De zender van dr. Brouwer.
Deze zendpost is door een waas van mysteries omgegeven en het is vandaag de dag nog steeds niet duidelijk met wie men in Engeland contact had. Het tegenstation noemde zich BRISTOL, maar welke organisatie hier achter schuil ging is onbekend.
De chef-staf van de OD, Six, twijfelde er zelfs aan of men wel contact met Engeland had en sindsdien gebruikte de OD deze zender ook niet meer.
Uit: ENQUETE 1940-1945. De Nederlandse geheime diensten te Londen. De verbindingen met het bezette gebied. Deel 4C-1, blz 917.
ZITTING VAN WOENSDAG 30 MAART 1949. Verhoor van: dr. Meindert BROUWER, oud 41 jaar, wonende te Bilthoven, arts.

Voorzitter: De heer Six heeft onze commissie enkele mededelingen gedaan, waaruit ons is gebleken, dat u, althans in 1942 iets te maken heeft gehad met een radioverbinding met Engeland. Is dit juist?

Brouwer: Inderdaad.

Voorzitter: Kunt u, voordat ik aan de concrete kwestie toekom, die ons aanleiding gaf, u te verzoeken hier te komen, ons mededelen hoe u daartoe bent gekomen en in welk verband u dat heeft gedaan?

Brouwer: Ik was bevriend met George van Medenbach de Rooy, die destijds officier was bij de inlichtingendienst G.S. IIIc. Bij het uitbreken van de oorlog zat hij in Rotterdam en wel in het postkantoor. Hij is aan het bombardement ontkomen en direct na de Meidagen begonnen met het organiseren van een groep mensen om te trachten wat te doen, zonder meer. Bij deze groep behoorde ik als een van zijn beste vrienden. Ik heb daarbij zelf nooit op de voorgrond gestaan, maar ik ben zijn schaduwman geweest; alles, wat hij deed wist ik, en van alle vergaderingen, die hij meemaakte met andere lui hoorde ik, hoewel ik er natuurlijk nooit verslagen van maakte. Mijn vrouw kan u alle gegevens verschaffen, want zij was de vrouw van Medenbach de Rooy. Mijn vrouw is in het begin van de oorlog gestorven en nadat ik uit geveangenschap terugkwam, ben ik hertrouwd met mevrouw van Medenbach de Rooy.
Ik heb, ongeveer een jaar na het begin van de oorlog, direct toen van Medenbach de Rooy was opgepakt, de leiding van die groep op mij genomen.

Medenbach de Rooy
Voorzitter: Was die groep van Medebach de Rooy een groep, die om hem heen verzameld was, of heeft zij in verband gestaan met organisaties uit die tijd? Ik denk hierbij bv aan de toen beginnende organisatie van de O.D.

Brouwer: ja ik geloof, dat hij kan worden beschouwd als een van de mensen, die de stoot hebben gegeven tot de oprichting van de O.D. daaraan heb ik niet actief meegedaan, maar ik heb die mensen wel bij name gekend. Ik kende die groepen van het begin af: Kolonel de Vries in Amersfoort, de Strijkel-Groep, enz. Ik heb daarvan alles geweten. het is allemaal echter nu 8 jaar geleden en er is nooit iets van opgeschreven. Ik heb toen de leiding op mij genomen. Er was toen een
zender in Amersfoort - de oorspronkelijke zender van Kolonel de Vries - en deze hebben wij naar Bilthoven gehaald. Daar heeft hij lange tijd gewerkt, al of niet met succes. Hieraan heb ik weleens getwijfeld. Die zender is in Bilthoven lange tijd in 'Plantwijk' geweest, een rusthuis en werd bediend door Willem Tuyn. Met Tuyn hebben wij later moeilijkheden gehad. Het was de AC-Groep, die allerlei berichten aan de radiogroep doorgaf. Voor dat werk gefusilleerd: Hans Zomer, Jan Meyer adelborst uit Zeist, Tony Fouchier uit Bilthoven en nog veel meer mensen. Praktisch allen zijn gefusilleerd. Van onze groep zijn over: P.F.H. Maclaine-Pont, mijn tweede vrouw, die tot het einde heeft doorgewerkt en ook naderhand met de Packard-Groep heeft meegewerkt en Dick Gevers-Deynoot. Ik geloof dat deze drie en ik de enig overgeblevenen van mijn groep zijn.
Voorzitter: Was het de heer Gevers-Deynoot, die naar Stockholm is gegaan?

Brouwer: Ja.

Is dit degene aan wie Deinum en Vader een bericht meegegeven hebben dat de PACKARD zender niet werkte?


Voorzitter: Die is er dus nog tijdig aan ontkomen. Tot wanneer heeft u het zelf meegemaakt?

Brouwer: Totdat ik werd verraden door een van de O.D. mensen in april 1943. Wij hadden berichten, die wij meegaven aan een groep, die over Belgie en Frankrijk naar Spanje en Portugal ging. Wij hadden ook onze berichten, die wij door middel van de zender doorgaven, doch waarvan ik niet weet of zij zijn aangekomen. Van alle kanten kregen wij berichten. Wij hadden ons toen reeds van de O.D. afgescheiden, omdat wij die te gevaarlijk vonden. Wij hadden onze eigen inlichtingendienst, zoals die vroeger bij het Nederlandse leger werkte.

Voorzitter: Verzamelde u alleen militaire inlichting?

