BUREAU BIJZONDERE OPDRRACHTEN
ENQUETECOMMISSIE REGERINGSBELEID 1940-1945.
DE NEDERLANDSE GEHEIME DIENSTEN TE LONDEN.
    DE VERBINDINGEN MET HET BEZETTE GEBIED
Deel 4 A & B, Bladzijde 533, Paragraaf 1.
In verband met de grote moeilijkheden waarin het Bureau Militaire Voorbereiding Terugkeer verkeerde in verband met het uitzenden van agenten naar Nederland, werd Kolonel De Bruyne op 3 Maart 1943  ontheffing verleend voor het leiding geven van de SOE werkzaamheden, die hij als hoofd van het bureau MVT had. Zodoende had MVT geen enkele bemoeienis meer met het uitzenden van agenten naar Nederland. Om in deze leemte te voorzien heeft de regering een nieuw bureau ingesteld, dat dit werk over diende te nemen.

Blijkbaar heeft de minister van Oorlog, van Lith de Jeude, op 14 februari 1944 een bespreking gehad met de minister of Economic Warfare, Lord Selborne. Hij refereert aan dit gesprek in een brief van 26 februari 1944 d.a.v. aan deze Engelse minister, waarin hij meedeelt, dat hij plannen aan het maken is voor de reorganisatie van de 'sabotage-afdeling' van de militaire geheime dienst. Hij schrijft, dat hij, voordat hij een definitieve beslissing neemt, het zeer op prijs zou stellen te weten, of Lord Selborne het wenselijk acht, dat Generaal-Majoor van Oorschot hoofd daarvan wordt, dat hij er zeker van wenst te zijn, dat een nauwe samenwerking met de Britse dienst gewaarborgd zal zijn. Als reden, waarom hij Generaal-Majoor van Oorschot noemt, geeft hij op, dat deze goed thuis is in het geheime dienstwerk, daar hij dit in Nederland heeft gedaan.

Bij brief van 13 maart 1944 kreeg van Lith de Jeude van Engelse zijde bericht, dat in de plaats van Bingham nu Majoor R.I. Dobson benoemd was tot hoofd van de Dutch section van SOE (
N-Section). Majoor Dobson had volgens dit schrijven gedurende 3 jaar het bevel gevoerd over de operaties van de Belgische sectie (T-Section). Hij was een man van ruime ervaring. Met betrekking tot het naar voren brengen van de naam van Generaal-Majoor van Oorschot door de Nederlandse Minister President als hoofd van de 'sabotage-afdeling' aan Nederlandse zijde , wordt in deze brief opgemerkt, dat deze benoeming met vreugde is begroet, zowel door Lord Selborne als door SOE. In de brief wordt verder gezegd, dat o.a. Brigadier Mockler Ferryman Generaal-Majoor van Oorschot zeer gaarne wenst te spreken, zodra deze zijn functie heeft aanvaard, opdat er van gedachten gewisseld kan worden over de gezamenlijke politiek, die gevoerd dient te worden om de operaties in Nederland opnieuw op gang te brengen. De dagelijkse aangelegenheden dienen besproken te worden tussen Majoor Dobson en de officier die Generaal-Majoor van Oorschot daarvoor zal aanwijzen.

Hierop is op 15 maart 1944 door het Ministerie van Oorlog een brief gezonden naar het Ministry of Economic Warfare, waarin gezegd wordt, dat Generaal-Majoor van Oorschot op 15 maart 1944 zijn post zal aanvaarden en daarna direct o.a. met Brigadier Mockler Ferryman een bespreking zal hebben.

Van Lith de Jeude heeft aan de Parlementaire Enquete Commissie medegedeeld dat na het aftreden van Kolonel de Bruyne het Bureau Bijzonder Opdrachten onder leiding van Van Oorschot is ingesteld. Deze nam dus feitelijk de taak van De Bruyne over. Het is heel goed gelopen. Klijzing had op het BBO het uitvoerende werk, de zorg voor het neerwerpen van wapens en dergelijke zaken.

