Glijvlucht naar de dood, deel 2
Helberg en Poulsson zetten het Eureka-baken in elkaar, dat hen zou waarschuwen wanneer de vliegtuigen in de buurt waren. Dit soort baken was aan het begin van de oorlog ontwikkeld. Ondanks het feit dat het ten opzichte van de huidige systemen uiterst primitief was, was het van onschatbare waarde voor SOE agenten, wiens levens er soms van af hingen om met de RAF te kunnen communiceren.
In het vliegtuig zat een apparaat wat Rebecca heette dat pulsen uitzond richting Eureka op de grond, deze zond de pulsen automatisch op een andere frequentie uit. Deze pulsen werden weer door Rebecca ontvangen en vergeleken met de eerder uitgezonden pulsen. Op deze wijze konden de piloten precies vaststellen wat hun positie was ten opzichte van Euerka. Haugland die Eureka die nacht bediende zette de koptelefoon op en schakelde de spanning in. Wanneer de naderende vliegtuigen het signaal van Eureka ontvingen, kon Haugland een bepaald soort brom horen en wist daarmee dat zij in de buurt waren. Meteen legden zij drie rode landingslichten in een driehoek, elk honderd meter uit elkaar, met een knipperende witte lamp in de top die de richting van de wind aangaf. Met de witte lamp werd de letter L geseind en deze werd op het vliegtuig gericht. De groep zat gespannen te wachten op het geluid van de bommenwerpers. Zij wachtten en wachtten, totdat om twintig voor tien Helberg en Poulsson het geluid van een vliegtuig hoorden dat naderde vanuit het zuid-westen en Haugland hoorde een zwak geluid uit het Eureka apparaat komen. Eindelijk waren de Engelsen er! Over een aantal uren zouden zij optrekken naar de fabriek in Vemork en daarmee voor het eerst met de vijandige bezettingsmacht geconfronteerd worden. Hun harten sprongen op bij het horen van het vliegtuig dat minder dan twee kilometer van hen verwijderd was in de enorme verlatenheid van de Hardangervidda. Maar de moed zonk hun in de schoenen toen zij hoorden dat het vliegtuig van hen vandaan draaide. Het volgende uur konden zij af en toe het geluid van een vliegtuig horen omdat de RAF piloten naarstig naar het baken in de witte wildernis onder zich aan het zoeken waren. Het was voor de mannen van Grouse niet duidelijk of het om één, of twee vliegtuigen ging. De bewolking begon dikker te worden en in de war gebracht door de hoeveelheid meren en ravijnen onder zich, kon de bemanning niet bepalen waar het landingsterrein lag. De Grouse-groep voelde zich hulpeloos. Om elf uur hoorden Poulsson en Helberg voor het laatst het geluid van een vliegtuig en een half uur later keerden zij terug naar de hut.


“Wij hebben absoluut het geluid van vliegtuigmotoren gehoord, maar er gebeurde maar niets” vertelt Helberg achteraf. “Het weer was niet eens heel erg slecht, er was een beetje bewolking, wat wind, maar het stormde zeker niet. De maan was zichtbaar en daardoor was het niet eens heel erg donker”. Na de oorlog bevestigde Haugland dat er enig contact was geweest tussen het Rebecca- en Eurekasysteem en dat zij het vliegtuig boven zich hadden gehoord. Ik heb nog geprobeerd met Engeland contact op te nemen vanwege het weer, maar ik kon er niet door komen. Ik had last van storing veroorzaakt door het Eureka systeem, maar al snel hoorden wij het geluid van vliegtuigmotoren boven ons, maar het stierf weer weg. Om vijf voor twaalf ontving Combined Operations een vaag bericht dat één van de zweefvliegtuigen boven zee, vlak voor de Noorse kust, losgekoppeld was, maar er was geen nieuws over het sleepvliegtuig. Om half twee ontvingen zij het bericht dat een van de Halifax bommerswerpers veilig op Wick was geland. Tijdens het ochtendgloren stegen tien vliegtuigen op om voor de Noorse kust naar het zweefvliegtuig te zoeken, maar zij keerden allen terug zonder iets gevonden te hebben. Gedurende de volgende twee dagen was er veel verwarring over het lot van de bommenwerper en de twee zweefvliegtuigen. Op de derde dag onderschepte een luisterstation een Duits bericht waarin vermeld werd dat twee zweefvliegtuigen en een bommenwerper gedwongen waren te landen en dat de sabotagetroepen waren aangevallen en geëlimineerd. Wat er echt met de manschappen gebeurd was werd pas duidelijk toen Engelse troepen na de oorlog naar Noorwegen terugkeerden.


