PAUL PETERS alias PAUL POLAK
Paul Peters alias Paul Polak alias Douwe alias Boating heeft in 2001 een artikel over zijn leven geschreven, het wordt hier onverkort weergegeven.
 
 
 
                                         CHRONOLOGISCH CURRICULUM VITAE PAUL PETERS.

                                                        - de oorlogsjaren -




JEUGD IN BALIKPAPAN EN HILVERSUM


Op 26 februari 1924 word ik geboren in Balikpanan. Mijn vader was dr. Z.P. (Paul) Polak, chemicus, werkzaam op de Shell raffinaderij; mijn moeder was Theresia (Rie) Mair, die voor haar huwelijk hoofdverpleegster in een klein ziekenhuis in Soekaboemi was. Ik had een zus Els, geboren in Balikpanan in november 1922. Medio 1924 met de boot via Batavia naar Nederland. Wij wonen voorlopig in Den Haag, verhuizen in mei 1925 naar de Waldecklaan 1 in Hilversum. Het jaat 1929, wij verhuizen eind april naar de Hertog Hendriklaan 1 in Hilversum. In 1930 wordt mijn zusje Hettie geboren. In september 1935 ga ik naar  het gymnasium aan de Schuttersweg in Hilversum. In 1936 krijg ik chorea (St. Vitusdans) en lig een paar maanden in het ziekenhuis.
(Chorea is een neurologisch symptoom. Het bestaat uit plotse, snelle en ongerichte bewegingen.) In september naar het antraposofische Kuranstalt Gnadenwald in Tirol. In februari 1937 mag ik terug naar Nederland.  1939, met een grote groep kinderen in IJmuiden ingescheept op de Tarakan naar Noorwegen.

In augustus 1939 voormobilisatie; vader is reserve-majoor voor speciale diensten en wordt opgeroepen; hij woont dan in Den Haag en wordt belast met de brandstofvoorziening van het leger. Op 1 september breekt de oorlog uit; Nederland blijft voorlopig neutraal. Op 10 mei 1940 valt Duitsland Nederland binnen, ik geef mij op voor de vrijwillge burgerwacht en moet lokaal de waterputjes in kaart brengen voor de vrijwillige brandweer, maar wordt gearresteerd door een politieagent die mij verdenkt van spionage. Op 14 of 15 mei besluit ik naar Engeland te gaan, vertrek per fiets naar de kust, maar krijg een lekke band en keer terug naar huis.
(Paul is dan net 16 jaar!)


1941. Vader is weer thuis maar wordt na een aanslag op een Duitse soldaat als gijzelaar in februari gevangen gezet in de gevangenis aan de Amstelveenseweg in Amsterdam, samen met een aantal Hilversumse notabelen. Wij mogen etenswaren en schone was brengen, Na 2½ maand komt hij weer vrij. Maar inmiddels is een auto met SD-ers en Nederlandse politie op de Hertog Hendriklaan bij ons de kelder komen leeghalen: ingemaakte eieren en alle mogelijke voedselvoorraden nemen zij in beslag. Ik ga in mijn beste Duits protesteren bij de Ortkommandatur, maar die verwijzen mij naar de SD in Amsterdam, maar daar ga ik niet naar toe. Vele vrienden en kenissen overstelpen ons met giften van levensmiddelen.