Van Oorschot heeft verklaard, dat hij op 14 maart 1944 bij minister Van Lith de Jeude moest komen. Deze heeft hem gevraagd, of hij bereid was opnieuw in dienst te treden. Hij is toen hoofd geworden van het zogenaamde  Bureau Bijzonder Opdrachten. Hij heeft deze functie tot aan het einde van de  oorlog vervuld. De minister heeft hem bij deze gelegenheid medegedeeld, dat het geen plezierige opdracht was, welke hij ontving. Het bureau, dat deze aangelegenheden tot die tijd behartigd has was hopeloos in de war, aldus de minister. Aan Van Oorschot werd echter medegedeeld, dat het werk voortgang moest vinden, daar de Engelsen dit ook in Frankrijk en België deden.

Nadat Van Oorschot aan de minister had medegedeeld dat hij het graag zou willen doen, heeft hij zich in diens opdracht in verbinding gesteld met Kolonel De Bruyne. De minister had hem erbij gezegd, dat hij het personeel van De Bruyne onder geen voorwendsel meer mocht gebruiken. Toen Van Oorschot met het BBO begon, stond hij alleen voor deze taak.

Van Oorschot had echter al gauw begrepen, dat de fout van het voorafgaande bureau was geweest,
dat zij er geen van allen iets van wisten. Ook hij wist niets van de ondergrondse beweging in Nederland. Van Oorschot is toen van de gedachten uitgegaan, dat hij dan tenminste ondergeschikten moest hebben die er wel iets van wisten. Hij heeft toen de beschikking gekregen over Kas de Graaf, die een uitstekende kracht bleek te zijn; daarnaast over Karel Klijzing, die eveneens als Engelandvaarder uit Nederland was gekomen.

Van Oorschot deelt in dit verband mede, dat hij over Klijzing gehoord heeft, dat Van 't Sant gedacht schijnt te hebben: ik moet daar eens iemand op dat bureau hebben, een dwarskijker, iemand van mij, die mij vertelt, hoe dat daar toe gaat. Iemand kwam dat aan Van Oorschot vertellen. Hij weet niet meer, wie het geweest is. Het kan ook één van de heren van het Hof geweest zijn. In ieder geval was diegene, die het kwam vertellen, wel een betrouwbare man. Deze zei tegen hem: Denk er om, die Klijzing, die jij krijgt, is een mannetje van Van 't Sant. Daarop heeft Van Oorschot geantwoord: Die moet ik juist hebben, want dan ben ik Van 't Sant kwijt en heb ik geen last meer van hem. Als ik zijn ondergeschoven man op het bureau heb, dan is Van 't Sant gerust en die man maak ik wel in. Klijzing , aldus Van Oorschot, is een uitstekende man. Hij heeft niets dan plezier van hem gehad. Een zeer actief iemand. Van Oorschot dacht: als ik mijn zaken goed doe, mag Van 't Sant dit gerust weten.

Met Jan Somer heeft van Oorschot altijd contact gehad, omdat hij tegen hem zei, dat beide diensten elkaar bij het droppen van agenten niet in de wielen moesten rijden, doch van elkaar moesten weten, wanneer zij ongeveer tegelijkertijd iemand in Nederland parachuteerden. Ook was hij het Bureau Inlichtingen soms ten dienste bij het droppen van agenten, daar BBO hierbij prioriteit had. De Engelsen, aldus Van Oorschot, hadden meer belang bij het BBO, daar de inlichtingen van het BI voor de Nederlandse Regering waren, doch het werk van het BBO voor de geallieerden.

Van Oorschot achtte een slechte verhouding, zoals deze tussen De Bruyne en Somer bestond, onjuist. Als die diensten ruzie met elkaar hebben, dan komt er geen werk uit hun handen en dit is de grootste ramp, die er is. Hij heeft dan ook altijd tegen de heren gezegd: wat je ook doet, ga naar Somer toe, maar maak nooit ruzie met hem, doe precies, wat hij wil. Als hij lastig is, mag hij lastig zijn, maar zorg er voor ruzie te vermijden, want dan ga je elkaar bestrijden en ga je dingen voor elkaar geheim houden en krijg je niets dan ellende. Ze vergeten, dat zij één zaak dienen. Ze dienen hun liefhebberijtjes. Ze maken ruzie met elkaar, omdat ze op hun tenen getrapt zijn. Dat is alles persoonlijk gedoe, maar aldus Van Oorschot, zij moeten bedenken, dat zij een zaak dienen. En daarom zei hij: dat moet je voor ogen houden en wordt je op je tenen getrapt door Somer, dan komt dat er niets op aan, als je de goede inlichtingen maar krijgt, en als je maar de goede mensen dropt en als de zaak maar goed gaat, daar gaat het om. Van Oorschot heeft altijd getracht dit te bereiken. Hij wil niet zeggen, dat hij het altijd bereikt heeft, maar men zal het toch met hem eens zijn, dat dat het enige goede doel is.

