Survival op de Hardangervidda.
Het was een heldere avond, net na zeven uur, toen de Grouse leden plaats namen in het vliegtuig en Wing Commander Hocley en Flight Lieutenant Sutton de Halifax bommenwerper boven de Noordzee hoogte lieten winnen. Het zou echter nog vier vliegen zijn voordat men de drop-zone op de Hardangervidda zou bereiken..Dit keer bleef het weer goed toen zij het Telemark gebied bereikten en begonnen te dalen voor de dropping. Het was een kristalheldere nacht en de leden van de Grouse groep konden onder zich het ruige landschap van hun vaderland voorbij zien trekken. Zij konden de lange slingerende fjorden en meren zien, nauwe valleien en de vlakke met sneeuw bedekte bergen. Soms zagen zij de lampen van auto’s en huizen, misschien woonden daar vrienden of familie en wat was er van hen terecht gekomen de in de afgelopen twee jaren? Waren zij nog in leven, of zaten zij in concentratiekampen? Voor Poulsson, Haugland en Helberg was het helemaal een aparte thuiskomst, zij zouden hun kamp opslaan op de Hagdangervidda maar op een paar kilometer afstand van de plek waar zij geboren en getogen waren en waar hun familie nog steeds woonde. Dat hoopten zij tenminste.

De Hargangervidda is een gebied van 8000 vierkante kilometer, een vrijwel onbewoonde wildernis waar het winter begon te worden waardoor het veranderde in een ontoegankelijke bevroren woestenij voor de komende zes maanden. De Hardangervidda is een verzameling van rotsen, meren, rivieren en stroompjes, het klimaat is dusdanig dat er vrijwel niets groeit en er komen ook bijna geen dieren voor, afgezien van rendieren, korhoenders, sneeuwhoenders en een enkele poolvos. Voor mensen is het daar in de winter levensgevaarlijk. Op een heldere dag lijkt het terrein op de poolgebieden in Canada; alleen rotsen en ijs zover als het oog reikt. Op de lager gelegen delen komen berkenbosjes voor, aan de meren ligt hier en daar een jagershut, maar verder is er niets, helmaal niets, totale leegte. De Hardandervidda is een gebied waar mensen graag komen, maar slechts weinigen kunnen in deze barre omgeving overleven.
Toen de Nazi’s Noorwegen bezetten trokken zij om het gebied heen en wanneer zij op de Hardangervidda naar verzetstrijders, of naar zogenaamde Britse parachutisten zochten, trokken nooit verder dan een have dagmars het gebied in, zodat zij er weer uit waren voordat het avond werd.
Voor hen was dit een verschrikkelijke plek, een bevroren hel op aarde. Maar voor de mannen van Grouse zou dit gebied hun thuis worden.
Op het moment dat het vliegtuig de dropzone naderde opende sergeant Hill, de RAF belader, het luik in de bodem van het vliegtuig. Het was tijd om te springen. De harten van de jonge Noren begonnen nog sneller te kloppen, niet alleen van opwinding, maar ook van angst, hun oorlog stond op het punt te beginnen. De vier stonden op rij om te kunnen springen, gekleed in para-overalls en beladen met uitrusting toen de vrieskoude vanuit de opening in het vliegtuig hen trof. Op 18 oktober om 23.18 uur wierp sergeant Hill eerst zes containers af met de uitrusting van Grouse, daarna volgden op rij, Poulsson, Haugland, Kjelstrup en Helberg sprong als laatste de ijskoude nacht in. De eerste seconden na de sprong waren de vier commando’s volslagen hulpeloos, zij sprongen met een zogenaamde static-line, een koord dat pas na 5 meter van hun val de parachute uit de rugzak trok. Het was van belang niet te aarzelen en snel achter elkaar aan te springen omdat het vliegtuig met een snelheid van 70 meter per seconde doorvloog. Als je te lang wachtte kon je er met een simpel rekensommetje achter komen dat je honderden meters van je kameraden terecht zou komen, of in het slechtste geval de dropzone zou missen. Maar de vier sprongen precies zoals de belader hen opdroeg: met intervallen van twee seconden.

