KLARA OUDKERK
Klara Oudkerk werd geboren op 18 mei 1920 in Den Helder.  Haar ouders waren Hijman Oudkerk, geboren 20 oktober 1886 te Den Helder en Debora Elte, geboren 30 juni 1887 ook te Den Helder. Klare had een jongere broer genaamd Benjamin Hijman. Hij werd geboren op 25 april 1922 te Den Helder. Hij trouwde met Ingrid Flodberg. Hij overleed op 6 april 2012 te Amersfoort. Op 16 juni 1922 verhuist het gezin naar Amsterdam, Alexander Boerstraat 2. Dit was om de hoek bij de familie Bürmann. Hijman was manufacturist.
In Den Helder woonden zij aan de Loodsgracht 21.
Debora Elte, moeder van Klara Oudkerk.
Wanneer en hoe Klara en Tobias elkaar hebben leren kennen is onduidelijk. Mogelijk heeft Tobias haar leren kennen via Henk Pelser en zijn vriendin Sarah Oudkerk, Sarah en Klara waren nichtjes.
Klara op het strand © Simcha von Benckendorf
Klara © Simcha von Benckendorf
portret Klara © Simcha von Benckendorf
Tobias op het strand © Biallosterski
Het is niet precies bekend wanneer Klara en Tobias zich met elkaar verloofden, het was in ieder geval vlak voor de oorlog uitbrak. Klara moest vanwege haar geloof medio oktober 1943 onderduiken en dat deed zij bij de familie Bangma in Santpoort, zij gebruikte toen de schuilnaam Klaasje.. Op het moment dat de familie Bangma ingelicht werd op een op handen zijnde razzia verbleef Klara ook enige tijd bij het gezin van Johan (Han) van Beem aan de Rijkstraatweg (?) in Santpoort. Zij woonden schuin achter de familie Bangma. Op een gegeven moment had mevrouw Bangma haar nodig om te helpen bij het wekken van groenten. Toen zij daar was werd er juist een inval gedaan bij de familie van Beem. De twee (NSB) politieagenten zagen een jurk liggen en vroegen mevrouw van Beem van wie de jurk was. Zij antwoordde heel koel met: "Oh, van een nichtje die hier weleens logeert" en daarmee was de kous af. Deze informatie werd verstrekt door Hans van Beem, een kleinzoon van Han (jvanbeem@wxs.nl).
Huwelijk met Boris Bogdanovsky 19 maart 1946 te Amsterdam  © Hans van Beem
Embleem Joodse Brigade.
De ouders van Klara woonden in Amsterdam om de hoek van de familie Bürmann in de Alexander Boerstraat 2. De familie Bürmann woonden in de Willem Brouwerstaat nummer 4, een hoekpand, naast Café Keyzer. Tijdens de oorlog doken zij net als Klara in Santpoort onder, in het tuinhuisje van de familie Arpad. Zij vielen in Santpoort niet erg op omdat het wemelde van evacuees uit Den Helder die deze stad op last van de Duitsers hadden moeten verlaten. Meneer Bürmann had in het huis van de familie Oudkerk een verbogen kamer gemaakt waar de meubels van de familie Oudkerk in werden opgeslagen. De zoon van de familie Bürmann schuilde ook in deze ruimte met zijn vrienden om niet ingezet te worden voor de Arbeitseinsatz. Een knecht van Oudkerk, Barend een goede NSB-er, had een doorgang tussen de twee huizen gemaakt zodat de zoon van Bürmann ongezien kon verdwijnen. De Persische tapijten van de familie Oudkerk werden tijdens hun onderduik periode in het huis van de familie Bürmann gelegd. Zij werden op een gegeven moment nog bijna door een inbreker gestolen, maar men kon hem net op tijd betrappen. Klara kwam tijdens de oorlog slechts één keer bij de familie Bürmann over de vloer. Ook Tobias is daar tijdens zijn tweede missie één keer geweest. Op de fiets, mogelijk op doortocht naar Noord-Holland voor een besprekingen met de mannen daar. Meneer of mevrouw Bürmann heeft toen tijdens dat bezoek een opmerking richting Tobs gemaakt over zijn RAF laarzen, die veel te veel opvielen. Dit bezoekje heeft dus in december 1944, of in januari 1945 plaats gevonden. Na afloop ging Truus Bürmann met Tobs mee naar Halfweg, mogelijk hebben zij daar nog de grootmoeder van Truus bezocht. Tobias is daarna alleen verder naar Noord-Holland gefietst. De familie Bürmann wist dat Tobias iets illegaals deed, maar niet precies wat. Mieke Bürmann vermoed echter dat haar vader mogelijk wel iets meer wist.
Truus Bürmann heeft Klara één keer bij de familie Bangma opgezocht om haar geld te brengen, maar zij mocht niet binnenkomen. Mogelijk waren er nog meer onderduikers in huis. Hijman Oukerk had een uitgebreide postzegel verzameling die door meneer Bürmann in delen werd verkocht. Hierdoor kon de familie Oudkerk van geld worden voorzien. Hijman Oudkerk had voor de oorlog een naaiatelier in de Rustenburgstraat en hij handelde in naaimachines. In de loop van de bezetting mocht Hijman Oudkerk zijn bedrijf niet voortzetten, maar hij ontving wel geld van Duitsers die daar uniformen lieten maken.
Klara en Boris hebben elkaar leren kennen op een feest in "Huize Erica" dat tijdens de oorlog de uitgaansplek voor de bezetter. Nu kwamen er geallieerde soldaten, dus ook leden van de Joodse Brigade. Verder kwamen er ook Joodse mensen die uit de kampen in Duitsland en Polen waren teruggekeerd.
De familie van Boris Bogdanovsky kwam oorspronkelijk uit Odessa, zij vluchten voor de oorlog voor de progoms en vestigden zich in Haifa op de berg Carmel. Klara en Boris gaven hun huwelijksfeest in Hotel Krasnapolsky, er waren ook veel mannen van de Joodse Brigade bij. Na het huwelijk keerde Boris vrij snel naar Israel terug, Klara volgde enige maanden later omdat het erg onrustig was in de regio. Klara's ouders bleven in Nederland en stuurden Klara regelmatig een exemplaar van "De Groene Amsterdammer" op en daarin verstopten zij rollen drop, daar was Klara gek op. Nadat Hijman Oudkerk was overleden emigreerde ook Debora naar Israel om in de buurt van haar dochter te wonen. Boris werkte na afloop van de oorlog in Israel bij een bank.