De hiërarchische verhouding tussen Karel Klijzing en Kas de Graaf was, naar Van Oorschot meedeelt, dat Kas de Graaf onder Karel Klijziing stond, doch dat zij samenwerkten. Beiden hebben dadelijk gezegd, dat de samenwerking met de Engelsen veel inniger moest worden.

Ten opzichte van Karel Klijzing meer Van Oorschot nog op, dat deze een geweldig actieve man was. Hij onderhield met Kas de Graaf het contact met Majoor Dobson. Ze hielden besprekingen over de telegrammen en andere aangelegenheden. Deze maakte Van Oorschot zelf niet mee, doch hij zag wel de resultaten hiervan. Hij heeft dan ook gezien, dat op de telegrammen opmerkingen stonden over de checks. Zijn taak was, aldus Van Oorschot, het nemen van beslissingen en het dragen van verantwoordelijkheid. Hij heeft er in verband hiermede voor gezorgd, dat hij met de leidende figuren van SOE op goede voet stond, daar deze er dan wel voor zorgden, dat zijn personeel een goede verstandhouding onderhield met de officieren van het BBO. Karel Klijzing en Kas de Graaf hadden een goede kijk op dit werk, omdat zij er zelf in werkzaam geweest waren. Zij waren hierin zeer geverseerd en legden het hem uit. Het was een geluk, dat hij deze officieren had, want anders was hij er misschien ook ingelopen, omdat hij geen ervaring had op dit gebied.

De verhouding met de Engelse dienst was dan ook van dien aard, dat het BBO door SOE niet buiten de opleiding van de agenten werd gehouden. Beide bureaus werkten zo, alsof het één bureau was, van het zelfde land. Zij hadden geen geheimen meer en werkten innig samen. Dit was, aldus Van Oorschot, de enige manier om iets goeds voor elkaar te krijgen. Ook de opdrachten, die een agent meekreeg, werden als het ware samen gemaakt. Dit werd absoluut  volledig besproken, daar in Karel Klijzing en Kas de Graaf 's ochtends naar het Engelse bureau (
SOE) gingen en daar de hele dag bleven.

Het bureau (
BBO) heeft in aanvang een paar agenten uitgestuurd, die volgens het advies van Kas de Graaf uitstekend waren. Hij kende deze persoonlijk, daar hij met hen in Nederland had samengewerkt. (Wie waren dit naast Bob Celosse?
Kende hij Tobias Biallosterski misschien ook al?
)

De samenwerking met Majoor Dobson was, aldus Van Oorschot, van dien aard, dat men met hem werkte, alsof hij een landgenoot was. In dit verband merkt Van Oorschot nog op, dat het niet zo gemakkelijk is om met de Engelsen te werken. Het is wel gemakkelijk, als men maar weet hoe het te doen, maar als men begint met het even fout te doen, dan krijgt men nooit meer samenwerking. Engelsen zijn eigen aardige mensen. Je moet ze een beetje kennen. Hij kende ze nu toevallig door jarenlange ervaring (
Het Venlo incident?) Hij had het geluk, dat hij wist, hoe hij met die mensen moest omgaan. Bijvoorbeeld flink zijn, want men noemt 'een flinke vent' die flink van zich af kan bijten en zo, dat neemt de Engelsman niet. Dat doet hij zelf ook nooit en slikt dat van anderen ook niet. Dan trekt hij zijn voelhorens in, dan is het afgelopen en is het gordijn gevallen. Het IJzeren Gordijn daarginds is er dan niets bij. Zo zijn de heren. Een man als Lieftinck (destijds kapitein der Mariniers), die een heel geschikte en flinke marine officier is, was bijvoorbeeld uiterst ongeschikt om met de Engelsen om te gaan. Van Oorschot hoefde zulk een man maar twee minuten te spreken en dan kan hij zeggen: die man heeft morgen ruzie met zijn 'opposite number'. Ruzie wordt het dan wel niet. De Engelsen zeggen eenvoudig niets meer en lachen. Dan is het afgelopen. Van Oorschot kon alles van hen gedaan krijgen. Hij heeft het bijvoorbeeld gehad in zijn eerste week, dat er een vergadering met de Engelsen was op zijn bureau, met Dobson, de Generaal en de Kolonel. Zij kwamen op zijn bureau onder zijn leiding vergaderen, heel gezellig, zij namen beslissingen en in drie kwartier hadden ze alles voor elkaar. Lieftick zei toen nog: "Generaal hoe heeft u dat voor elkaar gekregen? Ik heb die kerels nog nooit bij mij kunnen hebben". Van Oorschot kon natuurlijk niet zeggen, waarom het Lieftinck niet gelukt was.

