Witte Bonen, een herinnering aan mijn vader.
Op 8 maart 1945 aten we witte bonen. Het is eigenlijk toch wel gek dat je je zoiets na meer dan 60 jaar nog steeds herinneren kunt. Ik was toen 14 jaar en we zaten die middag min of meer met het eten op vader (Gerard Bloem) te wachten, die nogal laat thuis kwam. Hij bracht het verschrikkelijke bericht mee dat de Duitsers bij de Woeste Hoeve 117 of 118 (zoals hij zei) mensen doodgeschoten hadden.
Mijn vader had de gewoonte om verschillende dingen te tellen. Zo kon bij voorbeeld bij het eten van kersen zeggen: "Zo, nu heb ik er 25 op en schei er mee uit", of zoiets dergelijks. Ook wist hij precies hoe vaak hij met de fiets moest trappen naar de één of andere bekende plaats. Zo had hij ook in het voorbijfietsen de lijken geteld van de mensen die juist tevoren gefusilleerd waren. Pas later hoorden we het hoe en waarom. Op de avond van de 6e maart 1945, dus nauwelijks twee dagen tevoren, had een verzetsgroep die een auto (
vrachtauto) nodig had, een overval gepleegd op een auto, waarin toevallig de SS- und Polizeiführer van in Nederland zat, oftewel de opperste sadist van het Duitse politiekorpsin Nederland, Rauter. Zijn chauffeur en adjudant vonden hierbij de dood; Rauter zelf werd zwaar gewond. De Duitsers namen zeer scherpe represailles en in de voormiddag van de 8e maart 1945 werden bij de Woeste Hoeve 117 willekeurige Nederlandse politieke gevangenen doodgeschoten, maar ook elders vonden fusillades plaats.
Mijn vader, bosbaas op landgoed 'Deelerwoud' was die morgen voor zijn werk onderweg via 'De Hoef' naar 'Groenendaal' een ander deel van het landgoed. Nabij Woeste Hoeve aangekomen hoorde hij schoten vallen en bij de herberg aangekomen, werd hij door de beheerder Kees Aartsen naar binnen geroepen met de mededeling dat verderop iedereen werd doodgeschoten die in de burt kwam. Nu was mijn vader (en iedereen die hem gekend heeft, zal dat kunnen beamen) niet erg bang van aard en hij wilde er toch langs, misschien ook wel uit nieuwsgierigheid en om te zien wat er nu eigenlijk precies aan de hand was. Hoewel Aartsen en zijn vrouw hem bezwoeren om het niet te doen stapte hij toch op zijn fiets en reed richting 'Groenendaal'. De familie Aartsen dacht hem nooit meer terug te zullen zien.
Aan de overkant van de weg zag hij dat over een afstand van zo'n kleine twintig meter de juist doodgeschoten mensen liggen, steeds met een kleine aantalen (5 of 6) bij elkaar. De soldaten liepen tussen de gefusilleerde mensen door en gaven hier en daar aan enkelen die niet geheel dood bleken te zijn het genadeschot. Eén van de gefusilleerden hing over een lage afrasterring van het daarachter gelegen bouwland in een laatste poging om nog te vluchten... (
Jan Thijssen van de RVV Radiodienst).
Mijn vader fietste door naar 'Groenendaal' waar hij de bevriende familie Methorst vertelde wat er op "De Hoef' gebeurd was. Wat hij op dat moment niet kon weten, was dat er in een aangrenzende kamer een medeluisteraarster was. Plotseling werd de tussendeur opengegooid en in de deuropening verscheen een vrouw met een groot mes in haar hand, die uitriep dat zij alle Duitsers wel kapot zou maken. In één oogopslag overzag mijn vader de situatie. Hij greep de vrouw bij haar hand en bonkte met haar pols op zijn opgeheven knie. De vrouw liet direct het mes vallen en viel zelf in onmacht. Het bleek een Joodse vrouw te zijn die bij de familie Methorst ondergedoken was.
Na dit incident was er voor mijn vader best een andere weg geweest om weer thuis te komen, maar nee; toen hij op zijn fiets stapte, reed hij weer Woeste Hoeve. Niet ver voor hem uit reed ook een man op een fiets. Mijn vader kende hem wel, maar ik ben zijn naam vergeten. In ieder geval moest deze man - aangekomen bij de gefusilleerden - van een SS-er afstappen en eerst een bord lezen waarop stond waarom deze 'terroristen' waren doodgeschoten. Mijn vader kwam er achteraan en stapte ook af. "Doorrijden, verdomme" beet de SS-er hem toe (waarschijnlijk omdat mijn vader uit zichzelf afgestapt was?). Mijn vader stapte weer op zijn fiets ondertussen tellend hoeveel lijken er lagen. Ergens tussen de gefusilleerden hadden de soldaten (uit tijdverdrijf) een aantal conservenblikjes op elkaar gezet waar zij op afstand stonden te schieten. Zij schoten voor hem heen en achter hem langs toe hij passeerde. Bij Aartsen waar ze door een kier lagen te kijken wat er verderop gebeurde hadden zij tegen elkaar gezegd: "Daar schieten ze baas Bloem ook dood".
Ondanks al deze bizarre omstandigheden had mijn vader het aantal gefusilleerden toch geteld en wist thuisgekomen te vertellen dat het er 117 of 118 waren. Met ontzetting luisterden wij naar zijn verhaal. Van de witte bonen werd weinig gegeten...