Poulsson herinnerde zich later: “Ik denk dat wij allemaal gespannen waren toen wij door de opening in het vliegtuig sprongen, maar wij waren ook verheugd om Noorwegen weer naar ons toe te zien komen”. Sergeant Hill gooide nog snel twee pakketten naar buiten en smeet daarna snel het luik dicht. Toen het vliegtuig een bocht maakte om op heimelijk weer naar huis te vliegen, zag de bemanning een perfecte lijn van twaalf parachutes die in het heldere maanlicht naar de aarde zweefden. Commandant Hockley schreef in zijn logboek: Exact het droppingpunt gevonden en de hele lading in één stick uitgezet. Lading gedropt vanaf een hoogte tussen de 150- en 300 meter. Al vliegend naar het zuiden, alleen sneeuw gezien op de hoge gedeelten van het terrein. De belader rapporteerde: de mannen sprongen goed en zonder aarzeling. De staartschutter meldde 12 geopende parachutes te hebben gezien en dat op het laatste pakket na iedereen veilig geland was. Wat men in het vliegtuig niet kon zien, terwijl zij op weg waren om boven Stavanger propaganda biljetten te droppen, dat de mannen en de uitrustingen met een geweldige klap tegen de grond sloegen. Het was een geluk dat niemand van ons iets gebroken had, schreef Poulsson in zijn logboek. Zodra de mannen de grond hadden geraakt ontdeden zij zich zo snel mogelijk van hun parachutes om niet met de dwarswind over de rotsen gesleept te worden, waardoor zij als nog hun botten zouden kunnen breken. Helberg was zo hard tegen de grond gesmakt dat het hem een week kostte om van zijn verwondingen te herstellen. Gedurende de volgende uren was men bezig om de containers en de pakketten te verzamelen waar hun leven vanaf zou hangen. Om vier ’s morgens hielden zij ermee op, door de duisternis en het golfende terrein was het onmogelijk om alles te vinden. De rest van de nacht brachten zij door vlak bij de landingsplaats, opgerold in hun slaapzakken in de luwte van een rots om zich tegen de snijdende wind te beschermen. Vlak voor de mannen in hun slaapzak kropen lichtte Poulsson hen in over het doel van hun missie: zij waren de verkenners voor een groep Britse commando’s wiens taak het was de zwaar-water fabriek in Vemork op te blazen. Poulsson herinnert zich: ”Voordat wij vertrokken naar Noorwegen had Kolonel Wilson mij verteld hoe belangrijk de missie was, als de Nazi’s het zwaar-water in handen zouden krijgen, zouden zij in staat zijn een deel van Londen in één klap te vernietigen”.” Ik had geen idee wat zwaar-water was en ik geloofde er geen klap van wat hij vertelde”. In die tijd kon men zich niet voorstellen dat er iets bestond wat een grotere kracht had dan een 500 pond wegende bom die net in productie genomen was.
Het kostte de groep mannen twee uitputtende dagen om, al wadend door de natte sneeuw, alle gedropte uitrusting, die zich over een groot gebied verspreid had, te verzamelen. Ieder van hen vertrok in een andere richting om de containers, die deels met sneeuw bedekt waren, of tussen rotsen terecht waren gekomen op te sporen. Al met al duurde het zo lang omdat de ski uitrusting juist in die container zat die als laatste gevonden werd. Als zij deze container echter als eerste gevonden hadden dan had het zoeken naar de overigen slechts enkele uren gekost, want in deze omstandigheden zijn ski’s een absolute noodzaak.
Het weer was goed in die eerste 4 uren van hun operatie, maar zij waren verbaasd toen zij uiteindelijk in staat waren te bepalen waar zij zich bevonden. Zij waren op de helling van een berg geland oostelijk van Fjarefit (kaart 1) in het Songedal, 16 kilometer westelijk van het punt waar zij door de RAF gedropt zouden worden.
De gekozen dropzone lag in moerassen van Ugleflott (kaart 1), die ongeveer 35 kilometer van Vemork lagen. Onder normale omstandigheden was het afleggen van deze afstand voor de zeer ervaren skiers van de Grouse groep geen probleem. Het probleem was echter dat zij ongeveer 300 kilo aan uitrusting moesten dragen, inclusief eten voor een maand, radio apparatuur en wapens. Men besloot de helft van de uitrusting op een veilige plaats achter te laten en dit na beëindiging van de actie weer op te graven, maar zij moesten wel al het eten meenemen, want zij mochten onder geen beding contact opnemen met de plaatselijke bevolking.