Eén van de bommenwerpers met een zweefvliegtuig achter zich, had de dropzone bereikt, maar omdat men niet zeker wist of dit de juiste lokatie was en omdat de brandstofvoorraad snel afnam besloot de bemanning de terugweg te aanvaarden. Vechtend om hoogte te winnen vloog het vliegtuig een wolk in en er ontstond hevige turbulentie . De trekkabel bevroor compleet en brak, hierdoor stortte het zweefvliegtuig in de ijzingwekkende spiraal met 160 km/uur met de neus naar beneden. De vliegtuigen waren in de buurt van de kust toen de kabel knapte, dit verklaart waarom de RAF bemanning een bericht naar het hoofdkwartier stuurde dat men het zweefvliegtuig boven zee had losgelaten. Daarentegen stortte het vliegtuig in de met sneeuw bedekte bergen op een plek die Fyljesdal genoemd wordt bij Lysefjord. Door de crash kwamen direct zeven mensen in het vliegtuig om het leven. Van de gewonden had er één een gebroken rug en was vanaf de heupen verlamd, één ander had twee gebroken benen, één had een gebroken kaak en één had een schedelfractuur en ernstige ademhalingproblemen.




Crashsite Horsa DP 349
Crashsite Horsa HS 144 &
Halifax W 7801
Geplande Drop Zone
Tom Conacher de adjudant aan boord van de Halifax zei:”Wij maakten een bocht en vlogen terug naar huis. Wij waren praktisch bij de kust toen er ontzettend veel ijsvorming ontstond. Ik zag dat de sleepkabel ook begon te bevriezen en het zweefvliegtuig zat niet langer recht achter ons. Toen knapte de kabel en ik zag hem wegschieten. Op een gegeven zag ik een geweldige oranje vuurbal naast ons en ik nam aan dat het hier om het zweefvliegtuig ging.
De vijf niet gewonde commando’s uit het zweefvliegtuig verpleegden de gewonden eerst zo goed mogelijk en gingen vervolgens op weg om hulp te halen. Zij hadden kunnen proberen naar Zweden te ontsnappen, maar zij wilden hun gewonde kameraden niet in de steek laten. Zij gaven zich over in de veronderstellingen dat hun collega’s volgens de Geneefse Conventie verzorgd zouden worden en dat zij uiteindelijk allemaal tot het einde van de oorlog in een krijgsgevangenkamp terecht zouden komen. Toen een groep Noren met de commando’s naar het wrak gingen troffen zij daar een ware hel aan, Zij zagen acht lichamen, inclusief die van een soldaat die het wrak was uitgekropen en aan onderkoeling en bloedverlies was overleden. Van één was de buikwand opengescheurd en hij was met zijn ingewanden aan de grond vastgevroren. De gewonden kregen morfine toegediend en werden op geïmproviceerde brancards van de heuvel naar beneden gedragen naar een nabij gelegen boerderij.
Kort daarna arriveerden er twee groepen Duitsers, eerst een aantal gewone soldaten en daarna een groep SS-ers onder commando van een Gestapo-officier. De doden werden zonder enige vorm van ceremonie in een ondiep graf gegooid. De Noorse bevolking verzocht de Nazi’s de volgende dagen om de doden een passende begrafenis te mogen geven, maar dit werd keer op keer geweigerd. Later heeft men een hek om het graf gezet om te voorkomen dat er dieren bij zouden komen. Na de oorlog werden de lichamen opgegraven en met alle eer herbegraven op de begraafplaats van Eiganes in de buurt van Stavanger.

