ENQUETECOMMISSIE REGERINGSBELEID 1940-1945.
DE NEDERLANDSE GEHEIME DIENSTEN TE LONDEN.
    DE VERBINDINGEN MET HET BEZETTE GEBIED
HET ZENDVERKEER.
         Deel 4 A & B, Bladzijde 705.


          1. Ontvangst en decodering.
Mr. C.L.W. Fock weet positief, dat zowel SIS als SOE een eigen ontvangstation en eigen codekamer hadden. Bij SOE was een centraal ontvangstation voor alle landensecties. (Dit was pas op 1 juni 1942 het geval, daarvoor regelde SIS al het zendverkeer en de codering van alle verschillende landen. Bron: Leo Marks). Wat de decoderingskamer, betreft, weet de heer Fock het niet.

K.H. Schilp heeft geen idee, of het ontvangststation voor de telegrammen voor beide diensten (
BBO & BI) hetzelfde was. (zeker niet), of dat er voor elke dienst enige ontvangstations had. Hij kan niet zeggen, of elke sectie van SOE een eigen codekamer had. Hij zou een verhandeling kunnen houden, hoe het zou kunnen zijn, maar hij kan zelfs niet zeggen, of de codekamer een onderdeel was van de verbindingsdienst of dat zij een onderdeel was van de Dutch Section .

De Bruyne weet niet, of SIS en SOE een ontvangstation hadden. Hij gaat dus van de veronderstelling uit , dat er drie instanties waren: Ontvangstation, decoderingsinstituut en de Nederlandse sectie van SOE. Er was een decoderingsinstituut tussen het ontvangstation en de landensectie vanwege security.

C.H.J.F van Houten heeft verklaard, dat het centrale punt te Londen 'Central' was, waar de telegrafische verbindingen met de bezette gebieden binnenkwamen. Daaronder verstaat hij het ontvangstation. Hij is er zelf nooit geweest, maar hij heeft er Somer wel eens naar gevraagd en deze antwoordde, dat hij meende te hebben begrepen, dat alles door dezelfde instantie werd behandeld (
hij wist het dus ook niet). Van Houten gelooft, dat alles voor beide diensten, voor SIS en SOE, op één punt kwam. Dit heeft altijd uit de gesprekken begrepen, ook uit de woorden van Seymour. De Engelsen lieten er zich natuurlijk niet erg over uit en de Nederlanders zijn er persoonlijk nooit naar toe gegaan. De decoderingskamer was bij de Engelsen.

Kas de Graaf herinnert zich, dat op de decoderingsafdeling voor Nederland, waar de telegrammen werden gecodeerd, een Nederlander zat in Brits uniform (
Barend Olink). Hij heeft hem nooit gekend. Deze werkte ten behoeve van de Dutch Section. Kas de Graaf zou niet durven zeggen, of deze disciplinair ressorteerde onder de commandant van deze sectie. Hij herinnert zich uit gesprekken, die hij heeft gevoerd met leden van de Britse sectie, dat er voor de Dutch Section een speciaal aantal mensen was, waarbij een officier in Brits uniform was, die daar mede belangrijk werk verrichte in de decoderingsafdeling. Kas de Graaf is meermalen op het kantoor van Dobson geweest, maar hij heeft die Nederlander daar nooit gezien.
Het decoderen gebeurde niet op het kantoor van Dobson. er waren allerlei secties, waarvan Kas de Graaf mensen kende. Er was nooit enige indicatie betreffende de werkzaamheden, die daar werden verricht. Dat moest je maar te weten zien te komen. Men kon het ook niet zien aan bepaalde letters of afkortingen op de deuren. Het is natuurlijk mogelijk, dat de decodering in dat gebouw geschiedde, maar het lijkt Kas de Graaf toch waarschijnlijk, dat deze decodeerders op het station zaten, waar de telegrammen binnenkwamen, dat zij ook sectie gewijs waren ingedeeld en dat zij aan de telegrammen konden zien, tot welke sectie deze behoorden (
Er bestonden toch ook zogenaamde radioskeds, men wist wanneer welke agenten uit zou kunnen gaan zenden).

Jan Somer verklaart, dat SIS en SOE ieder een apart home station hadden met alles, wat er bij behoorde. (
Nu weet hij het in eens wel). Dat was gescheiden. Ook de squadrons, welke voor SOE en SIS dropten, waren gesplitst. Van het Home Station, Central, was de Signal Section een onderdeel; daar werden de codes bewaard en vonden de codering en de decodering plaats.

Bij de besprekingen, welke de voorzitter van de commissie in October 1949 te Londen heeft gevoerd, hebben Seymour en Bingham beiden verklaard, dat SIS en SOE ieder een apart centraal ontvangstation hadden. Bij elk van deze twee 'Centrals' was een sectie, waar de uitgaande en inkomende telegrammen van alle landen gecodeerd en gedecodeerd werden. Er werd dus niet gecodeerd en gedecodeerd in de landensecties, hetgeen begrijpelijk is, omdat bij het gevolgde systeem de codes centraal bewaard bleven, hetgeen uit een oogpunt van veiligheid te prefereren was. Bij de latere goede samenwerking tussen de Dutch Sections van SOE en SIS met haar Nederlandse tegenspelers kregen de sections en de corresponderende Nederlandse diensten een gelijkluidende doorslag van het gedecodeerde telegram; in de periode daarvoor kregen alleen de Dutch Section zulk een copie en de Nederlandse diensten een paraphrase en dan nog niet altijd. De gedragslijn in de eerste periode kan volgens beide heren wellicht ook hiermede gemotiveerd worden, dat de codes van die tijd minder goed waren dan de latere. Zij konden gemakkelijk gebroken worden en moesten dus met meer voorzichtigheid behandeld worden.