Tot overmaat van ramp was hun kachel tijdens de dropping defect geraakt en hierdoor konden zij nu niet meer dwars door de bergen trekken. Warmte, om kleding te drogen en op mee te koken, is noodzakelijk in dergelijke winterse omstandigheden. De Grouse groep realiseerde zich dat zij zich schuil moesten houden en door het Songedal moesten trekken, hier zouden zij in staat zijn om een vuur aan te leggen met berkenhout.
Op 21 oktober, drie dagen na hun aankomst, stak er een geweldige sneeuwstorm op die het de mannen bijna onmogelijk maakte om de plek te bereiken die zij als basiskamp wilden inrichten. De overgang van herfst naar winter was een kwestie van enkele uren geweest.
Dergelijke sneeuwstormen waren de redenen van Amundsen en Nansen geweest om hier te trainen voordat zij aan hun poolexpedities begonnen. Maar zelfs zij raakten hier in de problemen. De Hardangervidda is namelijk een vlakte met nauwelijks hoge bergen, maar het ligt wel 1000 meter boven zeeniveau en is op die manier geheel blootgesteld aan de elementen. Dit is een van de redenen waarom het hier heel snel kan gaan stormen en op die manier een gevaar vormt voor zelfs de meest ervaren buitensporters, zeker als er sneeuw ligt. De temperatuur kan plotseling dalen naar -30 graden en samen met de windsterkte leidt dit tot een extreme windchill factor, hierdoor ontstaan levensgevaarlijke situaties. Tijdens zo’n sneeuwstorm kun je geen hand voor ogen zien en de kans op verdwalen is zeer aanwezig en al ronddwalend raakt men heel snel onderkoeld.
De kracht van een sneeuwstorm is verschrikkelijk en in het slechtste geval is men al na een paar uur dood. Redelijk verstand, initiatief en moderne hulpmiddelen helpen maar een beetje. Overlevingstechnieken, of dat nu in het oerwoud, of in de sneeuw is, zijn kennisbronnen die gedurende vele eeuwen verzameld en opgeslagen zijn en van generatie op generatie zijn overgedragen door stammen en mensen in de hele wereld. Om te overleven in de moeilijkste klimaten en in de zwaarste terreinen heeft men kennis nodig om deze het hoofd te kunnen bieden. Deze kennis en lef was bij de leden van Grouse meer dan aanwezig. Gezien deze omstandigheden is het niet meer dan eerlijk om toe te geven dat alleen Noren en echt alleen Noren deze operatie uit konden voeren.
Vechtend tegen de storm vertrokken Poulsson en Helberg met volle bepakking naar een vallei genaamd Haugedalen. Vanuit hun herinneringen uit hun jeugd wisten zij dat hier een hut moest staan. Tot hun wanhoop konden zij de hut echter niet vinden en moesten zij in het donker en in de mist, die plotseling in het dal was opgekomen toen de wind plotseling was gaan liggen, met volle bepakking weer terug naar de andere twee. Later kwamen zij er achter dat de hut verplaatst was naar een andere locatie. Die nacht probeerden zij vergeefs met hun radioset contact met Engeland te krijgen.
Communicatie was überhaupt een probleem in Noorwegen als gevolg van de nauwe dalen, de steile hellingen en het verschrikkelijke winterweer. SOE slaagde er echter in een radioset te produceren die voldoende vermogen had om toch contact te maken, de beroemde B2 “suitcase” set. Deze zendinstallatie was verpakt in een alledaags koffertje. Grouse had echter het geluk om over Knut Haugland te kunnen beschikken, hij was waarschijnlijk de beste radiobedienaar in bezet gebied gedurende de hele oorlog. Maar ook hij was echter niet in staat contact te maken.
Bij SOE begon zich men ernstige zorgen te maken wat er met de verkenners gebeurd zou kunnen zijn. Zou hun komst uitgelekt zijn en stond er al een Nazi ontvangst- comité op hen te wachten? Misschien waren het vliegtuig en de parachutes gezien, of misschien was een van hen ernstig gewond geraakt tijdens de landing? Dit waren allemaal mogelijkheden die SOE al eerder mee had gemaakt met het droppen van agenten achter de vijandelijke linies. Denk hierbij aan het Englandspiel, waarbij tientallen agenten direct na hun dropping in de handen van de Nazi’s vielen.