Met de Engelse dienst SIS, die tegenspeler van het BI was, had Van Oorschot niets te maken. Hij heeft wel eens iemand van SIS gesproken, doch heeft daar nooit dienstverhoudingen mee gehad Hij liet dit aan Jan Somer over.

Over de tactiek van Generaal-Majoor van Oorschot heeft Kas de Graaf gezegd, dat deze er inderdaad op uit was om in elk geval een goede verhouding met Jan Somer tot stand te brengen.

Kas de Graaf heeft verklaard, dat het hem bekend is, dat er een regelmatig contact bestond tussen Van 't Sant en Karel Klijzing. Kas de Graaf beschouwd Karel Klijzing als een persoonlijke vriend van hem en hij zou weinig  anders dan goeds van deze kunnen zeggen. Het spreekt vanzelf, dat Klijzing als politieman Van 't Sant, die zijn voormalige chef was, zakelijk een warm hart toedroeg en dat dit  contact van de kant van Klijzing een zeer zakelijk karakter had. Kas de Graaf is er, nadat hij in Londen veel gehoord en gezien heeft, niet van overtuigd, dat van de zijde van Van 't Sant dat contact op dezelfde en voor hen plezierige wijze bestond. Hij heeft namelijk zekere redenen om aan te namen, dat Van 't Sant het niet onverdeeld eens was met het bestaan van het BBO in de vorm waarin het plotseling was ontstaan. Verder was het Kas de Graaf bekend, dat er in het verleden redenen waren voor een minder goede verstandhouding, ook al weer zakelijk, misschien ook wel persoonlijk - daarover kan hij echter in het geheel niet oordelen - tussen Van Oorschot en Van 't Sant, en dat was zeker niet een aanleiding tot een goede verstandhouding tussen Van 't Sant en het BBO. Vder was Van 't Sant een zeer belangrijk figuur in Londen, die iedereen kende en die bij iedereen, naar Kas de Graaf aanneemt, pied-á-terre had. Men was er in kringen van militairen, die bij dit soort en andere diensten leidende posities innamen, zeker niet enthousiast over, dat de toenmalige Generaal-Titulair van 't Sant zijn invloed kon doen gelden in domeinen, welke eigenlijk niet de zijne waren. Kas de Graaf merkte in dit verband nog op, dat Van 't Sant in 1944 een eigen vaste mening had over dit soort diensten en dat deze wel degelijk ook zijn persoonlijke invloed op die diensten liet gelden, zij het dan ook dikwijls indirect. Persoonlijk hadden de officieren van het BBO weinig of geen contact met Van 't Sant. Kas de Graaf herinnert zich, dat hij enkele malen bij hem is geweest. Hij kan niet anders zeggen, dan dat hij vol lof is over de bijzondere beleefde, prettige wijze, waardoor hij door hem is ontvangen. Hij heeft echter zeer lang en veel gesproken met personen, die Van 't Sant beter kenden, althans persoonlijk, en veel meer met hem hebben meegemaakt, en uit deze gesprekken, welke nogal regelmatig voorkwamen, kon hij niet anders dan de conclusie trekken, dat Van 't Sant regelmatig een belangrijke invloed uitoefende op alles wat hem interesseerde en waarmede hij het niet eens was. Dat kon Van 't Sant in zijn positie ook erg gemakkelijk doen. Kas de Graaf leidt een en ander echter af uit mededelingen van anderen en verder uit het persoonlijke en waarneembare contact dat heeft bestaan tussen Van 't Sant en zijn vrienden en/of kennissen op het bureau. Hij denkt hierbij aan het contact tussen zijn vriend Overste Klijzing en Generaal Van 't Sant. De eerstgenoemde werd regelmatig door de laatstgenoemde gecontacteerd en was zeer regelmatig, niet dagelijks, maar toch wel heel dikwijls, bij hem op bezoek. Dat was min of meer een kwestie van ontbieden. Het is vanzelfsprekend, dat een politieman, die reserve-officier is en met zijn vroegere en misschien toekomstige chef op vriendschappelijke wijze heeft samengewerkt, aan zulke uitnodigingen gehoor geeft. Klijzing is daar dan ook dikwijls geweest. Kas de Graaf neemt aan, dat Van 't Sant in grote lijnen - en mogelijkerwijze ook wel gedetailleerd - op de hoogte is geweest van het aantal operaties en het operatieve beleid van het BBO. Dit alles was, aldus Kas de Graaf, echter nog geen beïnvloeding. Hij bedoelt dan ook niet, dat Van 't Sant aan Overste Klijzing een wenk in bepaalde richting zou hebben gegeven. Hij zou liever willen zeggen, dat Van 't Sant, wanneer er maatregelen moesten worden genomen voor het BBO, in welke vorm dan ook , zeker geen contact daarover zou hebben gezocht met Klijzing, maar dat Van 't Sant misschien inlichtingen van hem zou hebben kunnen krijgen en dan zijn invloed op een andere wijze zou hebben kunnen aanwenden, al dan niet in het voordeel van BBO.

