de overgebleven zestien werden alleen de twee eerstveroordeelden voor het vuurpeloton gebracht. Dat waren twee medewerkers van de cartotheek van de Zentralstelle. Latere veroordeelden profiteerden van het gratiebeleid dat de katholieke minister van Justitie Hans Kolfschoten had ontwikkeld.
Het aantal mensen die in dienst waren bij de colonne Heneicke werd geschat op 53 Nederlanders en 1 Duitser. Meerdere ambtenaren van de Hausraterfassungsstelle werkten vaak op basis van vrijwilligheid mee als lucratieve bijverdienste, en zijn in de tellingen meegenomen.
1. Henneiche, Willem Christiaan Heinrich (Wim), Amsterdam, 19 maart 1909-1944, geliquideerd door het Amsterdamse verzet. card
2. Briedé, Willem Hendrik Benjamin (William), Amsterdam, 5 april 1903-1962, bij verstek ter dood veroordeeld. card
3. Bartelsman, Hermanus Petrus Maria (Herman), Amsterdam, 18 december 1881-1947, ter dood veroordeeld, geëxecuteerd op 6 maart 1947. card
4. Meijer, Frederik Hendrik, Amsterdam, 8 oktober 1900-1947, ter dood veroordeeld, geëxecuteerd door een vuurpeloton op 28 maart 1947. report
5. Riphagen, Bernardus Andreas (Dries), Amsterdam, 7 september 1909-1973, ontsnapt, nooit veroordeeld. card & reports
6. Croon de, Sera, Amsterdam, 17 mei 1916-1990, ter dood veroordeeld, nadien gratie verleend. card
7. Moesbergen, Eduard Gijsbertus (Eddy), Amsterdam, 26 juni 1902-1980), ter dood veroordeeld, nadien gratie verleend. card
8. Bout, Christoffel (Chris) Amsterdam, 2 oktober 1906, ter dood veroordeeld, nadien gratie verleend. card
9. Saatrübe, Hendricus Christiaan (Henk), Amsterdam, 24 januari 1909-1983), ter dood veroordeeld, nadien gratie verleend. card
10. Kraan van der, Hendrik (Henk) Schiedam, 30 oktober 1897-1955, ter dood veroordeeld, nadien gratie verleend. card
11. Hinse, Martinus, Amsterdam, 14 november 1913, ter dood veroordeeld, nadien gratie verleend. card
12. Hofman, Hendrik Wouter, Rotterdam, 12 oktober 1892-1954, ter dood veroordeeld, nadien gratie verleend. card
13. Kraan van der, Diderik, 1921-1993), ter dood veroordeeld, nadien gratie verleend. Geen archiefkaart.
14. Rigter, Jacob, Amsterdam, 5 januari 1912, ter dood veroordeeld, nadien gratie verleend. card
15. Rutgers, Jan Jacobus, Amsterdam, 6 november 1911, ter dood veroordeeld, nadien gratie verleend. card
16. Berten, Hugo Heinrich, Keulen, 3 september 1890, gevlucht, nooit veroordeeld. card
17. Vlugt, Bruno Barend (Bob), Amsterdam, 15 maart 1917, veroordeeld tot levenslange celstraf. card
18. Kop, Richard Albert, Amsterdam, 1 juni 1910 - 1 december 1980. card
19. Keulen van, Johannes Hendrik, Amsterdam, 13 januari 1903. card
20. Schiffer, Lambert Hubert Jozef, Heerlen, 16 Augustus 1889. card
21. Klinkenbijl, Hendricus, Arnhem, 27 maart 1892), ter dood veroordeeld, door de Bijzondere Raad van Cassatie omgezet in levenslang. card
22. Hogguer, Alexander Dirk, Amsterdam, 11 juni 1898-1983, bij verstek ter dood veroordeeld, nadien gratie verleend. card
23. Das, Aalbert Anton, Amsterdam, 10 januari 1915, heeft tot 1958 in diverse gevangenissen gezeten. card
24. Egmond van, Bernardus Marinus Christiaan, Amsterdam, 8 augustus 1914, doodstraf geëist, gratie verleend. In 1962 naar Duitsland. card
25. Cassee, Jan, Amsterdam, 14 april 1904, doodstraf geëist. card
26. Ramaker, Jacobus Nicolaas, Haarlem, 16 oktober 1904, gevlucht en bij verstek levenslang. card
27. Mijnarends, Gerrit Hendrik, Amsterdam, 16 april 1896, doodstraf omgezet in levenslang. card
28. Ellemers, Egbertus Martinus, Amsterdam, 4 augustus 1908, doodstraf omgezet in levenslang. card
29. Zwager, Josef Nicolaas, Beverwijk, 29 november 1907, doodstraf omgezet in levenslang. card
30. Werken van, Mattijs, Nieuwer Amstel, 9 december 1883, 5 jaar gevangenis. card
31. Out, Johannes Wilhelmus, Haarlem, 30 augustus 1910, 8 jaar gevangenisstraf. card
32. Thonus, Catharina Krina, Amsterdam, 9 januari 1919. card
33. Koot, Frederik Willem, Amsterdam, 24 april 1903. Doodstraf na gratie aangevraagd door zuster in 1950 omgezet in levenslang. card