De volgende dag vertrokken de vier om een tocht te maken die Poulsson een zware en afmattende mars noemde. Zij moesten ongeveer 250 kilo aan uitrusting verplaatsen waaronder: een radioset, twee accu’s, een Eureka radiobaken, een handgenerator, velduitrusting, een wit geschilderde Stengun en voldoende voedsel voor dertig dagen, verdeeld in kleine rantsoenen. De totale uitrusting werd verdeeld in 8 ladingen van elk 30 kilo. Dit betekende dat de groep elke trip twee keer moest maken om alles te kunnen verplaatsen naar hun volgende stop. In hun officiële logboeken en rapporten, wordt luchtig gesproken over de uitdagingen die zij gedurende hun eerste week na aankomst ondergingen, maar tussen de regels door valt te lezen dat deze onderneming bijzonder zwaar was. De tocht door Songedalen was extreem zwaar, het ijs op de meren was nog niet betrouwbaar, het terrein was oneffen en bedekt met een laag natte sneeuw waardoor het ongeschikt was om goed met ski’s overweg te kunnen.
Wanneer zij van het spoor afweken zakten zij tot aan hun knieën in de natte sneeuw weg. De storm was een voorbode geweest van zachter weer en aan hun ski’s bleven grote klonten sneeuw plakken waardoor zij nog langzamer vooruit kwamen. Zij hadden weliswaar voldoende skiwas meegenomen, maar dit wilden zij bewaren voor de terugtocht na de aanval. Volgens Helberg was het verse sneeuw en de temperatuur was niet erg laag, daarom bleef het aan onze ski’s plakken.
Langlaufen is onder de juiste omstandigheden geweldig leuk, het schijnt een van de meest intensieve sporten te zijn die er bestaat, vrijwel alle spiergroepen worden gebruikt en er wordt veel gevraagd van hart en longen. Maar als men ondervoed is, uitgeput en koud en als de omstandigheden tegenwerken dan wordt het een pijnlijke martelgang. Het is echter nog altijd beter dan het enige alternatief, door de sneeuwbanken heen waden. Conditioneel moest Grouse in staat zijn om deze uitdagingen het hoofd te bieden na hun uitgebreide training in de Cairngorms. Zonder deze training en aanvullende spiertraining zouden zij nog veel langer met deze verplaatsing bezig geweest zijn.

Een bijkomend probleem was dat zij zich niet linea recta konden verplaatsen, zij moesten in de lager gelegen gebieden blijven om brandhout te kunnen vinden. Vuur is een absolute must in deze omstandigheden, warm eten en drinken zijn noodzakelijk, maar ook moesten zij hun natte kleding kunnen drogen omdat het nat werd van de sneeuw en van zweet, als gevolg van hun bovenmatige inspanning. Zij wilden zich zoveel mogelijk in een rechte lijn verplaatsen, maar zij waren gedwongen om steeds om rivieren en meren heen te trekken, het ijs was nog te dun om er overheen te trekken en hier en daar stond er ook nog water op het ijs waardoor hun voeten drijfnat werden. Uit het logboek van Poulsson blijkt dat hun trips belachelijk kort waren, soms maar een paar kilometer per dag. En tot overmaat van ramp brak Poulsson een van zijn skistokken en het duurde nog een maand voordat hij hem vervangen kon.
Op 24 oktober, zes dagen nadat zij geland waren, kwam de groep volledig uitgeput, nat en hongerig bij een verlaten (zomer) boerderij aan op een plek die Berunuten (kaart 1) genoemd werd. Hier vonden zij wat vlees en meel en konden daarmee hun eerste fatsoenlijke maaltijd bereiden sinds hun aankomst in Noorwegen. Het was gebruikelijk dat men in geval van nood gebruik kon maken van de voorraden in de hutten op de Hadandervidda. Onder normale omstandigheden werd verwacht dat men de gebuikte voorraden op een later tijdstip verving, een presentje, of geld in de hut achterliet. Dit waren echter geen normale omstandigheden en de Grouse leden waren genoodzaakt voedsel en andere levensmiddelen te stelen. De eerste dagen leefden wij in een tent in de buurt van de drop-zone, maar het werd te zwaar en wij wisten dat wij in de hutten in konden breken en in deze tijd van het jaar en in deze weersomstandigheden zou er niemand in de Hardangervidda zijn, aldus Poulsson. Naast voedsel vonden zij hier ook een toboggan, dit is een slee die door een skiër getrokken kan worden met behulp van een leren tuig en trekstangen.