Brouwer: Wij verzamelden praktisch alleen militaire inlichtingen en sociale inlichtingen over alles, wat er zo gebeurde. Wij gaven regelmatig berichten uit van wat wij meenden, dat de algemene toestand was. Op 13 april 1943 is een oude heer, die aan de O.D. verbonden was, de heer Groen uit Bilthoven opgepakt. Hij was degene die alle berichten van de O.D. uit het centrum van het land aan mij doorgaf voor onze zender en onze berichtgeveing naar het zuiden. Deze meneer is opgepakt en toen heb ik gedacht, dat ik een dag de tijd had om te maken dat ik uit mijn huis kwam, maar dit was niet het geval. Ik had het kunnen vermoeden, want het was een oudere man, die voor deze dingen niet deugde. Ik heb Groen later in Scheveningen ontmoet en hij heeft mij onder tranen toegegeven, dat hij helaas veel te veel heeft gezegd en ook mijn naam heeft moeten noemen. De stakker is omgekomen in een of ander concentratiekamp. Ik ben zelf allerlei gevangenissen doorgegaan: zeven maanden Scheveningen en vervolgens Haaren en Utrecht. hier ben ik een keer of drie ter dood veroordeeld. Als N.N. gevangene ben ik naar Duitsland gegaan. Eerst kwam ik in Anrath, maar toen het in Aken begon te knijpen, ben ik doorgestuurd naar Lütteringhausen; hier zijn wij bevrijd.
 
Brouwer heeft in dit deel van het verhoor wel een erg hoge dunk van zichzelf.
Maurits Jacob Groen zat ook al vanaf 1940 in het verzet. Hij heeft na zijn arrestatie in Scheveningen gezet, daarna is hij overgeplaatst naar Vught en daarna naar Dauchau. Hier is hij op 64 jarige leeftijd op 1 februari 1945 aan vlektyhus overleden.
Voorzitter: U hebt het er dus gelukkig levend afgebracht.

Brouwer: Gelukkig en uitstekend. Ik kon gelukkig heel veel doen. In het boekje van Eduard Veterman, getiteld 'Keizersgracht 763' kom ik nogal eens voor. Ik heb ontzettend veel kunnen doen door mij ziek te melden, zodat ik in het lazaret terecht kwam en als quasi-ziekenbroeder de hele apotheek leeg kon halen. Alles, wat er anders niet was, kon ik zo aan de patienten uitdelen. Wij zijn bovendien vier weken bevrijd, voordat wij weer naar Nederland terug konden, en in die vier weken heb ik met Veterman de leiding van de gevangenis op mijn genomen, omdat dit hoofzakelijk op medische kwesties in verband met voeding aankwam. Toen ben ik, dunkt mij, als een van de eersten met een konvooi zieken met Amerikanen in Roermond over de grens gekomen, waarna ik op mijn eentje in Bilthoven ben aangekomen. Ik was al op 12 mei in Bilthoven - er was toen nog niemand door -, doordat ik onder weg nogal wat mensen ontmoette die van mij af wisten. Onder andere ontmoette ik in Apeldoorn Quarles van Ullford, de toenmalige burgemeester, nu Commissaris van de Koningin, die allerlei secret-service werk gedaan heeft. Toen het westen nog dichtzat, hebben ze mij in Amersfoort doorgelaten.
Voorzitter: Op welke datum bent u gearresteerd?

Brouwer: Op 14 april 1943. Op 15 April 1945 ben ik bevrijd.

Voorzitter: Dan is Schreieder op dit punt onjuistgeweest, want deze dacht dat uw arrestatie in juli 1943 was. U hebt het gehad over Tuyn. Schreieder heeft mij medegedeeld, dat Tuyn al een keer was gearresteerd in 1941. Was u dit bekend?

Brouwer: Ja, U weet dat indertijd zijn doodgeschoten 72 mensen en een paar weken daarna 24 mensen. Die groep van 24 was de groep van Hans Zomer, George van Medebach de Rooy, Kolonel de Vries en Jan Meyer.

Voorzitter: Bedoelt u met Hans Zomer de parachutist?

Brouwer:Ja. Willem Tuyn in indertijd - het was zijn Amersfoortse tijd - al of niet op een vreemde manier in aanraking gekomen met de S.D. Hij is toen te pakken genomen. Er gaan echter verhalen, die beweren, dat hij zich zelf zou hebben aangemeld. Hoe dan ook, zijn vrienden, waar onder Jan Meyer, hebben hem uit het ziekenhuis in Amersfoort ontvoerd. Hij is toen in hoogst deplorabele toestand bij mij gekomen. Alles, wat ziek en kapot was, kwam toen bij mij.
Voorzitter: Schreieder zegt, dat hij zich zelf bij de Ortskommandantur te Utrecht heeft gemeld.

Brouwer: dat verhaal was ons min of meer bekend. Daarvoor had hij zijn eigen verklaring: dat was om te trachten, achter allerlei dingen te komen. In die tijd kende ik hem niet, maar had hem alleen gezien om te weten wie hij was. Ik heb meerdere mensen gezien, die mij niet hebben gezien. Dit geschiedde vanuit een andere kamer in hetzelfde huis. Hij was bij de Luchtbeschrerming in Amersfoort en mocht daarom in sperr-tijd rijden. Hij is toen in zeer deplorabele toestand, met epileptische aanvallen bij mij in Bilthoven aangekomen. Hij is daar aanvankelijk in een rusthuis verpleegd, waarna wij de znder naar Bilthoven hebben gehaald. Hij is ton volkomen onder curatele gesteld, omdat hij mijns inziens een epilepticus was. Hij had traumatisch epilepsie, omdat hij een tik op zijn hoofd had gehad.

Voorzitter: Maar hij verzorgde toch die zender?