1941-1942. Moeder is erg nerveus en gaat enkele keren naar een rusthuis. Vader moet eind 1941 in een pension in Hilversum gaan wonen, omdat hij bezig is, op aanraden van zijn advocate Lau Mazirel, formeel van moeder te scheiden, dat zou veiliger zijn voor vrouw en kinderen van gemengde Joden, zo dacht men toen. Enige tijd later moeten alle Joden uit 't Gooi naar Amsterdam, waar vader bij oom Bram Lemans op de Slaakstraat intrekt. Els, die al een paar jaar Montessoriopleiding voor kleuterleidster volgt in Amsterdam komt thuis om voor Hettie
(11 jaar) te zorgen. Op 31 augustus 1941, Koninginnedag, hoor ik dat de Joodse leerlingen niet naar school terug mogen na de zomervakantie. Een groepje leerlingen, Karl Hans Brandt, Kees de Bruine en anderen komt bijeen bij mij thuis. Wij besloten tegen dit besluit te protesteren. Wij zoeken advies bij onze aardrijkskunde leraar Stender. De volgende dag stencilen wij op school een protestbrief en verzenden die naar alle leerlingen, hun ouders, leraren en ook aan de NSB burgemeester die president-curator van het schoolbestuur is. Er volgt een politie onderzoek. Een groot aantal leerlingen van de 5e en 6e klassen betuigen zich solidair met ons. Wij worden met z'n 33-en van school gestuurd en Stender wordt ontslagen. Na de Kerstvakantie mogen mijn medeleerlingen weer terug naar school, maar ik word 'levenslang' van school verwijderd, omdat ik als raddraaier beschouwd werd, of omdat ik Polak heette, dat is niet duidelijk. De 33 'bannelingen' werken goed samen, zij krijgen bijles van een aantal leraren van diverse scholen. Voor mij gaan die bijlessen door tot het Staatsexamen dat ik in juni 1942 in Den Haag doe en waarvoor ik met goede cijfers slaag.
In oktober schreef ik aan moeder dat ik van plan was naar Amerika te gaan, dat land was toen nog niet in oorlog, waar ik door de Lacomblé's geholpen zou worden. Lacomblé had geschreven dat ik daar dan wel bereid moest zijn het vak te beoefenen dat vader in de eerste helft van 1940 beoefend had, met andere woorden in het leger dienen. en ik schreef dat ik daar geen enkel bezwaar tegen had. Ik dacht toen aan een pilotenopleiding in Canada en voorzag dat ik aldus goed Engels en Frans zouleren. Enige tijd later 'kocht' ik een liberiaans paspoort van de Liberiaanse consul-generaal in Rotterdam, in de hoop daarmee 'legaal' uit Nederland weg te kunnen komen, maar voordat ik het paspoort ontvangen had verklaarde Liberia de oorlog aan Duitsland en vervloog deze hoop.
(Paul is dan ruim 18 jaar oud)

AMSTERDAM


1942
. In september ga ik scheikunde studeren aan de Vrije Universiteit waar ik clandestien mag studeren bij Prof. Coops en zijn promovendus Wuis, als half-Jood werd ik officieel niet tot de universiteit toegelaten. Ik huur een kamer met 3 maaltijden per dag bij mevrouw Van Antwerpen op de Frans van Mierisstraat 34II à raison van Fl.45 per maand. Ook Hans de Roos woont daar. Samen geven wij bijlessen om iets bij te verdienen. Wij worden allebei gefleurd door dispuut MARNIX na een clandestiene groentijd. Al gauw raken wij betrokken bij illegaal werk van MARNIX

(Dit was een verzetsdispuut bij uitstek. Het verloor tijdens de oorlog 6 leden: Frits Oppenheimer, in Mauthausen oktober 1941; Gijs Gorter, Theo van Gogh en Hans Bais op Rozenoord, Amsterdam 8 maart 1945; Carel van Leeuwen in Dachau januari 1945; Marc van Hasselt in Den Haag in januari 1946)

Voornamelijk hulp bij onderduik, valse papieren, etc. Ik vind een onderduikadres voor mijn Joodse oudoom Josef Hanf bij mijn moeders tante Mar Mair in Nijmegen.
In de loop van 1942 wordt ons huis aan de Hertog Hendriklaan 1 gevorderd door het Duitse leger, evenals  de meeste andere villa's in het Nimrodpark, Mijn moeder, Els en Hettie krigen vervangende woonruimte bij mevrouw Van Tienhoven aan de Laapersweg 8, later een heel huis. Pieter de Hooghlaan 47 in Hilversum. Ik kom daar vaak de weekends. Moeder is onder behandeling van een zenuwarts en is maanden lang in een rusthuis, een tijdlang in een kasteeltje in Hoevelaken, later in Beesd waar zij Dora Hanf die daar ondergedoken is tegen het lijf loopt. Later gaat zij naar een rusthuis in Den Haag, 2e Schuitstraat 188. Daar wordt zij in 1943 opgepakt samen met een aantal daar ondergedoken Joden en de psychiater. Els leidt aan de Pieter de Hooghlaan 47 een huis vol met onderduikers, onder andere de familie Tau.
Eerder in 1942 stelde John Mair, broer van mijn moeder, aan Els voor om oom James en tante Els en Rita Barmé (
Zus van BBO agent Richard Barmé, vermoord op 8 maart 1945) naar Zwitserland te helpen. Zij vertrokken in mei 1942 en Els zou tot de grens in de trein meereizen. Even voorbij Utrect worden zij allen in de trein gearresteerd, ook Els en naar het Oranje Hotel in Scheveningen overgebracht. Allen, behalve Els, zijn vermoord in Polen. Els kwam na enkele dagen vrij. John Mair bleek agent-provocateur te zijn en is in 1950 tot 9 jaar gevangenisstraf veroordeeld, deze straf werd later verminderd. Eerder had hij mijn neef Wim Polak verraden. Hij stierf in het concentratiekamp Amersfoort. (Arts in Rotterdam , leed aan suikerziekte en overleed in kamp Amersfoort op 17 november 1942, oud 26 jaar)