Het bleek een bijzondere vondst te zijn, want de slee had eens aan Poulsson behoord, hij was als kind in bezit gekomen van deze slee, maar deze was verdwenen aan het begin van de oorlog. Deze vondst maakte de dagmarsen echter een stuk eenvoudiger. Het team ging dit keer slapen met een volle maag en toen zij de volgende dag wakker werden bleek het mooi weer te zijn, dit was een geweldige oppepper, zodat zij verder gingen met hun tocht langs de hellingen van de vallei..
Die dag bereikten zij de top van de Valasjå vallei (kaart 1), lieten hier hun lading achter en keerden weer terug naar de Berunuten boerderij. Poulsson en Kjelstrup, de sterksten van het team, gingen nogmaals met een lading naar een hut bij de Valasjå vallei en brachten daar de nacht door. Helberg en Haugland bleven op de boerderij en deden ’s nachts wanhopige pogingen om contact met Engeland te maken. Ook dit keer hadden zij geen succes en door de plotseling opgekomen mist waren zij ook niet in staat om op 27 oktober in de hut aan te komen. De volgende ochtend slaagden zij daar echter wel in en de vier vertrokken meteen weer nadat zoveel mogelijk uitrusting op de slee geladen was als maar enigszins mogelijk was. Als de bodem vlak is, is een slee een geweldig hulpmiddel en de trekkers kunnen dan een redelijke snelheid ontwikkelen.
Wanneer een slee eenmaal in beweging is blijft hij glijden en is er weinig kracht voor nodig om hem voort te trekken waardoor men weinig energie verbruikt. Dit is van belang in extreem koude omstandigheden en zeker wanneer men eigenlijk te weinig voedsel binnenkrijgt om goed te kunnen functioneren.
De groep Grouse schrok zich dood toen zij tussen Valasjådalen en Bitdalen (kaart 2) twee mannen uit de stad Rauland tegen kwamen, de twee waren op zoek naar schapen die hier in de warmere maanden graasden en zij waren nu op weg naar hun hut. Het was hun meteen duidelijk dat de vier, gezien de hoeveelheid uitrusting niet voor hun plezier op de Hardangervidda waren. Dit was de eerste ontmoeting met mensen sinds hun aankomst tien dagen geleden en dit was een situatie waar zij gedurende hun training steeds voor gewaarschuwd waren. Zij hadden geen andere keuze dan met de mannen een gesprek aan te gaan. Tenslotte gebeurt het niet elke dag dat je in deze tijd van het aan jaar mensen in de Hardangervidda tegenkomt. De vier soldaten hielden hun engelse legeruitrusting verborgen en vertelden de mannen dat zij deel uitmaakten van een soort inlichtingendienst.
De mannen moesten beloven dat zij wanneer zij terug waren in Rauland aan niemand zouden vertellen wie zij waren tegen gekomen. In eerste instantie leken zij Jøssings (trouwe Noren), maar in tijd van oorlog is dat moeilijk te bepalen. Je weet nooit met wie je te maken hebt, een Nazi-colleborateur, een verzetstrijder, of patriot. Jezelf kenbaar maken kan tot arrestatie lijden en mogelijk de dood tot gevolg hebben. Klinklare nonsens vertellen zou alleen maar leiden tot verwarring, achterdocht en geruchten in de plaatselijke dorpen. De mannen stelden geen vragen en bleken vriendelijk en behulpzaam te zijn, zij haalden zelfs een hamer en spijkers uit hun hut op om de oude, door het gewicht uit elkaar vallende, slee van Poulsson te repareren. Die avond, terwijl de mannen het Bitdalsvatnet meer bereikten, verslechterde het weer in een hoog tempo en omdat het meer nog niet bevroren was waren zij gedwongen om langs de oostelijke oever om het meer heen te trekken. Op 30 oktober bereikten zij een hut in de buurt van Reinar. De hele groep was totaal uitgeput, zoals Poulsson het uitdrukte:”we waren behoorlijk kapot”. Poulsson zelf had last van een kloppende steenpuist op zijn rechter hand en droeg zijn arm in een mitella. Het gezwoeg op een mager rantsoen begon ook zijn tol te eisen. Tijdens de marsdagen bestond het dagelijks rantsoen voor een kwart uit een plak pemmican (gecondenseerd gedroogd vlees vermengd met fruit en vet), een handvol havergrutten, vier beschuiten, een beetje boter, kaas, suiker, wat chocolade en een handvol tarwebloem. Onder normale omstandigheden was dit al niet genoeg voor een man om goed te functioneren, laat staan in deze ijskoude omstandigheden waarbij het lichaam alles verbruikt om warm te blijven. Daar komt nog bij dat men door diepe natte sneeuw moest waden en hiervoor was het rantsoen al helemaal niet voldoende.