Wrak van een Horsa zweefvliegtuig.
De vijf niet gewonden werden naar het concentratiekamp Grini bij Oslo afgevoerd en bleven daar tot eind januari 1943. Toen werden zij geblinddoekt en naar het Trandum Bos gebracht en door middel van een nekschot om het leven gebracht. Na de oorlog werden zij herbegraven in de Gemenebest Oorlogs Graven in Vestre Gravland, een buitenwijk van de Noorse hoofdstad.
De vier gewonden waren korporaal James Cairncross uit Hawick, Chauffeur Peter Farrell uit Marleybone, Korporaal Trevor Masters uit Cobh, County Cork, Ierland en Genist Eric Smith uit Paddington. Zij werden door de Gestapo meegenomen en wat er met hen gebeurd is, is eigenlijk te gruwelijk om te lezen. Onderzoek van de Geallieerden na de oorlog over de dood van deze vier heeft geleid tot een rechtzaak voor oorlog- misdaden, hierin werden alle gruwelijke details van hun marteling en dood ten toon gespreid. Zelfs in Gestapo normen, die al behoorlijk heftig waren, was de behandeling van de vier uiterst extreem. De vier werden naar gevangenis A in de Lagårdsveien in Oslo gebracht en aan de Gestapo overgelaten. De mannen hadden erg veel pijn, want zij waren sinds zij bij de plaats van het ongeluk waren opgehaald niet meer behandeld. Drie van hen werden geslagen en half gewurgd met leren riemen alvorens men op hun keel en borst ging staan, waarna hun bloedbanen met lucht werden geïnjecteerd. Zij stierven heel langzaam en onder hevig pijnen. De vierde man, die het minst gewond was zat in een aparte cel, maar hoorde hun geschreeuw en gekreun tot het uiteindelijk stil werd. Hij lag die nacht in zijn cel angstig te wachten op zijn “behandeling”, maar er werd hem een langzame pijnlijke dood bespaard. De volgende dag kreeg hij een nek- schot terwijl hij de trappen van de gevangenis afdaalde naar de kelders. De vier lichamen werden vanaf een schip op zee overboord gegooid.
Na beëindiging van de vijandelijkheden werden drie nazi’s in staat van beschuldiging gesteld door het oorlog tribunaal. Twee werden ter dood veroordeeld en één tot levenslange gevangenisstraf, omdat hij een bijrol had gespeeld bij de dood van de drie jonge soldaten.
Er heerste veel verwarring over het lot van de andere bommenwerper en het tweede zweefvliegtuig, maar toen de feiten boven water kwamen waren de details net zo schokkend. Op 11 december 1942, drie weken na de start van operatie Freshman, ontving SOE een bericht van één van zijn agenten die werkzaam was in het zuidelijke deel van Telemarken onder de codenaam SWAN. Hij berichtte dat het zweefvliegtuig tegen een berg was gevlogen bij de kerk van Helleland in de buurt van Egersund, 200 kilometer verwijderd van zijn feitelijke bestemming. Twee bemanningsleden waren op slag dood, de overigen waren allemaal gewond. Alle gevangen werden ongeveer twee uur lang verhoord en daarna meteen doodgeschoten. Ook hun lichamen werden in een ondiepe kuil gedumpt en na de oorlog herbegraven op het kerkhof van Eiganes. Die dag waren in Stavanger en omgeving de scholen gesloten en hingen de vlaggen halfstok.
De Halifax die het zweefvlieg had gesleept was vrijwel meteen toen het zweefvliegtuig los raakte tegen een berg gevlogen, waarbij alle inzittenden om het leven waren gekomen. De Nazi’s dumpten de stoffelijke resten in een moeras. Na de oorlog werden zij herbegraven op het kerkhof van Helleland . Na de oorlog hebben de geallieerden veel tijd gestoken in het opsporen van de schuldigen van deze moordpartijen, welke het gevolg waren van het zogenaamde “Führerbefehl”. Dit bevel werd op 18 oktober 1942 door Hitler uitgevaardigd. Hij was van mening dat de wijze van oorlogvoeren door middel van sabotage- en commando- acties niet tot de Geneefse Conventie behoorde en daarom moesten alle leden van deze groepen direct aan de Sicherheits Dienst worden overgedragen om geëxecuteerd te worden.
Zowel op vliegveld Wick, als in Noorwegen zijn monumenten ter herinnering aan de slachtoffers opgericht.