1943.Ik ben vrijwel zeker dat John Mair een verrader is. Ik heb hem een aantal dagen gevolgd, zonder resultaat. Ik besprak met Leo Frijda, van de illegale organisatie CS-6, de mogelijkheid om hem te liquideren. Leo vroeg mij toen naar België te gaan waar ik wapens voor CS-6 zou kunnen krijgen van de Belische verzetsbeweging de Witte Brigade. Ik ga in juli, via Alteveer en Hasselt, maar de adressen in Antwerpen en Brussel kloppen niet en ik kom onverrichterzake terug. Inmiddels zijn mijn dispuutgenoten Carel van Leeuwen en Marc van Hasselt op 17 juli 1943 gearresteerd; Leo Frijda wordt in augustus opgepakt en op 1 oktober 1843 gefusilleerd. De SD zoekt mij in Amsterdam en Hilversum. Ik duik onder, eerst een paar dagen in Valkenburg, daarna onder andere op de Veluwe, in het doopsgezinde vakantiehuis 'Samen-Eén' in Giethoorn, waar mijn latere dispuutgenoten Manassen ondergedoken waren.

Op 5 mei sterft mijn oudoom Moritz Hanf in zijn pension in Hilversum, 84 jaar oud. Ik had in de jaren 1941 -1942 zijn vrouw Rebecca bijna wekelijks opgezocht om met haar Kant te lezen; zij was filosofe en Kant-kenster. Samen met Rebecca en de hospita begraaf ik Moritz op 7 mei op de Noorderbegraafplaats. Op Rebecca's verzoek lees ik een gedicht voor dat zij gemaakt heeft:

Was Menschenwahn im Leben Dir genommen
Der Tod hat Frieden Dir zurückgewonnen
Wie abhold Du dem Punkt im Leben
Der Erde punktlos sei Dein Leib zurückgegeben
Raum-, Zeitlos wirkt der Lebenskern des Geisteskraft
Unsterblich fort, befreit von Körperschaft
Was Schweres uns die Welt noch bringen mag
Du ruhst geschützt vor allem Ungemach.

Kort daarna is tante Rebecca naar Westerbork gebracht; in januari 1944 vond zij de dood in Ausschwitz of op weg daarheen.
In 1993 zag ik ontroerd het gedicht terug op pagina 75 van Martina Kliners Gedenkbuch "... vergessen kann man das nicht, Wittener Jüdinnen und Juden unter dem Nazionalsozialismus".

Eind july 1943 vertrek ik opnieuw naar België, ditmaal met Gel Mijnleiff en introducties voor een aantal Nederlanders in Brussel.



BRUSSEL - SPANJE

Juli-Oktober 1943
. In Brussel vinden Gel en ik gastvrijheid bij velen: madame Manteau, de uitgeefster, waar we enkele weken logeren. Haar man Prof. Closset, laat ons Frans spreken op een magnetofon en doet fonetisch onderzoek daarmee; de Belgische politieagent Devriendt, en zijn volwassen kinderen Antoinie en Antoinette, waar wij logeren; de familie Duyster (hij werd later directeur-generaal van Hollands Beton) die ons een flat ter beschikking stelt; de families Nieuwland-Pelkman en Van Mierlo en een half dozijn anderen die ons vaak te eten uitnodigen.
Van 10 tot 31 oktober ben ik nog in Nederland geweest, althans volgens het proces-verbaal van mijn verhoor in Londen op 5 mei 1944, maar ik heb daar geen enkele herinnering van.
Ik hoorde toen dat Leo Frijda gepakt en ter dood gebracht was. Op 31 oktober ben ik terug in Brussel. Daar waren wij al betrokken geraakt bij een organisatie, later de 'Visigothes' genoemd, geleid door Jan Strengers, die een escape-line naar Spanje runde; wij haalden mensen, Engelandvaarders en piloten, op het station op, brachten hen naar een logeeradres en zetten ze een paar dagen later, voorzien van valse papieren, op de trein naar Parijs.
Begin november komen drie Nederlands aan op doorreis naar Spanje: Frans Dijckmeester, Rob de Brauw en Barthold de Beaufort (later bleek de moeder van De Brauw een cel in 't Oranjehotel te delen met mijn moeder). Ik besluit me, onder de naam Paul Petit, bij hen aan te sluiten. We reizen op 9 november per trein naar Parijs, logeren bij een neef van Barthold, gaan per trein door via Toulouse naar Pau; komen door alle controles heen. Van Pau naar St. Jean Pied de Port per auto. Toen 5 nachten over de Pyreneeën, een barre tocht door de sneeuw. Onderweg kan ik niet verder; ik blijf liggen, maar anderen dwingen mij met cognac etc verder te gaan. Wij zijn met 19 man en een gids. Eindelijk komen wij bij Orbaiceta
(Orbaizeta) de grens over.