Berunuten
De mannen besloten de groep op te splitsen, Helberg zou terugkeren naar de boerderij bij Berunuten om daar, zoveel als hij maar dragen kon, aan voedsel te stelen, terwijl Haugland opnieuw zou proberen radiocontact te maken met de stations Poundon of Grendon-Underwood in Engeland.
Poulsson en Kjelstrup zouden ondertussen een voorwaartse verkenning doen om de beste route naar de volgende hut te vinden. Hun taak was extra lastig omdat Poulsson zijn kaart vergeten had en het betreffende gebied niet kende. De bedoeling was om elkaar over drie dagen weer in Reinar te treffen.
Helberg maakte de 35-kilometer-trip naar Berunuten en terug onder de meest verschrikkelijke omstandigheden, de temperatuur was naar beneden gedoken en er was een storm opgestoken die over de Hardangervidda huilde vanuit het noord-oosten. Helberg en de andere leden van het Grouse team waren allen bekend met strenge winters op de Hardangervidda, maar geen van hen had verwacht dat de winter zo vroeg zou invallen en dat het gepaard zou gaan met deze temperaturen. Toen Helberg eindelijk weer in Reinar arriveerde stond hij op het punt in elkaar te zakken, hij was totaal uitgeput geraakt door zijn gevecht met de elementen. In het officiële rapport dat na de operatie werd opgemaakt schreef Poulsson over dit sterke staaltje van Helberg: Een man gaat door tot hij erbij neervalt en dan gaat hij nog een keer zo ver”. Later zei hij over Helberg:”Zelf ben ik heel praktisch ingesteld, maar Helberg was de meest praktische man in de hele groep”.
Pulsson en Kjelstrup verging het maar weinig beter in deze erbarmelijke omstandigheden, zij waren in staat een paar kilometer af te leggen en moesten uitgeput naar de hut in Reinar terugkeren. Om het nog erger te maken, was Poulsson voor de tweede keer sinds hun aankomst door het ijs gezakt.
Er zijn zo veel meren en rivieren in de Hardangervidda dat in het water terecht komen een constant gevaar is. Onderkoeling zet heel snel in als je in het water valt en je moet binnen enkele minuten je natte kleren uittrekken en je afdrogen, anders ben je binnen enkele minuten dood. Dit is met name een probleem als je alleen bent, dit was voor de Grouse-leden meestal het geval wanneer zij aan het jagen waren of op verkenning uit gingen. Als zij reserve kleding in hun rugzak hadden werd deze ook nat, dus alleen wanneer zij in elkaar’s gezelschap waren, of in de buurt van een van een hut waren die rond de meren liggen, hadden zij een kans om te overleven. Zelf uit een wak klimmen is vaak bijna onmogelijk. De beste manier om iemand uit een wak te halen is om plat op het ijs te gaan liggen en met behulp van een touw of een ski de persoon uit het wak te trekken. In dit geval was Kjelstrup in staat zijn commandant uit het wak te trekken.

Antenne plaatsen.
Er waren echter ook een paar positieve zaken te bespeuren in deze zware dagen die allen tot op de grens van menselijk kunnen brachten. Ten eerste vonden Poulsson en Kjelstrup een goed uitgeruste hut, genaamd Folabu, waar zij konden schuilen voor de huilden storm en waar zij op krachten konden komen voor hun volgende trip. “Bu” betekent hut in het Noors en daaraan voorafgaand komt meestal de naam van de eigenaar. Ook hadden zij een ijsbrug over de rivier de Farhovd gevonden en dat scheelde hen enkele dagen van nog meer zware marsen.
(Volgend hoofdstuk)
weggum.com