De sterkte van de bezettingmacht was 300.000 man en het zouden er voor het eind van de oorlog 400.000 worden, maar voor Gunnerside was het een goed gevoel dat, zelfs al waren het er een miljoen, zij nog geweldig veel moeite zouden hebben hen hier op de Hardangervidda te pakken te krijgen. Net als voor Swallow, was nu ook voor Gunnerside de Hardangervidda hun eerste verdedingslinie, een natuurlijke bondgenoot. Wel één die eisen stelde en humeurig was. Haukelid: “Wij leerden dat je de natuur niet kunt dwingen, maar dat je je  aan moet passen. De natuur verandert niet, de mens moet veranderen als hij wil leven in een gebied waar de natuur oppermachtig is”. Terwijl de anderen druk bezig waren om hun uitrusting bij elkaar te zoeken was Storhaug (de kip), de beste skiër van allemaal op zoek gegaan naar een schuilplaats, maar hij kwam terug zonder een hut gevonden te hebben. Tegen die tijd verslechterde het weer dramatisch, een sneeuwstorm huilde over de hoogvlakte. Hierdoor werd het zicht gereduceerd tot een paar meter en dit maakte het onmogelijk om een lange mars tegen de storm in over het plateau te maken. Hoewel dit hun skisporen uit zou wissen was dit niet wat zij nodig hadden direct na de landing. Zij wisten niet precies waar zij zich bevonden en er was geen ontvangstcomité om hen in veiligheid te brengen. Na twee kilometer een wanhopige strijd tegen de elementen te hebben geleverd, waarin de omstandigheden per minuut verslechterden, hadden zij enorm geluk door letterlijk tegen een hut aan te lopen die Jansbu (kaart 5) heette. Snel maakten zij met een bijl het slot open, binnen waren er bedden en er lag zelfs een halve kuub haardhout zodat zij kon opdrogen en zich opwarmen terwijl de storm rond de kleine houten hut tekeer ging.
Ieder van hen draaide steeds een wachtdienst van anderhalf uur, hoewel er vrijwel geen kans bestond dat zij in dit weer ontdekt zouden worden, want de storm nam gedurende de ochtend nog alleen maar in kracht toe.
                                                                                                                                       
Ronneberg: “Je had het gevoel dat de hut elk moment door de storm opgetild kon worden”. De storm raasde nog steeds over de Hardangervidda toen zij opstonden. Toen zij uit het raam keken zagen zij dat er 60 cm verse sneeuw gevallen was. Door de storm waren sneeuwbanken rond de hut ontstaan van anderhalve meter hoog. De training die zij in Schotland hadden ondergaan was van de hoogste orde, maar zij waren niet voorbereid op dergelijke extreme omstandigheden in hun eigen vaderland. Het team wist nog steeds niet precies waar zij waren, maar zij vermoedden dat zij in de buurt van een meer genaamd  Bjornesfjorden geland waren.
Op 17 februari om 17.00 uur besloot men richting de Svensbu hut te trekken, maar de westerstorm en de stuifsneeuw maakten het bijna onmogelijk om vooruit te komen en men wist ook niet precies in welke richting men moest trekken. Daarbij kwam nog dat elk van hun een rugzak droeg met 30 kilo uitrusting en men most ook nog eens twee sleden trekken die elk met 50 kilo uitrusting beladen waren. Na een uur voort geworsteld te hebben werden de sneeuwbanken zo hoog dat Rønneberg opdracht gaf om rechtsomkeert te maken, terug naar de Jansbu hut.
Deze opdracht redde zondermeer de groep van de ondergang, want de storm hield nog zes dagen in alle hevigheid aan en dat zou zeker tot een ramp geleid hebben als men door was gegaan. Terug in de veiligheid van de hut begon Rønneberg te vermoeden dat zij niet bij Bjornesfjorden geland waren, maar in de buurt van Skrykken, 30 kilometer ten Noordwesten van de bedoelde dropzone. Een vette vingerafdruk op een kaart die Rønneberg in de hut gevonden had, zette hem aan het denken. Toen zij daarna de hut grondig doorzochten vonden zij een visserslogboek voor het Skrykkenmeer en dit bevestigde zijn vermoeden.  Gunnerside was niet in het bezit van een radioset en was daardoor niet in staat met Engeland of  met Swallow contact op te nemen.  Hoewel het niet langer sneeuwde de joeg de storm de sneeuw met zo’n  kracht over de hoogvlakte dat het onmogelijk was zich buiten de hut te begeven, laat staan om een lange mars te maken.