Na een nacht in de locale fonda, waar ik latijn spreek met een priester, trekken we verder. De Guardia Civil stopt ons in een bus en brengt ons naar Pamplona. Daat blijk ik als enige, onder de leeftijdsgrens van 20 te zijn; de anderen gaan door naar het beruchte concentratiekamp Miranda aan de Elbro. Ik wordt op circa 20 november ondergebracht in résidence forcée in een gezellig hotelletje, Fonda Gogorza in Leiza, Navarra. Daar zit nog een Nederlander, Jaap Jongeneel, en een groep Fransen, onder andere Claude Perras met moeder en zuster uit Dakar. Claude was een allerliefst meisje, zo om te zien een jaar of 17. Jaap en ik waren beiden een beetje verliefd . Totdat zij jarig was en bleek 12 jaar oud te zijn. Ik heb Jaap nooit meer teruggezien, maar kreeg begin 2000 een lange brief van hem uit de USA waarin hij een bizarre drinkwedstrijd tussen ons beschrijft.


1944. Midden in december 1943 word ik uit Leiza om onnaspeurlijke redenen overgebracht naar het Campo de Concentracion del Balneario de Urbaruega de Ubilla nabij Marquinna in Viscaya niet ver van Bilbao. In dat Spa zitten een paar honderd vluchtelingen, mannen en vrouwen, van alle mogelijke nationaliteiten. Wij worden goed gevoed, voornamelijk met halubias
(alubias = bonenschotel) en hebben het er best, zij het opgesloten. Eénmaal mag ik naar de tandarts in Ondarroa waar ik de Edamse familie Bloem ontmoet.
Ik word op 6 januari 1944 bevrijd door José Davids die voor het Nederlandse gezelschap werkt. Per spoor naar Madrid, daar eerst een weekend in een kerker van de Sequridad, daarna in Hotel Internacional, een ongekende luxe. Ik krijg een ruime uitkering van het Nederlandse consulaat om kleren te komen, ook een bedrag van de loklae Shell manager die ik opzoek. Op 31 januari worden 148 Nederlandse en Poolse Engelandvaarders in een geblindeerde trein gestopt die ons naar Villa Real de Stanto Antonio brengt, in het zuid-oosten van Portugal. Daar schepen wij ons op 3 februari in het holst van de nacht in op de SS Sayonara , een luxe jacht, dat ons in Gibraltar aflevert. In Gibraltar word ik soldaat in het detachement Pahud van de Nederlandse landmacht en leer ik marcheren en dergelijke. Op 9 maart vertrekken wij. Wij varen op een Pools schip, de Orduňa, met 2500 man, Nederlanders, Belgen, Polen, Fransen en Britten, in een groot convooi om Ierland heen naar Liverpool, waar wij op 16 maart 1944 aankomen.


ENGELAND

1944
. Per trein naar Londen, waar we ondergebracht worden in de Royal Victorian Patriotic School, voor screening door British Intelligence. Ik moet daar ongeveer 2 weken blijven, word dagenlang ondervraagd en tenslotte vrijgelaten. Als Engelandvaarder mag ik een paar dagen logeren in de voormalige villa in Wimbledon van Koningin Wilhelmina, daarna in een kazerne in Sloane Square. In die tijd besluit ik mij ter beschikking te stellen van het BBO, de organisatie die samen met SOE-Special Operations Executive agenten uitzendt naar Nederland. Op 5 mei 1944 wordt ik nogmaals uitvoerig ondervraagd over mijn familie, illegaliteit, NSB-ers, etc, dit maal door het bureau van kolonel Pinto waarbij een deel van mijn verhoor wordt afgenomen door Barthold de Beauford.