Brouwer: Ja

Voorzitter: Had u de overtuiging dat Tuyn goed was?

Brouwer: Ja.
Voorzitter: Hebt u later, na hetgeen er verder is gebeurd, die overtuiging gehouden.

Brouwer: Nadat ik opgepakt was geweest en nadat 'Plantwijk' is opgerold, heb ik hem weggehaald. Wij verzorgenden ook nog 28 Joden en die zender was maar een onderdeel van ons werk. Van die Joden hebben zij er niet één gevonden. Het was echter niet zo eenvoudig die mensen weg te krijgen. Wij hadden er zeer veel moeite mee, want het huis bleef onder bewaking. Ik heb hem later ook weggebracht. Toen hij in Bilthoven kwam was hij geestelijk in de war. Gedurende die tijd, dat hij in het rusthuis zat - dat was anderhalf jaar - en nadat hij zijn zender had gekregen, was hij dat niet. Als hij in die tijd dingen heeft gedaan die niet deugen dan stel ik hem daar volkomen voor verantwoordelijk.

Voorzitter: wat is zijn verdere lot geweest?

Brouwer: Hij is toen ondergedoken gebleven van het moment af dat ik in de gevangenis ben gekomen tot het einde van de oorlog.

Voorzitter: Leeft hij nog?

Brouwer: Ja.

Voorzitter: Kent u zijn adres?

Brouwer: Hij heeft zich nooit meer gemeld, maar hij is vlak na het aflopen van de oorlog met de een of ander Amerikaanse rang naar Duitsland vertrokken. Later zou hij weer terugkomen. Hij had allerlei huwelijksmoeilijkheden en hield er een vriendinnetje op na. Hij wist wel dat ik voor die dingen niet veel voelde en begreep dat het beter was dat hij niet bij mij over de vloer kwam.

Voorzitter: Weet u aan zijn adres te komen?

Brouwer: Misschien wel.

Voorzitter: Ik interesseer mij hiervoor onder meer omdat Schreieder heeft gezegd, dat hij de gedachte heeft, dat Tuyn ook met agent Zomer, waarover ik het zoëven had, in 1941 zou hebben samengewerkt. Deze heeft namelijk ook in de omgeving van Bilthoven gewerkt en in zoverre zou Tuyn misschien daarover informatie kunnen geven.

Brouwer: Dit kan, want ik ken de naam Zomer uit de tijd en uit het proces van de man die is doodgeschoten. Hierbij waren ook betrokken de vrienden van Medenbach de Rooy, zoals Tony Fouchier, Dick Maclaine-Pont, Dick Gevers-Deynoot en Joop Meyer. Het klopt dus wel dat hij daarmee uit te staan heeft gehad.

Voorzitter
: Mag ik u dan vragen of u ons het adres wilt mededelen als u het kunt krijgen?

Brouwer: Met genoegen.
Voorzitter: U had het ook over verzenden van berichten over de landweg. Wist u hoe deze weg georganiseerd was?

Brouwer: Gelukkig niet.

Voorzitter: Hoe werden de berichten meegegeven? Wie verzorde in Nederland de stukken die moesten worden doorgezonden naar Londen?

Brouwer: Gedeeltelijk was dit Schreuder.

W.v.S: Leeft deze nog?

Brouwer: Ja, en ook Granada. Schreuder is waarschijnlijk op het ogenblik in Indië. Hij heeft kans gezien nog weg te komen nadat ik was opgepakt. Hij is naar Amerika gegaan en zee-officier geworden en heeft toen een hoge functie gekregen in Indië bij de secret-service van de Marine. De A.C. rapporten zijn wel bekend bij onze inlichtingendienst.

Voorzitter: Bij het B.I. bedoelt u?

Brouwer: Ja, die rapporten zijn van mij.

Voorzitter: Van u persoonlijk?

Brouwer: Voor het grootste deel, doordat ik ze samenstelde.

Voorzitter: U maakt rapporten uit de gegevens die u kreeg?

Brouwer: Ja, Dit was eerst het werk van Medenbach de Rooy en later heb ik dit overgenomen. Wat Tuyn kon behandelen moest hij maar doorzenden.

Voorzitter: waren dit de meer dringende berichten?

Brouwer: Ja. Zo dringend was het overigens niet.

Voorzitter: U sprak over contacten de de PACKARD groep. Bestond deze groep voor uw arrestatie al?

Brouwer: Die was er in die tijd nog niet.
(dit is onjuist, Packard bestond toen al wel)

Voorzitter: In welk verbandd hebt u het dan zoëven gezegd?

Brouwer: dat is de voortzetting geweest.

Voorzitter: In die PACKARD Groep hebben de heren Deinum en Vader een rol gespeeld. Kende u die?

Brouwer: Nee, Ik kende Wannée en Veterman. dat was een pilotengroep. Verder heb ik notaris ter Horst - wij hadden onze eigen inlichtingendienst - anderhalve week voordat hij werd opgepakt gewaarschuwd en gezegd dat hij en zijn groep werden geschaduwd. Hij zei: Als dat waar is, in Gods naam dan maar, dan kan ik er niet meer aan ontkomen. Hierop heb ik hem geantwoord: Dat moet u zelf beoordelen; onze berichten zijn dat het fout zit met uw groep. Inderdaad was hij anderhalve week daarna er bij.
Voorzitter: Is van der Waals daarbij genoemd?

Brouwer: Ja. waarschijnlijk heeft hij van Medenbach de Rooy opgepakt en ook Groen.

W.v.S: Hebben zij niet drie uur naar u gezocht in een schuilkelder?