Door de plotselinge klimaatsverandering werden vrijwel alle leden van het team ziek, men kreeg koorts en opgezwollen halsklieren. Swallow was door Engeland op de hoogte gesteld dat Gunnerside geland was, maar na enige tijd begonnen zij het ergste te vrezen voor hun kameraden. Helberg: “Dit was de ergste storm die wij tot nu toe meegemaakt hadden. Het ging maar door en door en na een week begonnen wij ongerust te worden, niet wetend of Gunnerside in staat was geweest een onderkomen te vinden”. Er ontstond onenigheid wat Swallow moest doen, er werd voorgesteld om een reddingsoperatie op touw te zetten  zodra de storm zou gaan liggen, maar Poulsson was  daar absoluut op tegen. Hij redeneerde dat als de piloot de drop zone niet had kunnen vinden hij hen ergens anders gedropt zou kunnen hebben.

Tijdens de vierde dag van Gunnerside op de Hardangervidda  probeerden zij naar het depot terug te keren waar zij hun voorraden
begraven hadden om meer rantsoenen op te halen, maar weer werden zij naar de hut teruggedreven door de storm.

Rønneberg: “Terwijl wij moesten wachten tot de storm ging liggen gebruikten wij al onze rantsoenen die in onze rugzakken zaten en daarna hadden wij de grootste moeite het depot terug te vinden want de storm had het landschap totaal veranderd. Die nacht blies de storm de schoorsteenpijp van het dak. Tot twee keer toe probeerde ik hem er weer op te zetten, maar beide keren werd ik van het dak geblazen en kwam ik in een sneeuwbank terecht aan de andere kant van de hut”.
De volgende dag probeerden zij het opnieuw, maar de stokken die zij als markering in de sneeuw hadden gestoken waren nu totaal bedekt en daar kwam bij dat het zicht nog zo beperkt was dat zij hun kompassen niet konden aflezen om de richting te bepalen. De dag daarna deden zij opnieuw een poging, maar na drie uur gaven zij opnieuw de hoop op om het verstopte materiaal te vinden, uitgeput en rammelend van de honger keerden zij naar de Jansbuhut terug.


Op
21 februari noteerde Rønneberg in zijn notities: ‘De sneeuwstorm raast met vernieuwde kracht over de hoogvlakte, het zicht is nul’. De algemene matheid onder de leden van Gunnerside was nog steeds aanwezig en twee mannen waren nog steeds ernstig ziek van verkoudheid. Tot overmaat van ramp ontdekten zij dat enige containers met voedsel tijdens de landing beschadigd waren.  Pakken zout waren opengebroken en hadden zich met de rest vermengd waardoor veel voedsel niet meer te eten was. De rugzakken met voedsel waren in Schotland slecht ingepakt en in twee van de rugzakken was alles kapot gegaan en door elkaar gekomen. Het was één brei van gebroken biscuits, margarine, suiker, rozijnen, sokken en handschoenen. 

In zijn notities legde Rønneberg zijn kwaadheid vast over wat hij zag als het hap-snap verpakken van de verschillende containers. Later werden zijn bezwaren door Kolonel Wilson, hoofd van de Noorse sectie van SOE, weggewuifd. Hij maakte duidelijk dat elke container duidelijk gelabeld was en op de labels was duidelijk vermeld wat er in moest zitten. Eén voor explosieven, één voor reserve kleding, etc, etc. Wat er gebeurd was is het volgende:  de pakkers hadden, met de beste bedoelingen en om de teamleden een plezier te doen, zoveel mogelijk extra voedsel overal tussen gestopt. De drukte die hier destijds over werd gemaakt, komt nu onnozel over, maar het was toen heel belangrijk voor de mannen van Gunnerside, die elke kruimel van hun rantsoenen nodig hadden om op de been te blijven.