Februari-September 1944
. Na een psychologische en fysieke screening van enkele dagen wordt ik in de rang van sergeant aangenomen als aspirant WT-operator, dat wil zeggen marconist. Een zeer intensieve training volgt in Moran aan de westkust van Schotland en in Thame, bij Oxford: seinen, codes, silent killing, werken met TNT, etc. Op vliegveld Ringway, bij Manchester, krijg ik mijn parachutetraining met 6 sprongen. In het voorjaar ben ik op de thee bij de Koningin in Reading; zij wil alles weten over mijn familie, de illegaliteit, mijn reis, etc. Vrije dagen breng ik door bij nicht Map van Esso in Holyhead op Anglesey waar zij een huisartsenpraktijk waarneemt en bij de familie Rodrigues-Pereira in Noord-Londen. Pereira was mijn leraar oude talen en Hebreeuws op het gymnasium, nu legerrabbijn; zijn dochters Mirjam en Frieda worden goede vriendinnen. Begin september ben ik klaar voor een job, vind ik. Bram de Vos
(Pieter de Vos), een van de andere trainees, denkt er net zo over. Na Dolle Dinsdag, 5 september 1944, worden wij ongeduldig. Wij gaan naar het BBO in Londen om aan te dringen op spoedige uitzending. Ik wordt door de genraal van Oirschot, hoofd BBO, bevorderd tot tweede luitenant.



ROTTERDAM-AMSTERDAM

Op 21 september 1944 word ik, kort na de luchtlandingen bij Arnhem op 17 september, gedropt bij Berkel-Rodenrijs, samen met drie andere agenten met wie ik geen verder contact heb gehad tijdens de oorlog
(Maarten Cieremans, Wim Hoogewerff en Gerard de Stoppelaar). Eén van hen, Ben Cieremans, schreef er later een boek over 'De ene voet voor de ander'. Verder schreef Eddy de Roever in 1992 een boek genaamd 'Londen roept Amsterdam' dat slecht geschreven is en vele fouten bevat maar toch een redelijke indruk geeft over operaties Draughts.
Mijn oorspronkelijke opdracht is om samen met de commandant LKP
(van Beijen) in Rotterdam te verhinderen dat de Duitsers de haven van Rotterdam onbruikbaar zouden maken. Na enkele uren op zijn kantoor heb ik weinig vertrouwen in de security van zijn organisatie. Ik vind zelf onderdak bij ds. Gorter, de vader van mijn dispuutgenoot Gijs Gorter en zorg voor afdoende security. Na een vermeende overval door de SD vlucht ik midden op de dag uit huize Gorter, later blijk ik de overval gedroomd te hebben. In oktober 1944 krijg ik de opdracht naar Amsterdam te gaan en mij bij Tobs Biallosterski en Bram de Vos te voegen. Ik word naar Amsterdam gebracht door twee als SD-ers geklede mannen in een Duitse auto. Onderweg worden wij tweemaal door RAF vliegtuigen beschoten. Ik meld mij bij Overste Six van de staf van generaal Koot, net benoemd tot commandant Binnenlandse Strijdkrachten. Via Henk Veeneklaas krijg ik onderdak en een koerierster, Gerda Meijer. Van oktober 1944 tot april 1945 woon en zend ik op vele adressen, bouw ik samen met Bram (Pieter de Vos) een organisatie op voor de beveiliging van de zendadressen, tegen het eind hadden we een systeem van transmission dispersion (op afstand te bedienen zenders) met behulp van telefoonlijnen en voor het opladen en transport van batterijen, etc. Intussen komt de aanvoer van wapens op gang door een groot aantal droppings, voornamelijk in de kop van Noord-Holland.