Brouwer: Ja.

W.V.S: Hebben zij u eruit gekregen?

Brouwer: Ja, helaas.

Voorzitter: Is er toen een dagboek van Tuyn gevonden?

Brouwer: Ja. daarover zou ik een hele avond kunnen vertellen. In de schuilkelder waarin ik zat is een boek gevonden met aantekeningen. toen ik werd verhoord zei ik dat Tuyn alles wist en dat zij Tuyn alles maar moesten vragen. dat heb ik vol kunnen houden.

Voorzitter: U deed voorkomen als of u het hulpje van Tuyn was?

Brouwer: Ja en dat is opgegaan. het onderzoek is bij mij gestopt en er is verder niemand gearresteerd. er was geen andere mogelijkheid meer, want zij hadden de zender met alles wat er bij hoorde gevonden in 'Plantwijk'. dat waren allemaal bewijsstukken tegen mij.
Maurits Jacob Groen
Eduard Veterman was schrijver, onder andere van toneelstukken. Hij is na verraad in 1943 gearresteerd en heeft in Scheveningen gezeten en daarna in Lütteringhausen, waar hij door de Amerikanen bevrijd is. Na de oorlog heeft hij een succesvol toneelstuk geschreven over het Oranje Hotel in Scheveningen. Van Prins Bernhard kreeg hij de opdracht om de geschiedenis van de B.S. te beschrijven. Veterman wilde daarbij wat onwelriekende zaken aan het licht brengen en daarom werd de opdracht ingetrokken. Veterman besloot vervolgens zelf het manuscript uit te brengen. Hij is echter op 28 juni 1946 op mysterieuze wijze bij een verkeersongeluk om het leven gekomen. Hierbij kwam zijn zwangere vrouw Katy ook om het leven. Het manuscript is sindsdien spoorloos ...
Veterman
 
Voorzitter: Heeft uw tegenwoordige vrouw na uw arrestatie in de PACKARD Groep gewerkt?

Brouwer: Ja. Ik weet de namen niet meer, maar als hoofdman van die groep trad op Maclaine-Pont, die nu in Duitsland zit. Hij is sedert het einde van de oorlog civiel-officier in Duitsland. Hij kan u daarvan alles vertellen. Daarin zat ook Joop Meyer uit Zeist en Antje Meyer, als koerierster, een zusje van Jan Meyer, die gefusilleerd is. Mijn berichtgevers zaten daar voor een groot deel ook nog in: Hellendoorn uit Bilthoven en van Stolk uit Rotterdam en allerlei mensen over het hele land.

Voorzitter: U zegt dat de zaak door u is gestoptdoor het verhaal, dat u bij uw verhoren aan de Duitsrs hebt gedaan. Dit klopt ook wel met de mededelingen van Schreieder, toen hij wist van de zender, die dr. Brouwer uit Bilthoven heeft gehad, begon hij met de woorden: "Das war eine ziemlich mysteriöse Sache"

Brouwer: Ik wist dat ik er ontzettend 'bij' was. het verhaal is niet zo machtig interessant, maar ik heb mij de eerste zes weken van mijn gevangenistijd in Scheveningen krankzinnig gehouden. Dat is natuurlijk niet zo gemakkelijk voor een dokter, athans niet bij Moffen. Daardoor konden zij mij niet verhoren en stond ik vermoedelijk pas in juni geboekt voor verhoor. Toen had ik mijn verhaal klaar, want ik was niet zo erg krankzinnig.
Voorzitter: Ik wilde nu met u spreken over het punt dat ons in het bijzonder interesseert, namelijk de mededeling van de heer Six, dat hij in september 1942 van een radio dienst - dit zou dan zijn de radiodienst, waarmee u te maken had - een bericht kreeg ....

Brouwer: ... dat in het kort hierop neerkwam, dat een aanval mocht worden verwacht op de westkust van Nederland, Belgie en nog iets. Klopt dat?

Voorzitter: Het telegram, zoals de heer Six het heeft opgegeven, luidde als volgt: 'Voor Cdt. O.D. Regeringstelegram. Geheim. Er moet rekening worden gehouden met landingen langs de gehele Nederlandse kuststrook, teneinde contact op te nemen met de vijand. Burgerbevolking en OD moeten zich strikt afzijdig houden. Nadere mededelingen volgen.'

Brouwer: Inderdaad.

Voorzitter: Misschien wilt u vertellen hoe u aan dit telegram bent gekomen.

Brouwer: Van Tuyn.

Voorzitter: Tuyn is dus op een goede dag bij u gekomen met de mededeling: Ik heb een telegram ontvangen?

Brouwer: Ja. Waar dit telegram vandaan kwam wist ik natuurlijk niet. Later ben ik in verband met het Englandspiel wel eens gaan twijfelen aan de herkomst van dat telegram. Ik kan echter dit wel zeggen: Al is men nu een fenomeen in tellen en kunstjes maken, code telegrammen ontcijferen gaat niet in een paar seconden. Wanneer Tuyn berichten ontving, schreef hij ze in code op en gingen wij ze samen ontcijferen. Hij zou geen kans hebben gezien dat zo snel in code over te brengen.
Wat bedoelt Brouwer hier, dat hij Willem Tuyn te dom vond om telegrammen te kunnen ontcijferen?
Voorzitter: Ik begrijp dus dat u zijn code kende?

Brouwer: Zeker.

Voorzitter: Wat voor code was het?

Brouwer: Een lettercode.

Voorzitter: Was het een code met een gedicht, dus wat men noemde een poem-code?

