LEVEN VOOR DE OORLOG.






Over de jeugd van Tobias is niet veel bekend, hij hield van roeien, het fokken van konijnen en watervogels. Hij was de middelste van drie jongens die geboren werden uit het tweede huwelijk van zijn vader, Tobias Biallosterski Sr. In de oorlog zijn twee van de drie zonen omgekomen: Tobias en de jongste zoon Bennie. Verder overleed ook nog een zoon uit zijn eerste huwelijk: Joop. Gegevens van het gezin zijn te vinden in
HS 9/1463/3:
let op de spelfout: Biallosterske
RVPS rapport van 8 november 1943. © TNA London.
Er zijn geen belastende feiten gevonden. Datum: 12-11-1943.
In dit eerste formulier wat Tobias moet invullen als hij in London in het opvangcentrum The Royal Victoria Patriot School is aangekomen. Hij geeft zijn vader op: Tobias Biallosterski, geboren te Amsterdam, zijn moeder Guurtje de Graaf, geboren te Haarlem. Zijn halfbroer Max, krijgsgevangene in IndiŽ. Halfbroer Joop die in India zou zitten, waarschijnlijk moet dit IndiŽ zijn.
Halfzuster Dorothea, is ondergedoken in Nederland. Halfzuster Elisabeth (Liesje), ook ondergedoken in Nederland.
Verder noemt hij zijn oudere broer Willem die bij zijn moeder woont en zijn jongere broer Benny die ook ondergedoken is.
Vanuit STS-22 (Special Training School-22 in Rhubana Lodge, Morar, Inverness-shire) volgt nog nadere informatie van Tobias over zijn familie en ook hemzelf.
Tobias geeft aan dat hij diamant polijster is van beroep. Hij heeft dit inderdaad wel een tijdje gedaan, maar dat beviel hem eigenlijk niet.Hij heeft een tijdje voor een boer gewerkt en als laatste was hij bezorger van een apotheek in Haarlem, de Marnix Apotheek, Marnixstraat 65.
De vader van Tobias is dan 59 jaar oud en woont in het Lonsdale Hotel, 23 Montaque Steet in Londen. Voor de Duitse inval was hij op verzoek van J.K. Smit uit Amsterdam naar Londen gevlogen  om in Engeland een diamant-zagen fabriek op te zetten.
Moeder Guurtje de Graaf, woont nu bij haar moeder in, op adres Kruidbergerweg 99 te Santpoort in Noord-Holland.
Zijn broer Willem, oud 26 jaar, werkt niet en woont bij zijn moeder.
Broer Benny is ondergedoken om aan de Arbeitseinsatz te ontduiken.
Halfbroer Max is getrouw, is 35 jaar oud en is krijgsgevangene in Java.
Halfbroer Joop is 29 en ook krijgsgevangene van de Japaners.
Halfzuster Dorothea is 34 en getrouwd met Horst Krebs, zij zijn ook ondergedoken om de Arbeitseinsatz te ontduiken, of om aan de concentratiekampen te ontkomen.
Halfzuster Elisabeth is 32 en getrouwd met Bob Arons, beiden zijn ook ondergedoken (in Vollenhove).
Tobias spreek Nederland, hij heeft kennis van de engelse taal en spreekt een beetje Duits.
Zijn hobbies zijn roeien en het fokken van (kleine) dieren.
Hij kent de weg in Noord Holland en op het eiland Ameland goed. Hij heeft geen militaire ervaring.
Over zijn verleden: hij is in Bloemendaal geboren en grootgebracht. Van 1926 tot 1932 gaat hij hier naar de Lagere School. Vervolgens gaat hij hier twee jaar naar de MULO, van 1932 tot 1934. De laatste twee jaren gaat hij de laatste twee jaren van de MULO in Amsterdam school. Van 1935 tot en met 1937 gaat hij in Amsterdam naar de MTS (nu HTS) om Bouwkunde en Architectuur te studeren. Hij zakt voor het eindexamen. Van 1937 - 1940 is hij leerling diamant polijster.
Verhuisde met zijn moeder en zijn broers in 1940 naar Santpoort, naar het huis van zijn oma. In oktober 1943 ontsnapt Tobias uit Nederland.
Tobias was verloofd met een joods meisje, genaamd Klara Oudkerk. Zij kwam uit Den Helder, maar studeerde mogelijk in Amsterdam. Zij was een nicht van Clara Oudkerk, de vriendin van Henk Pelser. Tobias had Henk al voor de oorlog leren kennen en kwam misschien via de vriendin van Henk met zijn verloofde in contact. De verlovingsring die Tobias haar gaf draagt Klare, die in IsraŽl woont, nog steeds.
Portret
Op het strand. © Simcha von Benckendorff.
Om de één of andere reden is de verloving verbroken, maar zij hielden nog wel contact met elkaar. Zelfs toen Tobias voor zijn tweede missie in Amsterdam zat. Hij ging een thee drinken bij vrienden van de ouders van Klara de familie BŁrmann. Klara heeft hij daar niet ontmoet. Tijdens haar onderduik periode in Santpoort is zij slechts ťťn keer bij de familie BŁrmann op bezoek geweest. Meneer BŁrmann heeft Tobias toen aangeraden zich anders te kleden, hij droeg veel te nette kleding en mooie gepoetste schoenen die hij vanuit Engeland kreeg. Men droeg geen mooie kleding meer, want er was vrijwel geen kleding meer te koop. Tobias was echter een beetje een dandy en moest en zou er altijd netjes uitzien. Dit is hem later fataal geworden.