Klijzing heeft verklaard, dat hij slechts een enkele keer met Van 't Sant contact heeft gehad. Als er bij het BBO een telegram binnenkwam voor de Koningin, werd dit door hem overhandigd aan Van 't Sant. Als er verbinding moest zijn met De Prins , die na september 1944 zijn hoofdkwartier te Brussel had, liep dat over een van hun lijnen. Dat was een lijn, die met behulp van de Engelsen (SOE) rechtstreeks naar het hoofdkwartier van De Prins liep. Deswege had hij af en toe contact met Van 't Sant, omdat hij de telegrammen persoonlijk wilde overhandigen en ontvangen. Van 't Sant had, aldus Klijzing, wel belangstelling voor wat er in Nederland gebeurde, maar hij sprak niet over de operaties zelf. Hoogstens vroeg hij: "Gaat het, lukt het"? Het waren algemeen gestelde vragen. Die beschouwde Klijzing als een blijk van belangstelling, omdat Van 't Sant vroeger ook enige agenten had uitgezonden. Er werd bij deze gelegenheden tussen Van 't Sant en Klijzing, aldus laatstgenoemde, met geen enkel woord gesproken over de interne verhoudingen bij het BBO.

Over de positie van de MID (
Militaire Inlichtingen Dienst) na 15 maart 1944 heeft Kas de Graaf verklaard, dat deze afdeling weliswaar bleef bestaan bij het bureau MVT, doch dat de MID absoluut niets meer te maken had met het BBO. De enige taak van de MID was het verzamelen van inlichtingen uit inlichtingenbronnen, zoals bv het Bureau Inlichtingen, of van inlichtingen, welke over hun eigen inlichtingendienst of van de RAF Intelligence en andere intelligence-inrichtingen binnenkwamen, het in kaart brengen van die inlichtingen en het aanleggen van een kaartsysteem.

Na de oprichting van het BBO is er dan ook alleen met de MID dit zakelijke contact geweest, dat het BBO de gegevens, waarover het beschikte, bv met betrekking tot de luchtafweerbatterijen, wel eens vergeleek met de gegevens, welke bij de MID aanwezig waren, om te controleren of er inmiddels van een hun niet bekende bron nieuwe gegevens waren binnengekomen. Verder was er echter geen enkel zakelijk contact over de operaties, natuurlijk wel wat betreft de afwikkeling van allerlei zaken. Zij hadden de heren van de MID dikwijls nodig om te vragen, hoe deze bepaalde dingen hadden gedaan om te zien in hoeverre zij die procedures al of niet moesten volgen.

Lieftinck heeft verklaard dat na 15 maart 1944 de MID niet is overgegaan naar het BBO. Wel heeft hij de eerste twee maanden Kas de Graaf geholpen. De agenten werden echter niet uitgezonden door de MID, daar dit bureau niet overging naar het BBO. De MID deed niet anders dan inlichtingen, welke hij kreeg, verzamelen en groeperen. Men kan dus zeggen, aldus Lieftinck, dat bij de oprichting van het BBO de werkzaamheden, welke betrekking hadden op het contact met de verzetsorganisaties in Nederland - en daarmede in verband de sabotage - uit de werkzaamheden van de combinatie MVT/MID werden gelicht en dat die combinatie minus deze werkzaamheden, doorging.