Brouwer: Neen, het was een verschuiving in hokken. waar hij die code vandaan haalde weet ik niet. Hij ving die dingen op. Zijn zenderletters waren ook A C. Wij hadden ook de AC rapporten over land.
Weer zo'n vreemd verhaal. Het lijkt mij sterk dat de decoderingssleutel middels een telegram naar Tuyn gestuurd werden. Hier klopt het een en ander echt niet.
Voorzitter: U bent dus op een gegeven moment met hem in aanraking gekomen en hij had een zender en een code. Een zender kon men eventueel nog in Nederland op de kop tikken, maar als men met een code wilde werken moest er een afspraak zijn met de overkant. Hebt u hem nooit gevraagd: "Hoe heb je die code gekregen?"

Brouwer: Die had hij in Amersfoort al.

Voorzitter: Maar hij moet hem toch op een gegeven moment gekregen hebben; een eenzijdige code helpt niets.

Brouwer: Hij had die code van het begin van de oorlog al, toen er regelmatig contact was met de overkant


Wat bedoelt Brouwer hiermee, dat er direct bij het uitbreken van de oorlog al radioverbindingen met Engeland waren? Met wie, D-Section?


Voorzitter: Er waren misschien contacten geweest met mensen die die uit Engeland waren gekomen. In 1940 is bijvoorbeeld van Hamel hier geweest. Indien u door Tuyn was verteld: "Ik heb die code van Zomer of van van Hamel gekregen", dan kan ik begrijpen dat het zo gegaan is.

Brouwer: Daarvoor had ik geen interesse. Ik nam de boel over met inbegrip van de vent die zond.

Voorzitter: Hij heeft wel verteld hoe die code werkte en wat het systeem was?

Brouwer: Ja, daar zat ik bij.

Voorzitter: Bij de code speelt meestal ook nog een rol, behalve de verschuivingen, waarover u spark, dat men bepaalde fouten moet maken om aan de overkant duidelijk te maken dat men het zelf is die zendt. Heb u gemerkt dat daarvan sprake was?

Brouwer: Nee.

Voorzitter: Hebt u weleens gecodeerd?

Brouwer: Neen, alleen gedecodeerd. Als hij dan zat te cijferen was ik er bij. Wij hebben indertijd in Zandvoort een Duits codesysteem gegapt, welk systeem ik op alle mogelijke manieren aan de overkant hen trachten te krijgen. Of het daar is aangekomen weet ik niet.

Voorzitter: Hij heeft dus het bewuste telegram aan u laten zien. hebt u dat mede gedecodeerd?

Brouwer: ik ben er bij geweest dat het gedecodeerd werd.

Voorzitter: Dat telegram trok dus wel uw aandacht?

Brouwer: Ja. Wij hebben het als zodanig doorgegeven.

Voorzitter: U hebt dus gezegd: dat geef ik door aan de OD, want daarvoor was het immers bestemd.

Brouwer: Ik heb het aan de heer Ritmeester doorgegeven. Ik heb er over gesproken met de heer Ritmeester, of iemand anders, en toen zei ik: wanneer het zo wordt doorgezonden kunt u wel aannemen dat het moet uitlekken en dat iedereen verwachten moet dat er iets aan onze kust gebeurt terwijl er dan iets ergens anders gebeurt. Ik vond dit een wondelijke berichtgeving. dat vertelt men toch niet aan een willekeurige zender.

Voorzitter: De heer Six heeft medegedeeld dat hij het telegram na de ontvangst, via Zwaantje - dat was dr. Oosterhuis - dus via Delfzijl naar Londen heeft gezonden. Hij kreeg toen via Zwitserland, dus via ds. Visser 't Hooft, op 2 december 1942 de mededeling dat dit telegram niet van de Regering - daarmede bedoelde hij de Nederlandse Regering in Londen - afkomstig was. Verder heeft hij gezegd dat hij in december 1942 zijn contactman  - een notaris te Bilthoven - van dit bericht in kennis stelde en dat zij overeenkwamen dat het beter was de verbinding te verbreken, hoewel de contactman er van overtuigd was, dat de zender inderdaad met Londen en niet met de Gestapo in contact stond. Hij doelde daarmede de contactman van de groep, waarvan het bericht afkomstig was. Dit zal dus misschien notaris ter Horst zijn geweest.

Brouwer: Groen, Ritmeester en ter Horst waren er.

Voorzitter: "Na de oorlog onderzocht ik deze zaak en kwam daardoor in contact met dr. Brouwr te Bilthoven, die mij eind 1946 mededeelde, dat hij zelf juist in Engeland was geweest en deze zaak ter plaatse had onderzocht, waar hem zou zijn gebleken, dat zijn zend- en ontvangsttoestel te Bilthoven (waarover deze telegrammen waren binnengekomen) in contact had gestaan met een geheime Engelse dient in Bristol." Zo zegt de heer Six verder in zijn rapport. Later bij zijn verhoor voor de commissie is gebleken dat hij alleen telefonisch met u had gehad.

Brouwer: Ja. Ik ben helemaal niet in Engeland geweest.

Voorzitter: Is het contact van de heer Six met u inderdaad slechts oppervlakkig geweest?

Brouwer: Na de oorlog heb ik mij gemeld bij de inlichtingendienst in Wassenaar. Daar zaten Pot en Gevers-Deynoot en kolonel Somer natuurlijk. Wij hebben toen de boel besproken en het over de AC rapporten gehad en over de AC zender met Bristol.

Voorzitter: Hoe kwam u aan de naam Bristol? Daarvan wist u tijdens de oorlog toch niet?