Tobias was net als broers Willem en Benny lid van de Amsterdamse roeivereniging 'Poseidon'. Hij was een zeer verdienstelijk roeier en men zegt dat als de oorlog geen roet in het eten had gegooid, hij misschien deel had uitgemaakt van de Nederlandse Olympisch Ploeg. Op onderstaande foto zit Willem als stuurman in de boot en Tobias ziet er heel stoer uit.
Poseidon, twee met stuurman: Tobias Biallosterski, J. Saphier en Willem Biallosterski. © Poseidon.
M.T.S.-Bouwkunde, Dongestraat 8-12; 1930
Tobias heeft op deze MTS Bouwkunde en Architectuur gestudeerd, hij is echter gezakt voor het eindexamen en heeft daarna de school verlaten en ging bij zijn vader als leerling polijster in het bedrijf werken.
w.mugge@home.nl
TERUG NAAR INHOUDSOPGAVE
Volgens Eddy de Roever in zijn boek 'Londen roept Amsterdam' Zou Tobias als diamantslijper zijn gaan werken bij de Firma Stodel in 1937. Dat houdt in dat Tobias maar 2 jaar op de MTS gezeten zou hebben en geen eindexamen heeft gedaan. Als leerling diamantslijper had Tobias geen leidinggevende functie, daar kon hij niet tegen en verliet het bedrijf.



Joseph Stodel werd op 25 juni 1875 in Dordrecht geboren als zoon van Benedictus Stodel en Marianne Slap en was van joodse afkomst. Op 4 april 1901 trad Stodel in het huwelijk met Mietje Krijn, geboren op 18 januari 1878 te Amsterdam, vermoord op 14 januari te Auschwitz. Uit dit huwelijk werd op 19 oktober van datzelfde jaar een kind geboren, hun dochter Marianne Stodel, zij overleed op 23 februari 1993 te New York.

Op 1 juli 1930 richtte Stodel de ťťnmanszaak J. Stodel op. Deze onderneming was gevestigd aan het Weesperplein in Amsterdam en legde zich toe op diamantbewerking en -handel. Het echtpaar Stodel-Krijn woonde aan de Sarphatistraat 119 te Amsterdam.

Stodel overleed op 28 september 1941 in Amsterdam. De goederen behorende tot zijn nalatenschap werden op last van de bezettingsautoriteiten onder beheer gesteld van Verwalter M.H.H. Franssen. Deze Nederlandse advocaat was op 13 oktober 1941 door Seyss-Inquart benoemd tot beheerder van nalatenschappen die vielen onder de bepalingen van de Verordening 26/1940 (Vijandelijk Vermogen, ook niet-joods). Waarschijnlijk was Franssen bij de afwikkeling van Stodels nalatenschap betrokken omdat de enige erfgenaam, zijn dochter Marianne, tijdens de bezetting in de Verenigde Staten woonde.

Stodels echtgenote werd in 1942 op last van de bezettingsautoriteiten gearresteerd en naar Westerbork overgebracht. Zij is daarna naar Auschwitz gedeporteerd, waar zij omstreeks 14 januari 1943 is omgekomen.