Omtrent de overgang van de SOE werkzaamheden van het bureau MVT naar het BBO heeft Lieftinck medegedeeld, dat deze overgang een vloeiende is geweest. Toen de werkzaamheden van het bureau MVT op dit gebied begonnen op te houden, kwam Kas de Graaf, die met Lieftinck samen doorwerkte. Onderwijl ging Kolonel De Bruyne weg en nam Generaal-Majoor Van Oorschot diens taak over. Het bureau MVT was bezig met een aantal nieuwe operatieplannen op een nieuwe basis. Daarin kwam Kas de Graaf terecht als laatste man, die met veel gegevens uit Nederland komende, er geleidelijk aan ingegroeid is, hoewel hij in den beginne nog niet officieel aan het bureau verbonden was.

Kas de Graaf zou , aldus Lieftinck meehelpen aan het voorbereiden van het verschaffen van gegevens voor een onderneming welke het bureau MVT toen in voorbereiding had. Hij weet niet meer op welk ogenblik er gezegd is, dat Kas de Graaf de zaak moest overnemen. Deze was een uitgesproken verzetsman met ervaring als zodanig en werd dus, waar mogelijk ingeschakeld. Vroeger bepaalden de Engelsen, wie er en wie niet kennis zouden dragen van de plannen. Na het debacle van het Englandspiel (
Dit werd toch pas op 1 april 1944 bekend?) stelde het bureau MVT echter eisen en maakte het in dit geval uit, dat Kas de Graaf hen zou helpen, waar het dit nodig oordeelde.

De opdrachten, welke het bureau MVT op deze wijze aan het voorbereiden was, zijn onder auspiciën van het BBO uitgevoerd, zodat alles eigenlijk normaal voortgang vond. De eerste opdrachten, welke het BBO zelf ging maken, werden dan ook weer aan Lieftinck voorgelegd. De hele systeemverandering was er dus reeds, voordat Kas de Graaf kwam. Het bureau MVT had toen reeds besloten tot een heel andere manier van werken. Lieftinck kon dan ook bij de Engelsen in en uit lopen en te zien krijgen wat hij wilde.

In dit verband heeft Kas de Graaf verklaard, dat hij in het begin van januari 1944 te Londen aankwam. Na een kort verblijf in de Patriotic School is hij te Londen apart verhoord (
door wie?). Hij kwam daarna in contact met het bureau van Kolonel De Bruyne, waaronder het soort organisaties, waarin hij in Nederland gewerkt had, ressorteerde. Hij heeft daar toen uitgebreide gesprekken met De Bruyne, H. Lieftinck en K.H. Schilp (destijds Luitenant ter Zee) gevoerd en heeft later, toen vast kwam te staan, dat hij niet, zoals oorspronkelijk het plan was, zou teruggaan naar Nederland, toestemming gekregen om kennis te nemen van de geheimen van dat bureau. De reden, waarom hij niet naar Nederland zou teruggaan, was in de eerste plaats, dat men op het bureau van Kolonel De Bruyne iemand kon gebruiken, die iets van de toestand en van het illegale leven in Nederland afwist. (Daarnaast vertrouwden de Engelsen hem niet 100% en waren zij van mening dat hij in Nederland te bekend was geworden.)

In verband met de mededelingen van Lieftinck en Schilp, dat door hen de orders van de eerste agenten van het BBO nog zijn opgesteld heeft Kas de Graaf opgemerkt , dat deze heren inderdaad hebben gepoogd orders op te stellen voor deze eerste agenten, doch dat deze zijn geannuleerd. De eerste orders werden door Schilp opgesteld in volledig overleg met Kas de Graaf. Hij heeft ze min of meer zelf opgesteld, terwijl de technische juiste vorm daaraan door SOE werd gegeven, waarbij deze dienst werd geadviseerd door Schilp, die toen nog in functie was. Bedoelde orders zijn door volledig nieuwe vervangen, die door het BBO zelf werden opgemaakt. Deze werden geamendeerd door SOE en later wederzijds juist bevonden. De eerste agenten, die uitgezonden werden waren Celosse, Cnoops,
Biallosterski en Seyben, terwijl er ook nog een telegrafist bij was. (Dat waren Sanders, Penning en Steman.) Cnoops werd, hoewel hij reeds eerder was uitgezonden, door SOE aanbevolen voor een tweede uitzending. Deze agenten zijn gedropt in de nacht van 31 maart op 1 april 1944.