Op 22 februari 1943 was de storm eindelijk uitgeraasd en werd het uitgeputte en gehavende Gunnerside- team wakker onder een blauwe lucht. Alles was weer tot rust gekomen op de hoogvlakte, die veranderd was in een enorme, bijna onafzienbare witte vlakte. Elke rots, elke top of bosje was bedekt met een witte laag, wat het landschap een vreemd, haast buitenaardse indruk gaf.
De mars naar Kallungsj
å, op weg naar de Svensbuhut, zou steil en moeilijk worden, en doordat zijn mannen niet fit waren besloot Rønneberg dat hun bepakking beperkt zou worden tot het absolute minium. Zij namen de Britse uniformen en uitrusting voor het Swallow team mee, voor vijf dagen voedsel en de explosieven. Zij vertrokken om 1 uur ’s middags, elk met een rugzak die 25 kilo woog en twee sleden die beladen waren met elk 30 tot 40 kilo. Toen zij nog maar net vertrokken waren werd er al meteen alarm geslagen. Een skiër die een slee voortrok, kwam over het meer recht op de hut af. Het was onwaarschijnlijk dat het een Nazi was die in zijn eentje op patrouille was, maar het kon wel een Quisling landverrader zijn. Gunnerside ging aan de andere kant van de hut in dekking en de man werd overmeesterd en in de hut gebracht om verhoord te worden.  Haukelid: “Dit was de angstigste man die ik ooit gezien heb, maat ik kon het mij wel voorstellen, als je door zes mannen met baarden in Britse uniformen wordt overmeesterd”.
Net als Swallow had ook dit team de opdracht gekregen om iedereen waarmee zij in contact kwamen en die de missie in gevaar zou kunnen brengen te elimineren. Of zoals Rønneberg het uitdrukte: “Als het nodig bleek te zijn moesten wij hem in de bergen doden”. Dit was een ongewenst ontwikkeling voor het team. Zouden zij de missie in gevaar brengen als zij de man lieten gaan, of moesten zij hem doden terwijl het misschien een vaderlands lievende landgenoot zou blijken te zijn? “Het was een erg moeilijke beslissing. Moesten wij een man doodschieten die gewoon op het verkeerde moment op de verkeerde plaats was?”, zo noteerde Rønneberg.
De man bleek Kristian Kristiansen te zijn, een 43 jarige rendierjager. Hij was in het bezit van een geweer, wat door de Nazi’s verboden was. Hij had 3000 kronor  bij zich, een lijst van klanten uit Oslo, broodbonnen die in Uvdal en Geilo waren uitgegeven en een identiteitskaart waaruit bleek dat hij uit Uvdal afkomstig was. Uvdal was de eerstvolgende vallei naar het oosten.  De man was een zwarthandelaar en alle soldaten en vrijheidstrijders hadden een hekel aan dit soort mensen. Gedurende het verhoor, een spel van bluf en overbluffen, draaide het  erop uit dat noch Gunnerside, noch de jager hun ware identiteit prijs wilden geven om het spel daarmee te verliezen. De jager dacht dat de mannen leden waren van  Hird en liet daarom doorschemeren dat hij de Quislings ondersteunde, maar dat hij geen lid was van de partij. Rønneberg besloot de man voor het team in te zetten door hem een slee te laten trekken terwijl hij hen naar Kallungsjå leidde. Maar voordat zij vertrokken braadden zij een groot stuk rendiervlees van de man uit Uvdal, dat stuk vlees zou in ieder geval nooit de zwarte markt bereiken. Laat die avond vertrok het gezelschap richting Kallungsjå.
Gedurende de mars begon Rønneberg te geloven dat de man te vertrouwen was en dat hij niet geëxecuteerd hoefde te worden, maar hij was er nog steeds niet zeker van.
Zijn verstand zei hem de man te doden, zijn hart zei hem de man te laten gaan. Wat Kristiansen ook mocht zijn, hij was een uitstekende gids en een heel goede skiër.