34. Amstel van, Pieter, Amsterdam, 7 juli 1896. card
35. Schmidt, Adolf, Watergraafsmeer, 24 oktober 1889. card
36. Tak, Franciscus Johannis Emanuel, Leeuwarden, 8 September 1906. card
37. Berg van den, Harm Jan, Amsterdam, 20 juni 1906. card
38. Kobus, Engelbert Hendrik, Amsterdam, 11 december 1896. Spoorloos? card & paspoort
39. Verboom, Hermanus, Reewijk, 15 December 1910. card
40. Berg van den, Hendrikus, Amersfoort, 6 mei 1896, Geen archiefkaart.
41. Reuskens, Paulus Theodorus Wilhelmus, Nijmegen, 11 september 1895, card
42. Seegers, Dirk Johannes, Amsterdam, 22 december 1886. Geen archiefkaart.
43. Velthuis, Antonie Koenraad, Amsterdam, 24 april 1904. card
44. Tol van, Franciscus Anthonius, Aalsmeer, 11 maart 1901. card
45. Bosch, Christiaan Cornelis, Haarlem, 23 januari 1908. Geen archiefkaart.
46. Bosman, Johannes Bernardus, Enschede, 24 mei 1914. card
47. Evers, Nicolaas Johannes, Schoten 18 februari 1911. card
48. Gitz, Jacobus Adrianus, Den Haag, 7 februari 1891. card
49. Groot de, Gerrit, Amsterdam, 2 januari 1889. card?
50. Hulsman, Pieter, Amsterdam, 14 oktober 1912) overleden in Neuegamme 19 februari 1945. page
51. Kruijsman, Petrus Johannes, Amsterdam, 16 maart 1907. Niet veroordeeld? card
52. Tomlow, Hubertus Wilhelmus Johannes, Venlo, 20 oktober 1912. Geen archiefkaart.
53. Nietvelt, Cornelis Antonius, Amsterdam, 11 april 1915. card
54. Wierda, Hijlke, Sloten, 1 december 1883. Is kort na installering Henneicke opgestapt. card
55. Lam het, Pieter Hendrik, Amsterdam, 29 maart 1911. Overleden Linz (Oostenrijk) 8 maart 1945. card
The Henneicke Column was part of the Hausraterfassungsstelle, a Dutch department operating under the supervision of the Zentralstelle für jüdische Auswanderung (Central Office for Jewish Emigration) in Amsterdam. Its purpose was to transport stolen Jewish household belongings to Germany. It consisted of a group of Dutch Nazi collaborators who operated as bounty hunters between March and October 1943. The group included more than fifty Dutchmen who, in exchange for payment, hunted down Jews in hiding. The organization was led by Wim Henneicke. During the six months of its existence, it was responsible for the deportation of between eight and nine thousand people. On 30 September 1943, the organization was dissolved, officially because Amsterdam had become Judenfrei (“free of Jews”), but also because the head of the Sicherheitsdienst, Willy Lages, had become increasingly frustrated with the undisciplined behavior of its members.
In the autumn of 1947, a large collection of documents was discovered in the basement of the property at Prof. Tulpstraat 19 in Amsterdam (the Main Synagogue of the Dutch Israelite Congregation). The documents had been sent to Prof. Tulpstraat 19 from various sources without any indication of their origin and had been stored in the building’s basement. The archival materials resurfaced during the relocation of the Main Synagogue to another location in November 1947. The documents turned out to be archival records of the Hausraterfassungsstelle, including materials relating to the administration of the Henneicke group.
During the postwar special legal proceedings between 1946 and 1949, 25 members of the Henneicke Column were sentenced to death, although these sentences were later commuted to prison terms on appeal. Of the remaining sixteen, only the first two convicted individuals were executed by firing squad. These were two employees of the card index department of the Zentralstelle. Those convicted later benefited from the clemency policy developed by the Catholic Minister of Justice, Hans Kolfschoten.
The number of people employed by the Henneicke Column has been estimated at 53 Dutch nationals and 1 German. Several civil servants of the Hausraterfassungsstelle also collaborated voluntarily, often as a lucrative side occupation, and were included in these estimates.
WEGGUM.COM