Mieke en Truus Bürmann hebben ook nog iets bijzonders meegemaakt terwijl zij de hond aan het uitlaten waren. Op een gegeven moment passeerde hen een auto, wat op zich natuurlijk al vreemd was en terwijl zij verder liepen zagen zij even verderop een man op de stoep liggen. Hij lag met zijn hoofd in een plas dik bloed. Naast zijn hoofd lag een prop watten die naar chloroform stonk. Zachtjes kreunde hij: "Hilfe". Truus maakte zijn jas open om te kijken wie dit was. Volgens zijn Ausweis was het Herbert Oelschlägel, een beruchte SD medewerker. Op dat datzelfde moment liep er een man langs hen heen die siste: "Weg wezen"! De beide meisjes liepen snel door en klopten aan bij een tante in de Beethovenstraat en keerden later via een omweg met de hond terug naar huis.
De volgende dag waren de Duitsers op zoek naar een verpleegster
(Truus) met een kind (Mieke), maar de twee meisjes gingen gewoon naar school, het Hervorms Lyceum in de Brahmstraat. Naloop van de lessen liepen zij terug naar huis en kwamen op de Apollolaan langs twee grote villa's waardoor de Duitsers 29 gevangenen uit de Weteringschans gevangenis hadden doodgeschoten als represaille voor de dood van Herbert Oelschlägel. Mieke herinnert zich nog dat er boomblaadjes in plassen bloed dreven...het was 24 oktober 1944.
w.mugge@home.nl
TERUG NAAR OVERZICHT

Op 23 oktober 1944 werd laat in de middag op de hoek van de Apollolaan en de Beethovenstraat in Amsterdam de gevaarlijke SD-er Herbert Oehlschlägel in opdracht van de B.S. door een Knokploeg uit Amsterdam doodgeschoten. De betrokker SD'er was de contactpersoon tussen de SD en de in diverse
illegale groepen geplaatste spionnen, V-Männer. Het was de bedoeling geweest om Oehlschlägel eerst te ontvoeren en uit te horen voordat hij geliquideerd zou worden maar dat mislukte doordat hij zich heftig bleef verzetten waarna hij ter plekke met een kogel door het hoofd werd doodgeschoten.
Als represaille werd door Willy Lages, het hoofd van de SD in Noord Holland, na overleg met Rauter opdracht gegeven tot de executie van 29 gevangenen uit het Huis van Bewaring aan de Weteringschans. Grotendeels waren dit "Todeskandidate", gevangen genomen verzetstrijders in afwachting van een eventuele represaille-executie, maar er waren ook enkele gevangenen bij,die wachtten op transport naar een concentratiekamp.
De terechtstellingen vonden in de vroege ochtend van 24 oktober 1944 plaats op de brede middenberm van de Apollolaan, dicht bij de plaats van de aanslag. De lichamen bleven twee dagen op deze executieplaats liggen waarna zij werden afgevoerd en verast in het crematorium Westerveld.



Gisteravond laat is in Zuid op de Apollolaan een Duitse officier vermoord gevonden, als represaille maatregel zijn vandaag twee villa’s waarvoor hij gevonden werd met de grond gelijk gemaakt. De bewoners zijn als gijzelaars gevangen genomen, geheel onschuldig. En voor een schuilkelder aan de overkant zijn 29 mensen van de illegale partij zonder pardon doodgeschoten.


De 29 slachtoffers:

Franciscus Xaverius Antonius Maria Anink, Cornelis Baas, Jan Bakker, Abraham Theodoor Bijland, Jan Boekestein, Kornelis Bonte, Jozef Antonius Buis, Maurits Cohen, Jacques Albert August Charles Henri Dekker, Herman Drukker, Job van Eyk, Tjerk Gaastra, Gerrit Gijzel, Jan Cornelis Kleingeld, Roelf Hijbo Cornelis Looy, Gerrit Noorlander, Pieter Nooteboom, Petrus Oosterheert, Hendricus Antonius Oosterman, Zwier Regelink, Johannes Antonius Franciscus van Rooij, Hendrik van der Spoel, Oene Steenbeek, Johannes Marinus Swagerman, Jan van Woerkom, Rienk Zevering, Pieter Zijlstra, Jacques Petrus Johannes Zillesen, Johannes van Andel.
Willy Lages in gevangenschap na de oorlog.