Brouwer: Dat heb ik steeds geweten, want dat beweerde Tuyn. Ik heb gevraagd: Zijn wij ooit met Bristol in contact geweest of heb ik een van de drie ter-dood veroordelingen van de SD gekregen? Dit vond ik niet zo gezellig.

Voorzitter: Wat was het resultaat van die besprekingen?

Brouwer: Men vond het erg prettig dat ik weer thuis was. Het resultaat is geweest dat ik een Montgomery-onderscheiding heb gekregen. Ik heb ook een aanslagbiljet voor de belastingen gekregen over de jaren, dat ik in de gevangenis heb gezeten en ik moest over die tijd een zekerheidstelling betalen van Fl. 5000 waar ik niet onderuit heb kunnen komen. Verder zijn mijn twee auto's gestolen en de juwlen van mijn vrouw zijn gestolen. Zo kan ik wel doorgaan.

Voorzitter: Maar wat was het resultaat van die besprekingen?

Brouwer: Van Medenbach-de Rooy en ik waren voor deze mensen helemaal geen onbekenden.
Voorzitter: Waarschijnlijk heeft de heer Somer in de tijd, dat hij nog in Nederland was, nog wel contact gehad met uw groep?

Brouwer: Inderdaad. Hij kende mij uit het begin. Hij zei: die Engelandrommel moeten wij nog eens uitzoeken, want het was zo fout. Ik antwoordde: Gelukkig heb ik het niet op een kaart gedaan, misschien heb ik het meest voor de Joden gedaan.

Voorzitter: In het rapport van de heer Six staat, dat u zou hebben medegedeeld, dat u een onderzoek ter plaatse had ingesteld. Dit is dus door de heer Six verkeerd opgevat als te zijn geschied in Engeland, want het was een bespreking met de inlichtingendienst te Wassenaar. Het onderzoek zou u duidelijk hebben gemaakt, dat uw zender in contact had gestaan met een geheime Engelse dienst te Bristol. Dit is echter helemaal niet uitgemaakt door dat onderzoek.

Brouwer: Pot en Somer hebben het toch als zeer waarschijnlijk geoordeeld.


Op basis waarvan kwamen Somer en Pot tot deze conclusie?


Voorzitter: Ja 'waarschijnlijk'.

Brouwer: Het is ook altijd het verhaal van Tuyn geweest, dat het een contact was, dat hij al voor de oorlog had met de Engelse geheime dienst. Dit was per se een feit. Het was een contact met een Engelse dienst. Daarbij was het echter niet uitgesloten, dat het bewuste telegram, dat natuurlijk een telegram van de Nederlandse Regering was, via een Engelse verbinding is gegaan. Dat behoefde niet vreemd te zijn. Wij hebben de indruk gehad, dat dit niet een telegram was, dat men zo zond, maar dat het een telegram was dat de een of andere indruk moest wekken en dat moest uitlekken.

Voorzitter
: Er gingen natuurlijk meer berichten naar Engeland dan dat er terugkwamen?

Brouwer: Veel meer. De belangrijkste berichten gingen over de land weg. Daarover gingen de papieren.

Voorzitter: De inhoud van dit telegram was heel merkwaardig. Wat was de inhoud van de andere telegrammen, die u mede gecodeerd hebt?

Brouwer: Die waren uitermate kort.

Voorzitter: Waarop hadden deze betrekking?

Brouwer: Op hetgeen gezonden werd.

Voorzitter: Dus bijvoorbeeld het vragen van nadere toelichting?

Brouwer: Ja. De inhoud was uitermate kort. Op de meeste dingen kwam geen antwoord.

Voorzitter: Zijn er telegrammen gewisseld over de zendtijden? U weet, dat men alleen op bepaalde afgesproken dagen en uren kon zenden. Op die bepaalde dagen en uren kon men andere tijden aanvragen, als men dringende berichten had.

Brouwer: met mij is daarover theoretisch gesproken, want dat interesseerde mij ook. Tuyn heeft gezegd, dat hij een enorme zender had, die op verschillende golven kon werken. Het was inderdaad een grote zender.

Voorzitter: Heeft hij gezegd hoe hij aan die zender is gekomen?

Brouwer: Neen.

Voorzitter: Of hij hem reeds voor de oorlog had dan wel of hij hem van een bepaalde fabriek heeft losgekregen?

Brouwer: Neen. Het was een groot ding, dat in een koffer niet was mee te dragen.

Voorzitter: Hebt u het toestel zien gebruiken?

Brouwer: Men kon het horen zenden. Het had een plaats waar niemand bij kon.

W.v.S: Hebt u nooit last gehad dat u werd gepeild?

Brouwer: Ja, zij waren altijd aan het peilen in Bilthoven. Zij hebben er een spielerei zender mee gevonden van Sikkinga en die jongens zijn er de kast voor ingegaan en niet meer teruggekomen.


Het betreft hier Jaap Sickenga en samen met Hans Zomer op 31 augustus 1941 in Bilhoven gearresteerd werden terwijl zij berichten aan het verzenden waren. Die 'spielerei' zender waar Brouwer het over had was waarschijnlijk een voorloper van de beroemde paraset.


Voorzitter
: De Duitsers zochten blijkbaar de zender van Tuyn.

Brouwer: Ja.

Voorzitter: Had Tuyn hem altijd op dezelfde plaats?