1945. Op 10 februari wordt Tobs nabij Mandrill, een van de dropping zones, na een vuurgevecht, gearresteerd, samen met de anderen. In de dagen daarop vallen nog een paar anderen in de Duitse fuik, waaronder mijn koerierster Gerda. Ons securitysysteem is gelukkig zo goed dat de operatie door kan gaan.
Anita Gijsen wordt mijn koerierster en toeverlaat. Henk Veeneklaas, internist en later hoogleraar kindergeneeskunde, neemt de leiding over van Tobs. Dit leidt tot problemen met Londen waar SOE er moeite mee heeft dat iemand die niet door hen getraind is als organisator van een operatie optreedt.
Begin april zijn de misverstanden zo groot dat wij besluiten dat ik maar naar Londen moet gaan om de problemen op te lossen. Ik vertrek per fiets via Den Haag naar Sliedrecht en wordt daar met een roeiboot overgezet, langs de Kop van 't Land, waar wij door de Duitsers beschoten worden, naar Lage Zwaluwe, Canadees gebied. Een Canadese majoor brengt mij naar Breda waar ik in gevangeschap moet wachten totdat Londen mijn verhaal bevestigt. Vervolgens werd ik fluks in een vliegtuig gezet en kon ik mijn verhaal in Londen doen. Daar had men het druk met andere dingen. Later zie ik, in een rapport over mijn missie, een verwijzing naar 'Peters, full of his own importance'. Wat ik niet wist was dat er al besprekingen met de Duitsers over overgave aan de gang waren en dat de Duitsers toegezegd hadden geen arrestaties meer te doen en het seinverkeer ongemoeid te laten. Het waren de weken van het Zweedse wittebrood en de voedseldroppings in bezet Nederland. Eind april keer ik per vliegtuig terug, via Eindhoven naar de net bevrijde Veluwe. Ik sluit mij aan bij een Canadese eenheid in Stroe. Daar kwam Prins Bernhard op een ochtend met z'n jeep om kratten advocaat te brengen uit de wijnkelders van 't Loo: voor de Canadezen een nieuw soort porridge bij het ontbijt. Ik vorder een motorfiets van een plaatselijke boer en vind ergens een telefooncentrale
(Ermelo) van waar ik het geheime telefoonnet in Amsterdam kan bellen. Een paar dagen later, op 5 of 6 mei, zit ik op een tank die via Amersfoort, Laren naar Amsterdam rijdt, overal luid toegejuich.

Mei-Juni 1945. In Amsterdam zetten wij een kleine eenheid op in twee huizen op het Dijsselhofplantsoen, waar de SD gezeten had. Wij hadden de Britse kapitein Harrad van SOE als commandant, verder waren er tot majoor bevorderde de. Veeneklaas, Bram en ik, plus een aantal BS-ers. Veeneklaas recruteert kok H.W. Hersbach van Wagon Lits, die zorgt voor fameuze maaltijden waarmee wij goede sier maken. Onze taak was alle gedropte wapens en explosieven te verzamelen. De explosieven maakten wij onschadelijk.
Ik herinner mij een feest op drop zone Mandrill bij Spanbroek waar ik als passagier looping-de-loops maak in een eenmotorig vliegtuigje. Op 19 mei word ik bevorderd door Prins Bernhard tot 1e Luitenant. Toen mijn chauffeur ziek was en ik in Den Haag moest zijn, liet ik mij door iemand uitleggen hoe een auto werkt en zat ik zelf aan het stuur, maar jammer genoeg reed ik hem in Den Haag total loss tegen een lantaarnpaal toen een jongetje plotseling de weg overstak. Een paar dagen later gebeurde hetzelfde nog eens, dit keer tegen een boom, op weg naar Utrecht. Verder had ik nog een ongeluk met een jeep in Hilversum toen ik aan Jenneke en Iteke Oomes probeerde te demonstreren hoe stabiel hij was; ongelukkigerwijs sloeg hij om waardoor Iteke een hersenschudding opliep. het gebeurde bij een school waar een eenheid van de Canadese RCMC ingekwartierd was; zij hielpen mijn jeep overeind maar konden voor Iteke niets doen, het was de Royal Canadien Musical Corps en niet het Medical Corps. Daarna heb ik nooit meer een ernstig ongeluk met een auto gehad.
Een hoogtepunt van de weken in Amsterdam was het bezoek op 8 juni van brigadier Mockler-Ferryman, een hoge SOE piet, die vol lof bleek over onze operatie.

In juni kwam moeder terug in Hilversum uit Dachau, na een lange zwerftocht; onze onmoeting ten huize van dokter Van der Schatte-Olivier, onze huisarts was heel emotioneel. Eerder had ik natuurlijk mijn zussen Els en Hettie teruggevonden. Het was merkwaardig dat zij begin mei 1945 ondergedoken zaten in Laren met valse papieren op de naam Peters, dezelfde naam die ik in Engeland gekregen had.
Ook nog in juni hoorden wij van een arts, Eddy de Wind, die uit Auschwitz terugkeerde, dat vader daar op 26 of 27 februari gestorven is in een toestand van totale uitputting.