Later vertelde hij nog weleens, dat het middelpunt van de plaats waar dit drama zich afspeelde, niet direct de plaats was waar nu het monument staat, maar dat die plaats iets meer naar het zuiden in de richting van de Groenendaalseweg was.
Dat de militair in zijn snauw Nederlands sprak, liet zich later ook verklaren toen wij vernamen dat de executie was uitgevoerd door Vlaamse SS-ers.
                                                                                     Cornelis Gerard (Cees) Bloem, Apeldoorn

© Historische vereniging 'De Marke'.
Auto van Rauter na de aanslag, de chauffeur en zijn adjudant liggen er nog in.
TERUG NAAR OVERZICHT
w.mugge@home.nl
In de middag van 8 maart 1945 kreeg de lokale politie opdracht van de SD de lichamen van de gefusilleerden te begraven op begraafplaats Heidehof in Ugchelen. Zonder identificatie werden mannen in een vijftig meter lang massagraf begraven. Wel werden ze begraven in de volgorde waarin de mannen naast elkaar hadden gelegen bij Woeste Hoeve. Aangezien de mannen waren gefusilleerd in de samenstelling waarin ze in Apeldoorn waren gearriveerd, kon men in ieder geval afleiden uit welke gevangenis de slachtoffers afkomstig waren.

Op 25 april 1945, een week na de bevrijding van Apeldoorn, werd begonnen met het opgraven van de slachtoffers en de identificatie van hen. Gemiddeld deed men vijftien opgravingen per dag. Bij de identificatie werden bijzondere kenmerken van de slachtoffers en hun kleding genoteerd. Voorwerpen als ringen en papieren werden met een stukje afgeknipte kleding in genummerde zakjes bewaard.

Dagelijks kwamen nabestaanden naar de Heidehof, hopend om iemand te vinden. Na identificatie of na het vastleggen van de kenmerken werden de slachtoffers in een kist herbegraven in een nabijgelegen grafveld. Daar werden de honderdzeventien slachtoffers in drieëntachtig graven begraven. Wanneer nabestaanden zich meldden, werd de kist opgegraven en kreeg het slachtoffer een rustplaats in de plaats van herkomst. Na een vijftal weken waren zestien slachtoffers nog niet geïdentificeerd. In diverse kranten verschenen advertenties met een oproep. Op 18 juni 1945 verschenen zelfs uitgebreide signalementen van dertien personen. Eind juni waren er nog slechts drie ongeïdentificeerde slachtoffers. Uiteindelijk zouden twee slachtoffers niet geïdentificeerd worden.

In maart 1950 lagen nog dertien slachtoffers begraven in het oorspronkelijke grafveld. Deze zijn toen herbegraven in de grafnummers 1026 tot 1038. Het pad waaraan deze graven liggen, kreeg de naam ‘het Woeste Hoevelaantje’.
Op 2 november 1982 werden negen van de dertien slachtoffers overgebracht naar het Ereveld Loenen. Daar werden ze, op uitdrukkelijk verzoek van een nabestaande, in dezelfde volgorde begraven als aan het Woeste Hoevelaantje.
In juni 2006 liggen nog vier slachtoffers begraven aan het Woeste Hoevelaantje. Slechts op het graf van een van hen, Jacob de Boer, is grafsteen geplaatst. Helmut Seyffards, Jean G. Joosten en F.A. Molijn hebben geen grafsteen. 
                                                                                                                                                                                              © STIWOT
Gerard Bloem