Brouwer: Ja, maar men kan een grote zender enorm goed afschermen. Hij wist inderdaad van radiotechniek veel af. Er waren in dat rusthuis wel tien radiotoestellen verborgen, waarvan er niet een deugde, maar het duurde niet lang of alle toestellen waren perfect in orde. Hij zette er nieuwe onderdelen in en maakte van twee defecte  toestellen één goed. Dat was allemaal in orde.

Voorzitter: Men heeft u bij B.I. in Wassenaar dus niet kunnen zeggen of uw berichten waren ontvangen?

Brouwer: Neen.

Voorzitter: Dat is natuurlijk niet zo vreemd, omdat B.I. pas eind 1942, begin 1943 is gaan werken en u in april 1943 bent gearresteerd.

Brouwer: Ja, wij werkten van kort na het begin van de oorlog. Het was een zender van de Engelse Intelligence Service.

Voorzitter: Dat zegt Tuyn. Op zijn verklaring berust alles. Daarom wordt het wel van belang Tuyn hierover te horen. Mijn verzoek aan u of u zijn adres kunt vinden, wordt hiermede nog eens onderstreept.

Brouwer: De vraag is of hij niet in Amerika is. Ik kan er in ieder geval wel achter komen waar hij is.

Voorzitter: U hebt dus, ondanks het min of meer vreemde verhaal van zijn belevenissen in 1942, wel de overtuiging - voor zover u hem hebt kunnen waarnemen -, dat hij bona fide was?

Brouwer: Ja. daar kwam bij dat Schreieder en Heilbronn mij een papier hebben voorgelegd, dat hij hen had gegeven en dat helemaal niet klopte.

Voorzitter: Hieruit leidt u af, dat hij heeft geprobeerd de S.D. te misleiden?

Brouwer: Ik heb gedacht: als hij dat allemaal heeft gezegd, heeft hij het listig gedaan, want hij heeft hen alleen maar op een dwaalspoor gezet.

Voorzitter: U was wel degene, die het nauwst contact had met Tuyn? U kent niet een ander uit uw omgeving, die van de handelingen van Tuyn meer kan weten? Wij onderzoeken op het ogenblik in het bijzonder de kwestie van de verbindingen met Engeland. daarom zouden wij graag willen weten of er nog iemand is, die daarvan kan weten, behalve u.

Brouwer: Ze zijn allemaal dood.

Koersen: Seinde Tuyn uitsluitend voor uw groep of ook voor andere groepen?

Brouwer: Hij kreeg ook andere berichten.

Koersen: Had hij ook contact met anderen?

Brouwer: Hij stond onder curatele. Hij kwam de deur niet uit.

Voorzitter: Alles ging dus via u en u zocht uit, wat u meende, dat nodig was om radio-grafisch over te brengen?

Brouwer: Inderdaad, onder andere zelfs weerberichten. Het moet na te gaan zijn of men ze heeft ontvangen.

Voorzitter: Als het binnen de sfeer van een Engelse dienst is gebleven, is het niet na te gaan.

Brouwer: Zij waren er verschrikkelijk fel op. Zij hebben het zover opgevoerd dat zij die weersberichten tweemaal per dag wilden hebben.

Voorzitter: Daarop hadden dus ook de antwoorden die u terugkreeg betrekking?

Brouwer: Ja. Wij hadden daarvoor onze man in de Bilt.

Voorzitter
: Ik heb Schreieder gevraagd of het uitgesloten was 'dat voor de arrestatie van dr. Brouwer men van Duitse kant de mogelijkheid heeft gezien om hem over zijn verbinding, dus over zijn golflengte, een bericht toe te sturen'. Schreieder heeft toen gezegd, dat dit onmogelijk was. Hij antwoordde: Nein, also mit der ganzen Sendesache dr. Brouwer hatten wir vorher gar nichts zu tun. Es war eine ganz neue Sache, als van der Waals sie mir brachte.
De mogelijkheid toch zou ook hebben bestaan, dat terwijl Tuyn dacht, dat hij in verbinding stond met de Engelsen, hij in werkelijkheid in verbinding stond met de Duitsers. Dit wordt echter door Schreieder positief ontkend.

Brouwer: De berichten die wij terugontvingen, waren allemaal buitengewoon kort en bondig: het was allemaal geen geklets. Wij deden ons best de gevraagde gegevens te krijgen. Achteraf, toen wij die dingen van het Engelandspiel hadden gehoord, heb ik er over nagedacht en mij afgevraagd: hoe kan dat nu? Wanneer wij steeds aan het zenden waren geweest met de Duitsers, dan was het heel anders gegaan, want wat zouden hun dan die weerberichten hebben kunnen schelen? Dan hadden zij andere dingen gevraagd. Wat konden de Duitsers berichten interesseren als de weerberichten? Het zou kunnen zijn geweest om ons te peilen.

Voorzitter: Een bericht, dat van betekenis is geweest, was het telegram van 24 september 1942.

Brouwer: Wij hebben gezegd, dat het bedoelt was om de boel af te leiden. Men wist niet, wat de Secret Service deed. Het was niet allemaal zo mooi.

Voorzitter: Zond Tuyn dagelijk en kreeg hij dagelijks berichten of bijvoorbeeld eenmaal in de week?

Brouwer: Dagelijks op verschillende uren. Hij kreeg weleens geen antwoord en dan moest hij er weer inklimmen.

Voorzitter: Het was dus vrij druk verkeer. Hoe lang heeft het geduurd?

Brouwer: Het heeft geduurd, met die onderbreking van zijn verblijf in het ziekenhuis - dat was een onderbreking van ongeveer drie en halve maand -, van kort na het begin van de oorlog, dus mei 1940, tot maart 1943.


Dit is wel heel lang voor een zender die dagelijks in de lucht was!