Marianne Stodel trouwde op 3 december 1929 te Amsterdam met Hartog Mok
(diamantair). Hij werd geboren op 24 december 1889 te Amsterdam, hij overleed omstreeks 1961 in New York. Zij kregen twee kinderen Mary E. Mok en Louis Mok (patent attorney) geboren 4 november 1932, overleden 5 janauri 2008 te Los Angeles. Hij trouwde met Victoria Bowes en zij kregen twee kinderen: Alexander Mok en Linda Mok.
Na de oorlog heeft Marianne, de dochter van Stodel, de schade inzake de verkoop van de boedel van haar vader aangemeld bij de Schade-EnquÍte-Commissie. In dit verband werd een onderzoek ingesteld door de Centrale Vermogensopsporingsdienst. In de geraadpleegde documentatie zijn geen gegevens aangetroffen over het verdere verloop van dit onderzoek door de CVO. De commissie heeft bij haar onderzoek geen aanwijzingen aangetroffen dat de familie Stodel een schadevergoeding heeft ontvangen voor het verlies een schilderij .
De Restitutiecommissie adviseert in 2010 de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om het schilderij Nederlands Stadsgezicht van A. Eversen (NK 1762) te restitueren aan de erfgenamen van Joseph Stodel.




Jan Kors Smit
begon zijn onderneming in 1888 nadat hij een advertentie had gelezen in "het Handelsblad" waarin werd gevraagd naar industriŽle diamanten.
Hij had de nodige kennis over diamanten al vergaard door jarenlange ervaring in de industrie als directeur van een Amsterdamse diamanten slijperij. Jan Kors Smit zag in dat dit een mogelijkheid was om een familie bedrijf op te richten die voortgezet zou worden door zijn zonen.
Deze advertentie gaf Jan Kors Smit de nodige energie in de opbouw van de organisatie, die al snel operatief was op de internationale markt, waarop J.K. Smit lange tijd pionier was in de ontwikkeling van industriŽle diamanten.
Jan Kors Smit trainde zijn zonen in het werk en zodra hij met pensioen ging was hij in staat om het stokje over te geven aan zijn oudste zoon, Johan J. Smit. Het bedrijf had nu al twee fabrieken en 25 filialen. Deze filialen waren niet enkel in Nederland gevestigd, maar ook in landen als Amerika, Canada, BraziliŽ, Engeland, Frankrijk, Duitsland, Zwitserland, ItaliŽ, Spanje, TsjechiŽ, BelgiŽ, Zweden, Polen, Rusland, Zuid-Afrika, AustraliŽ, Japan en China.
Het hoofdkantoor van J.K. Smit & Zonen van 1888 tot 1973 aan de Sarphatistraat te Amsterdam

Tijdens de Eerste Wereld Oorlog weigerde Johan Smit, ondanks de neutraliteit van Nederland, consequent om diamanten te verhandelen met de "Centrale Macht", hoewel dit aanzienlijke financiŽle verliezen voor het bedrijf betekende.
In tijden van de oorlog kwam het met name door de massaproductie van munitie dat  de toename van het gebruik van industriŽle diamanten op een tot dan toe ongekende schaal resulteerde.
Ook na de oorlog bleef de vraag naar industriŽle diamanten groot en in 1934 werd de Amerikaanse tak van J.K. Smit & Zonen opgericht, genaamd J.K. Smit & Sons Inc. in New York. Hier werden voor het eerst diamantgereedschappen geproduceerd door het bedrijf. Het eerste gereedschap dat door de firma werd uitgevonden was de (multi-set) kernboor, wat later een essentieel onderdeel voor machines in de mijnbouw werd.

De financiŽle gevolgen van de oorlog voor het bedrijf waren in de Tweede Wereld Oorlog vele malen groter dan in de Eerste Wereld Oorlog. Enerzijds was er een enorme groei in het gebruik van diamantgereedschap, maar anderzijds was er de verstoring als gevolg van de Duitse invasie in Nederland.
In 1939 stuurde Johan zijn oudste zoon Jan naar Engeland, hield de tweede zoon, Johan Jr. bij hem, en stuurde zijn jongste zoon, Piet, naar Amerika.
Jan reisde samen met een Britse officier
(Chidson) terug naar Amsterdam. Johan overhandigde hen de gehele bedrijfsvoorraad van diamanten en gaf hen de instructie dat hij liever had dat de diamanten zouden zinken naar de zeebodem dan dat zij in Duitse handen zouden vallen.
Bij zijn terugkeer naar London volgde Jan de instructies van zijn vader op en richtte daar de Britse tak van het bedrijf op. Deze werd benoemd tot "The Head Office of the Smit World Organization".
Johan J. Smit en zijn zoon Johan Jr. bleven achter in Nederland, waar zij volledig waren geÔsoleerd van de buitenwereld tot het einde van de oorlog eindelijk aanbrak