Op 8 juni 1945 gaan Henk Veeneklaas, Bram de Vos, Gerda Meijer, Madeline van Geuns en ik op vakantie naar Engeland
(Ging Jard du Celliee-Muller niet mee?). Wij bezoeken een SOE station en maken begin augustus een voettocht door Schotland van Aviemore naar Braemar, daarna enkele dagen in Glasgow. Terug in Londen vieren wij op 15 augustus VJ-Day. Op 21 augustus 1945 worden Bram en ik door het BBO uitgenodigd om een korte missie naar Indië te gaan.


CEYLON-BATAVIA

1945
Augustus-December: Na een training in Peterborough van 27 augustus tot 6 september, vliegen wij op 8 september naar Cairo en de volgende dag door naar Karachi en Colombo waar wij op 10 september aankomen. Met een groep van ongeveer 40 Nederlandse officieren krijgen wij in Laksepatiya les in Maleis en Japans, verder wapentraining, zwemmen en feesten, dit alles als leden van Force-136, een onderdeel van SOE. tenslotte vliegen Henk de Jonge, Bram
(Pieter) de Vos en ik op 1 oktober met een Catalina via Singapore naar Batavia. Onze opdracht was onduidelijk. Ieder van ons had in een het Japans geschreven document meegekregen, dat door de minister van Oorlog persoonlijk ondertekend was. Ik heb het in oktober 1995 door een japanse student aan het ISS laten vertalen. Bij aankomst op het vliegveld Kamajoran worden wij ontvangen door een Japanse generaal die zijn zwaard overdraagt aan Henk de Jonge, ten teken van overgave dachten wij en die ons vervolgens zijn huis in Djati Negara (Britannia Park) en zijn auto aanbiedt. Wij recruteren vervolgens enkele oud-KNIL militairen. Met behulp van de Jappen hebben wij de radioverbinding met Nederland hersteld, hetgeen wij als onze voornaamste opdracht beschouwden. Bij aankomst waten wij de eerste geallieerde militairen in Batavia, al was een paar dagen eerder al een RAPWI party gearriveerd die meteen naar Bandung doorgereisd was. Een week later arriveert de staf van generaal Christison en daarna is Batavia al gauw vol Britse troepen. Later komen nog enkele Nederlandse militairen aan, onder andere admiraal Helfrich en kolonel Spoor. De laatste verzocht ons zo spoedig mogelijk naar Nederland terug te keren, vermoedelijk omdat wij zelfstandig opereerden en rapporteerden aan de regering in Den Haag; zulke interlopers (pottenkijkers) kon Spoor niet gebruiken. (Het was maar goed dat er nog geen Internationaal Oorlogs Tribunaal bestond).
Die 6½ week in Batavia waren buitengewoon boeiend. Op 23 november komen wij aan op Schiphol met de DC-4 Skymaster onder Parmentier, het eerste vliegtuig uit Batavia. In het dagblad Gooische Klanken van 26 november staat een interview met mij "de man die naast Soekarno woonde". De vliegreis duurde, meen ik, drie dagen, met overnachtingen in Rangoon en op een RAF basis in Zuid-Irak.


AMSTERDAM

1946
. In januari hervat ik de studie chemie, maar nu aan de Gemeentelijke Universiteit. Ik vind een kamer op Amstel 77 bij de Magere Brug, waar Ursula Plut gewoond had, een vrouw van lichte zeden die volgens de verhalen zowel met Moffen als met Canadezen naar bed ging en die eind 1945 opgepakt was, waardoor haar kamer vrijkwam. Een tijd lang werd er 's avons nog al eens op mijn raam geklopt door soldaten, maar als ik het gordijn open schoof en zij mij in uniform zagen dropen zij af, ongetwijfeld concluderend dat Ursula al een klant had. Ik bleef daar wonen tot 1949. Andere studenten kwamen erbij, onder andere Nico Freida en Mars Cramer. Vanaf december 1947 woonde ik daar met Marijke
(zijn toekomstige vrouw).

Van februari 1946 tot juni 1947 werk ik keihard in de chemie om de verloren tijd in te halen, maar ben daarnaast bezig met de problemen van mijn moeder en zussen in Hilversum die terug waren in ons huis aan de Hertog Hendriklaan 1, dat echter nagenoeg onbewoonbaar was als gevolg van bezetting en bomschade.