Colonel Cordeaux van SIS en Colonel Brook van SOE hebben bevestigd, dat de codering en de decodering van de telegrammen centraal geschiedde bij de Signal Section en niet bij de bij de landensecties. De codes berustten dan ook bij de Signal Section. Dit neemt echter niet weg, dat officieren van de landensecties wel eens incidenteel van de codes en de checks op de hoogte konden zijn. Brook verklaart, dat bij SOE de landensecties alleen de gedecodeerde telegrammen kregen en nimmer de gecodeerde.



                                        

                                                                           2. De telegrammen.


Kas de Graaf heeft verklaard, dat de photocopieën van de bundel telegrammen van de jaren 1942 en 1943 uit het archief van het bureau MVT, waarover de commissie beschikt, paraphrases zijn. Dit is niet de letterlijke tekst, misschien wel de zakelijke inhoud. Deze paraphrases zijn een resumé van telegrammen, getikt op een machineen vervolgens gephotographeerd. Het zijn niet de telegrammen, die men op het bureau MVT had. Ze zijn niet letterlijk in hun geheel overgenomen, niet zoals ze bij het bureau MVT lagen. Hier ontbreekt dan ook van alles aan. Het is een ander lettertype. Het waren oorspronkelijk stukjes papier van een gele, groene of blauwe kleur. Deze collectie is een photocopie van een onvolledige copie. De originele telegrammen, zoals ze bij SOE voor de dag kwamen waren potloodkrabbeltjes, welke het bureau MVT nooit te zien kreeg, en waarvan een blauwdruk werd gemaakt, welke voor het bureau MVT als origineel gold. het is natuurlijk onmogelijk dat kladpapiertjes met potloodkrabbeltjes, waarop de wireless-ontvanger zit te schrijven , als officiel document te gebruiken. Aan dat code-telegram heeft men niets. Het moet eerst gedecodeerd zijn en in zijn volledige vorm aan de commanding officer zijn aangeboden. het bureau MVT en SOE kregen beide een kopie van het origineel, een gedrukt ding, in limited circulation. Die doorslag noemde men bij bureau MVT het origineel. Datgene, wat voor dit bureau het origineel was, zit niet in de aan getuige getoonde bundel photocopieén. Kas de Graaf ziet er niet één; daarom zijn deze dingenvan nul en gener waarde. Kas de Graaf gelooft, dat dit betekent, dat men de Enquetecommissie met deze copieén iets anders heeft geleverd, dan zij moeten hebben. Het is dus zo, dat hij, toen hij in het begin van 1944 op het bureau MVT was en met Lieftinck en Schilp de zaak heeft bekeken, andere dingen heeft gezien dan deze. Hij heeft originele copieén gezien. Die onderscheiden zich hierin van de hem voorlegde, dat de originele copieén nummers dragen, afkoringen en eventuele vervalste identity checks bevatten. Verder staan er fouten in de originele copieën. Als een agent een fout maakt, komt deze ook in de originele copie voor, dan is het doorge-x-t. Zo heeft hij ze gezien en ook met opmerkingen er naast, bijvoorbeeld "identity check omitted", althans opmerkingen in deze geest, ook wel heel veel zonder enige opmerking. De conclusie van Kas de Graaf is dus, dat hij stapels andere telegrammen heeft gezien dan die, welke aan de commissie zijn verschaft. Hij heeft de stukken van het bureau MVT later nog eens gezien, na de bevrijding.
Kas de Graaf heeft persoonlijk toestemming gekregen van de Minister van Marine om een officier te sturen met een phototoestel om deze zaken van het bureau MVT te photocopieëren. Hij heeft toen geconstateerd, dat het volume van het materiaal aanmerkelijk was ingedund. Nu kan het natuurlijk zijn, dat er heel veel dingen dubbel waren en dat men, omdat het geheime stukken waren, één der exemplaren heeft verbrand, maar het is hem toch wel opgevallen, dat, waar er vroeger enige operationele annexes van een vroegere periode , namelijk van het bureau MVT bij zaten, deze er toen niet meer waren, althans zij konden door de officier die er heenging, niet worden gevonden. Men kan dus rustig aannemen, dat zij er ook niet waren. De gespecificeerde opdrachten van de agenten waren dus weg, zoals die van
BRUTUS (Johan Grün) en APOLLO (van Schelven).

Kas de Graaf heeft in een volgend verhoor nog eens gezegd, dat hij alle telegrammen heeft gezien. Alle telegrammen van het bureau MVT waren woordelijk hetzelfde als de telegrammen van SOE. Wanneer er afwijking was, dan zou dat een abnormale afwijking zijn geweest; die heeft hij niet gezien. De files op het gebied van de telegrammen van het bureau MVT, waren naar zijn indruk, vrijwel compleet.