Monument in Eiganes, foto Lens Envy

Grouse was die nacht van de operatie met een sterk gevoel van teleurstelling naar bed gegaan, maar dit gevoel veranderde in wanhoop toen zij via SOE de tragische belevenissen van die nacht te horen kregen. “Het was een bittere ervaring” zo vertelt Poulsson. “Mede gezien het feit dat juist de dagen na die nacht het goed weer bleef”. Freshman was niet alleen een menselijk drama, ook tactisch gezien was het een ramp. Ruim dertig man elitetroepen waren gesneuveld, maar de Nazi’s waren er ook achter gekomen wat het doel van de missie was en begonnen massaal fortificaties rond de fabriek in Vemork aan te brengen. De kans op een succesvolle actie in en rond de fabriek was dan ook nog maar erg klein. Het lag voor de hand dat de Nazi’s het hele gebied uit zouden kammen en massaal mensen zouden arresteren om er achter te komen wie betrokken was bij de planning van de sabotageoperatie. De Grouse-groep was nu heel kwetsbaar en waren gedwongen zich terug te trekken in een van de meest afgelegen gebieden binnen de Hardangervidda tot het gevaar voorbij was. SOE stuurde een spoedbericht naar de groep dat zij zich zo snel mogelijk in veiligheid moesten brengen. Hen werd gevraagd om de Duitse versterkingen in kaart te brengen en plannen te bedenken voor een nieuwe missie. Met de zin: “Houd de rug recht, wij zullen de klus klaren”, eindigde het telegram. De groep trok zich zoals gezegd terug diep in de Hardangervidda. Wel melden zij het hoofdkwartier dat twee van hen regelmatige verkenningsacties vanuit de nieuwe locatie zouden uitvoeren. De komst van de winter maakte het twijfelachtig of een dergelijke operatie nog wel mogelijk was, maar zij stelden Londen op de hoogte dat zij bereid waren de missie zelf uit te voeren. “Wordt de volgende actie weer door Engelsen op dezelfde manier uitgevoerd?”vroegen zij Londen. “Ski-ers zijn in het voordeel. Als wij enige hulp kunnen bieden willen wij graag aan de actie deelnemen”.

Ondertussen begonnen de Nazi’s met een geweldige veegactie om te radiobedienaar te pakken te krijgen die naar hun idee betrokken moest zijn geweest bij operatie Freshman. In een publicatie in The Times, geschreven door een correspondent van de krant uit Stockholm, was te lezen dat in Rjukan een vals luchtalarm was afgegeven, waarna de inwoners binnen moesten blijven en de stad bezet werd door 200 Gestapo-agenten die met machine geweren en granaten bewapend waren. Na een serie invallen, die vijftien uur duurden en waarbij 22 Noren werden gearresteerd en verhoord konden de Nazi’s de man die zij zochten echter niet vinden.
Operatie Freshman was al een ramp voordat deze goed en wel begonnen was, een plan dat ontstaan was op basis van wilde plannen en wanhoop, in plaats van vertrouwen. Zelfs al was de landing goed afgelopen en zelfs al hadden zij kans gezien hun missie met succes te vervullen, dan nog was het zeer onwaarschijnlijk geweest dat zij uit de handen van de Nazi’s hadden kunnen blijven en het was zeer zeker de vraag geweest of zij kans hadden gezien 400 kilometer door bevroren, onbegaanbaar terrein te kunnen trekken. Het leek meer op een zelfmoordactie die de paniek en de noodzaak van de Geallieerden weergaf om het Nazi’s atoomprogramma een halt toe te roepen. De vraag rijst of de planners van de operatie op de hoogte waren van de gevaren van de Noorse wildernis in de winter. Goed getrainde Noren hadden deze operatie uit kunnen voeren, deels omdat zij zich als burgers voor konden doen, maar hoofdzakelijk om dat zij weten hoe zij het klimaat en het terrein kunnen overleven.
Tor Nicolaysen is een bergbeklimmer en outdoorspecialist, die naast andere zaken ook toeristen langs het pad en de hutten van de zwaar-water operatie leidt. Hij is tevens eigenaar van het hotel Rjukan Fjellstue, wat op vijf kilometer afstand van Vemork ligt. Hij kent als geen ander de Hardangervidda en hij betwijfelt of de commando’s van Freshman in dit terrein hadden kunnen overleven. “Ik denk dat zij de klus in Vemork best hadden kunnen klaren, maar ik denk niet dat zij hadden kunnen ontsnappen. Zij hadden geen ski’s bij zich, hadden geen training gehad voor deze weersomstandigheden en in november 1942 was het weer verschrikkelijk slecht.
Als de mannen kans hadden gezien om de missie succesvol uit te voeren, de tocht naar Zweden te overleven, dan was deze actie in de geschiedenisboeken terecht gekomen als één van de stoutmoedigste, de dapperste en de belangrijkste uit de militaire geschiedenis. De soldaten van Freshman waren geharde, goed getrainde professionals, maar zij hebben nooit de kans gehad om zichzelf te bewijzen.
Rjukan Fjellstue
(Volgend hoofdstuk)
weggum.com