Ook werk ik aan de opbouw van een 'stay-behind' netwerk waar wij in overleg met de regering besloten hadden. Van 4 tot 13 december 1946 hadden Henk Veenklaas, Pieter de Vos en ik daarover gesproken in Londen en dit project, later bekend geworden onder de naam O&I of Gladio, Operaties en Inlichtingen zou mij tot 1954 bezig houden. Deze werkzaamheden gaven mij een inkomen van Fl.800 per maand, in de eerste jaren vermoedelijk iets minder, toen het voor mij afliep in 954, Fl. 525 per maand belastingvrij. Hoewel de meeste buitenlandse contacten met de Britse geheime diensten waren, hebben wij van 1946 af ook contacten met de Amerikaanse OSS, later CIA, gehad en in dat jaar een fascinerend bezoek aan de CIA in Heidelberg gebracht. Van het begin af aan waren er spanningen tussen de US en de UK. Het hele O&I avontuur is, voorzover ik weet, in Nederland pas in 1996 op last van minister-president Lubbers gestopt, na veel publiciteit over 'Gladio' in een aantal andere landen en nadat ook in Nederland een aantal 'caches' met wapens, zendmateriaal, en dergelijke ontdekt waren
(o.a. Posbank bij Arnhem).
Andere dingen die tijd en aandacht vergden in deze periode waren mijn dispuut MARNIX, mijn naamsverandering op 1 juni 1948 en rechtsherstel met betrekking tot alles wat vader bij Liro (Lippmann Rosenthal, de bank die de Duiters gebruikt hadden bij de condfiscatie van Joods kapitaal) had moeten inleveren.

Op 14 februari 1946 verloofde ik mij met Edda Hanf, deze verloving werd door Edda op 27 februari beeindigd.

Op 29 maart 1946 kreeg ik de Bronzen Leeuw, die op 2 augustus in Den Bosch door de Koningin uitgereikt werd; moeder en Oma Wijma waren daarbij aanwezig.

Op 22 augustus 1947 weer naar Londen met Pieter de Vos, waar ik onder andere een training security van de Britse geheime dienst krijg en ook een mototfiets koop, een Royal Enfield, die door mij en Marijke 'Toy Trumpet' genoemd werd. In oktober ben ik weer terug in Amsterdam. In juni 1948 gaan wij
(Paul en Marijke) op 'Toy Trumpet' via Parijs - St. Cloud-Chartres naar de Pyreneeën en Spanje. In St. Cloud logeren wij bij Lili en Jean-Jacques Savigny. In Leiza in de Fonda Gogorza waar ik ook in 1943 verbleef.

Op 11 augustus 1948 wordt mijn naamsverandering officieel.

Op 17 augustus 1948 ben ik met een stel Engelandvaarders op de thee bij de Koningin op het Loo. In december moet ik voor herhalingsoefeningen opkomen in Amersfoort, maar word na enkele dagen naar huis gestuurd als de 2e politionele actie in Indië begint, want mijn commandant ziet dat ik in Balikpapan geboren ben en weet niet, zegt hij, aan welke kant ik sta...





IN MEMORIAM
.                                                        By Professor Nico Schrijver, NILR 2003 115

...When he finished his law degree in 1953. Paul Peters toop up an appointment with Shell. Subsequently, he served for nearly 20 years as an economist and legal adviser in The Hague, London, Maracaibo and Caracas. In 1973 Peters was appointed to the international law desk and charged with a wide variety of legal issues, including the law of the sea, nationalizations and foreign investment regulation. Apart from concrete cases involving the interest of Shell, he often represented Dutch industry in multilateral consultations on the law of the sea, transfer of technology and foreign investment regulation in the context of the Organisation for Economic Co-operation and Development, the United Nations and the International Chamber of Commerce. From that time, he also developed a keen academic interest in international law. He retired in 1983 as one of Shell's main international law advisers.


Paul Peters died peacefully on May 8th, 2003, at the age of 79, after a lifelong carreer in international business and commitment to the practice and study of international law. For 30 years he served as an economist and corporate lawyer with companies of the Royal Dutch Shell Group. His contribution to international law was recognised when he was made an honorary member of the Netherlands Society of International Law in 1996.



                                                         
w.mugge@home.nl



            

                                                                           



 
 
 
 



                                                                     
 
 
 

                                                           
(naar afbeeldingen pagina)