Voorzitter: Dus hetgeen u vertelde van uw inlichtingen, die naar Engeland gingen, en de antwoorden, die daarop terugkwamen, vond reeds plaats in 1940?

Brouwer: Ja, ook al in Amersfoort. Dat was de verbinding, die van Medenbach de Rooy en kolonel de Vries meenden te hebben en die wij later ...

Voorzitter: Waarom zegt u "die van Medenbach de Rooy en kolonel de Vries meenden te hebben", terwijl u ten opzichte van u zelf zegt: die verbinding had ik.

Brouwer: Ik meende dat indertijd ook, anders was ik er nooit zo ingetrapt. Achteraf, met dat Englandspiel, vraag ik mij wel af of er ooit een zender is doorgekomen.

Voorzitter: Ik dacht, dat u verschil maakte tussen de zekerheid van die twee heren en die van u zelf.

Brouwer: Na de Meidagen van 1940 is van Medenbach-de Rooy bij mij gekomen en heeft gezegd dat hij verbinding had met de Engelse Secret Service. Wij zijn toen gaan spreken, hoe wij het zouden opzetten. Die zender heeft in Amersfoort reeds gewerkt. Daaraan heb ik meegewerkt.

Voorzitter: Dateerde uw contact daarmede reeds van 1940?

Brouwer: Ik heb reeds samengewerkt met van Medenbach-de Rooy; ik heb Tuyn toen alleen maar gezien.

Voorzitter: U wist dus van het bestaan van Tuyn af?

Brouwer: Ja, maar hij wist niet wie ik was.

Voorzitter: Wanneer die zender van mei 1940 af reeds heeft gewerkt, zou men kunnen veronderstellen, dat dat een gevolg was van een contact met de Engelse inlichtingendienst van voor die tijd. Was Tuyn echter wel een man, van wie verondersteld kan worden, dat hij voor de oorlog reeds contact zou hebben gehad met de Engelse geheime dienst.

Brouwer: Hij was wel zo'n type; hij was een scharrelaar en een enorme radio virtuoos.


Ik denk zelf dat de sleutel meer in de omgeving van kolonel de Vries moet worden gezocht. Tuyn bediende de zender, hij was de WT-operator, de Vries had gezien zijn functie mogelijk contact met een Engelse dienst. Bekend is dat Henri Koot ook over dergelijke contacten beschikte.


Voorzitter: U acht het dus niet uitgesloten, dat hij dat contact voor die tijd heeft gehad. Het is u niet bekend, of van Medenbach-de Rooy of kolonel de Vries zulk een contact hebben gehad?

Brouwer: Ik heb de indruk, dat dit allemaal niet zo goed zit. Dit is natuurlijk tot op zekere hoogte een verlengstuk van de spionagevan Engeland van voor de Meidagen 1940. Zo heb ik het altijd bekeken.

Voorzitter: In ieder geval heeft Tuyn u daarvan nooit iets verteld?

Brouwer: Op zichzelf vind ik het voor een neutraal land niet juist, maar toen de Moffen hier eenmaal zaten, werd de zaak anders.

Voorzitter: Het hoeft helemaal niet te betekenen dat er op dit punt een tekortkoming was in de neutraliteit van Nederland.

Brouwer: Hij (Tuyn) was in militaire dienst.

Voorzitter: Dat buitenlandse geheime diensten hier voor de oorlog werkten, is een feit. Dat deze diensten contact hadden met bepaalde mensen, kan de Nederlandse Regering moeilijk geweten hebben.

Brouwer: Ik wil niet de indruk gevestigd hebben, dat ik voor de oorlog met of andere spionage affaire, voor welke kant dan ook, te maken zou hebben gehad, want dit ligt niet op mijn terrein.

Voorzitter: U bent dus van mening, dat Tuyn de man is, die weet hoe die verbindingen met Engeland is tot stand gekomen? U gelooft, dat hij het zelf heeft gedaan.

Brouwer: Ik kan u er wel bij zeggen, dat hij hoogstens zegt: AC en Bristo, maar dat hij er niet verder over spreekt, want daarover heeft hij nooit met iemand gesproken.

Voorzitter: In die tijd was dit ook zeer verstandig. Als men daar eenmaal inzit en de oorlog is aan de gang, dan moet men er niet over spreken.

W.v.S: Als hij werkelijk in Engelse dienst is geweest, was hij misschien door een Engelse eed gebonden.

Brouwer: Dat was hij inderdaad en ik weet niet, wat dit voor verplichtingen geeft

Voorzitter: Ik geloof, dat wij hiermede deze zaak, voor zover het u betreft, wel hebben behandelt. Ik wil nog eens herhalen, dat het van belang is, dat wij het adres van Tuyn krijgen.

W.v.S: Leed Tuyn vroeger ook aan epilepsie?

Brouwer: Neen, Hij heeft dit gekregen met de oppakkerij.

W.v.S: Is het overgegaan?

Brouwer: Het is een traumatische geschiedenis, die langzamerhand is afgezakt. Zoiets kan inderdaad komen door een flinke klap op het hoofd.

Voorzitter: Ik dank u zeer voor de verstrekte inlichtingen en ik sluit dit verhoor.

M. BROUWER

                                                                                      DONKER, voorzitter
                                                                                      WITTEWAAL van STOETWEGEN
                                                                                      KOERSEN
                                                                                      DUISTERWINKEL, griffier

Jaap Sickenga
Hans Zomer
Klik hier voor het verhoor van Willem Tuyn
w.mugge@home.nl
Johan Coenraad Meijer