Om vier uur ’s ochtends bereikten zij een hut aan een meer genaamd Hettevatn. Er waren voldoende sporen dat de hut recentelijk door rendierjagers was gebruikt en Kristiansen verklaarde dat de hut van zijn zwagers was. De mensen uit Uvdal waren vaak in de bergen om heimelijk op rendieren te jagen. In de hut werd een warm ontbijt gemaakt en werd uitgerust tot de zon weer op kwam. Gunnerside kwam tijdens het tweede deel van de tocht tot de ontdekking dat een aantal kuddes rendieren in het gebied aanwezig was en zij kregen een goed gevoel dat Grouse, ondanks dat zij lang op hen hadden moeten wachten, toch voldoende te eten te pakken had kunnen krijgen.
Terwijl zij bijna Kallungsjå bereikt hadden, uitgeput door de ingespannen trektocht, zagen zij plotseling twee mannen (beiden hadden baard) met grote snelheid langs de horizon skiën. Haukelid kreeg de opdracht naar voren te gaan omdat hij de leden van Grouse immers het beste kende. Met zijn verrekijker bestudeerde hij de man totdat deze tot 200 meter genaderd was.
Haukelid:
”Maar ik kon hem niet herkennen, hij had erg veel kleren aan en hij had een baard waardoor ik zijn gezicht niet kon zien. Een tweede skiër verscheen, een paar honderd meter achter de eerste man, kon dit Arne zijn? Maar deze man had een rode baard! 
De twee mannen staken het meer over en op een gegeven moment stopten zij en speurden de Hardangervidda af. Knut kreeg opdracht zijn camouflage pak te verwisselen voor burgerkleding en om contact met de ski
ërs te maken.  Hij moest ze desnoods maar vertellen dat hij  rendierjager was. De rest van de groep ging in dekking achter de rotsen of ging plat in de sneeuw liggen met hun pistolen en machinepistolen in de aanslag. Het was weer een spannend moment voor het Gunnerside-team terwijl Haukelid en de twee skiërs aarzelend contact maakten.
Haukelid vond dat de twee mannen eruit zagen als zwervers. Hun kleding was gerafeld, hun gezichten waren bleek en smal en hun schouders waren gebogen, maar het waren Arne en Claus! Een schreeuw van vreugde stelde ook de anderen op de hoogte dat er contact was gemaakt tussen Swallow en Gunnerside.
Helberg en Kjelstrup waren door Poulsson op verkenning gestuurd zodra het weer opgeknapt was. Poulsson’s vermoeden dat de leden van Gunnerside via Kallungsjå naar het zuiden zouden trekken was dus uitgekomen. De leden van Gunnerside zagen nu pas goed hoe het Swallow-team eruit zag: mager, een vale geelachtige huid en met lang haar en grote baarden. Na de begroeting waar zelfs enige emoties naar boven kwamen, zover als dat bij een Noor mogelijk is, was er nog de vraag wat er met de jager moest gebeuren. Ten slotte werd besloten hem te laten gaan, maar niet nadat hem duidelijk was gemaakt wat de gevolgen voor hem zouden zijn als hij hen zou verraden. Als extra veiligheidsmaatregel lieten zij hem een verklaring tekenen waarin stond dat hij de bezitter van een geweer was en men zou deze verklaring naar de Nazi’s doorspelen indien zij opgepakt zouden worden. De Nazi’s schoten iedereen dood die betrapt werd op het afschieten van rendieren. En om te voorkomen dat zich in de bergen verzetsgroepen zouden nestelen werd ook het bezit van buitensport materiaal, zoals tenten, slaapzakken en dergelijk verboden.
Ook gaven zij hem een voedselvoorraad voor vijf dagen mee, hopende dat hij daardoor lang genoeg in de bergen zou blijven zodat zij hun missie konden uitvoren voordat hij weer in de bewoonde wereld zou opduiken.

Zonder er bij na te denken hadden zij hem ook Engelse chocolade meegegeven. De dekmantel van een agent kon door dit soort details in gevaar komen. Een broek met een Engels kledingmerk, Engelse tabaks kruimels in een broekzak, een Engels potlood, al deze zaken konden tot de executie van een agent in het veld leiden.  Daarom had SOE allerlei fabrieken, werkplaatsen en laboratoria om voor elk land waar men actief was goederen en kleding te maken die in dat land in gebruik waren.
De mannen maakten dus een grove fout door Krisitiansen Engelse chocolade mee te geven en hiermee brachten zij ook zichzelf en hun missie in gevaar.

Rond vier uur keek Poulsson uit het raam van de Svensbuhut en hij zag dat Helberg een slee voortrok en hij realiseerde zich tot zijn grote vreugde meteen dat er contact met Gunnerside gemaakt was.  Skinnerland werd weggestuurd voordat de groep de hut had bereikt, geheimhouding was nog steeds van vitaal belang.
Uitgeput en half verhongerd hadden de leden van Gunnerside 45 kilometer in 16 uur afgelegd en het was een hele opluchting dat zij tenminste in het gezelschap van hum kameraden in elkaar zakten. Die nacht vierden de mannen een heel apart feest. Allen waren in slechte conditie, al naar gelang wat zij te verduren hadden gehad. Poulsson schreef echter in zijn logboek dat hij en zijn mannen topfit waren, maar dat Gunnerside nog moest acclimatiseren en dat zij er niet goed uit zagen. Als  dat zo was, terwijl Swallow door Gunnerside als uitgemergeld en ziekelijk werd beschreven, dan geeft het ons wel een idee hoe Gunnerside er aan toe moet zijn geweest na hun acht dagen durende beproeving op de Hardangervidda.
Rendier vormde natuurlijk het hoofdbestanddeel van het feestmaal, maar dit werd door Gunnerside aangevuld met chocolade en gedroogd fruit. Nadat zij hun honger gestild hadden gingen zij rond de kachel zitten roken en vertelden elkaar wat zij gedurende de afgelopen maanden beleefd hadden. De leden van Swallow hadden het idee dat zij gedurende de afgelopen vier maanden als een soort schipbreukelingen op een onbewoond eiland hadden gezeten, maar nu werden zij weer op de hoogte gesteld van al het wereld- nieuws, de vorderingen van de oorlog en nieuws over wederzijdse vrienden. De volgende dag zouden zij zich wel weer serieus bezig houden met de planning van één van de meest gewaagde sabotageacties in de militaire geschiedenis, maar die nacht waren roken, chocolade eten en praten belangrijker.

De volgende ochtend stuurde Haugland een vrolijk bericht naar Londen:

-de groep is gisteren gearriveerd  stop  alles in orde  stop  uitstekende sfeer  stop
-ben weer in de lucht na de actie  stop  allen groeten u hartelijk  sluiten

Gunnerside rustte die dag uit om op krachten te komen voor de komende operatie. Helberg werd naar Rjukan gestuurd waar hij met een informant contact op moest nemen om er achter te komen wat de recente sterkte van de bewakingstroepen was en wat er aan nieuwe defensieve maatregelen rond de fabriek genomen waren.
Haugland haalde zijn radioset uit elkaar en vertrok naar het depot bij Skrykken. Hij zou Skinnerland onderweg oppikken. De twee zouden de komende tijd in dekking gaan en afwachten tot hun kameraden op een bepaald punt een bericht zouden achterlaten over het verloop van de actie.  Dit bericht moesten zij via de radioset aan Engeland doorgeven. De anderen restte slechts 48 uur voordat zij in actie zouden komen.
Verder naar 'De aanval'.
weggum.com
Gunnerside, deel 3.