Klijzing heeft verklaard dat hij op 25 januari 1944 uit Nederland is vertrokken en op 16 maart 1944 d.a.v in Engeland is gearriveerd. In de loop van april 1944 is hij bij het BBO te Londen gekomen. Hij was daar de oudste aanwezige officier. Een van de opdrachten, welke hij uit het bezette gebied had meegekregen, was dat hij moest trachten bewapening te krijgen voor de verzetsgroepen in Nederland. Hij heeft hierover te Madrid een uitgebreid rapport geschreven, dat naar Engeland is gezonden. In Engeland heeft hij nog eens het een en ander verteld over de toestand in Nederland en over de wensen, die aldaar leefden. Naar aanleiding daarvan is hij blijkbaar, aldus Klijzing, op het BBO geplaatst. Dit bureau was toen nog in zijn beginstadium. Hij is hieraan verbonden gebleven tot ongeveer 13 april 1945, op welke datum hij een andere opdracht van de Regering kreeg, namelijk het zorgen voor de veiligheid van de leden van het Koninklijk Huis.

Over de samenwerking tussen het BBO en SOE heeft Klijzing medegedeeld, dat deze altijd zeer prettig is geweest. Er kan volgens hem gezegd worden, dat in het algemeen de positie van het BBO tegenover de Engelsen behoorlijk was. De opleiding van de agenten was echter volkomen in Engelse handen. De agenten werden ondergebracht in een huis van SOE. BBO had de bevoegdheid deze opleiding volledig te volgen, doch had daarvoor geen tijd. De opdrachten van de agenten van het BBO werden tevoren altijd besproken. De officieren van het BBO droegen hiervan volledig kennis met uitzondering misschien van een enkelonderdeel, zoals de code, welke pas op het allerlaatste moment in handen van de agentengegeven werd, voordat zij in het vliegtuig stapten. Klijzing zegt, dat er geen kritiek kan worden geoefend op het feit, dat de officieren van het BBO de code niet kenden. Wanneer de agenten uit het bezette gebied, telegrammen naar Engeland zonden,
nam het BBO hiervan kennis in gecodeerde vorm. Op de telegrammen stond aangegeven, of de security checks al dan niet aanwezig waren.

Van Eind september 1944 af werden, naar Klijzing's mededeelt, op het bureau van SOE besprekingen gehouden tussen Mr. Fock, die in die tijd belast was met de leiding van het Bureau Inlichtingen te Londen, diens tegenspeler van SIS, Seymour benevens de heren Dobson en Klijzing. Daarbij werden de binnengekomen berichten, welke betrekking hadden op de bewapening en op eventuele bombardementen gezamenlijk besproken. Wanneer er een bombardement moest plaats vinden, waarbij een bevolkingscentrum betrokken was, werd steeds nog de zienswijze van de Nederlandse Regering gevraagd.

Ook Kas de Graaf is vol lof over de wijze, waarop het BBO heeft samengewerkt met SOE. In het begin zijn er wel eens even moeilijkheden geweest. In de eerste plaats wilde het BBO zijn eigen operationele orders maken. Dat werd niet zonder meer goed gevonden. Het BBO kon ze wel in conceptvorm maken. Dat is zo gebleven. Hiervoor is hij altijd gevoelig geweest. Bovendien zijn er moeilijkheden geweest over het ontvangen van operationele annexes. De officieren van het BBO vonden, dat zij er recht op hadden die te zien, omdat ze heel belangrijk waren en die te maken op een wijze waarop ze gemaakt behoorden te worden. Nu was het Kas de Graaf niet bekend, hoe die dingen gemaakt moesten worden, maar hij had er zijn eigen ideeën over en heeft zijn eigen operationele annexes gemaakt, toen hij begon. Deze zijn echter niet zonder meer zo overgenomen, maar omgewerkt. Ze werden achtergehouden. Hij heeft daarover gesproken met de Generaal; er was verder niemand om over deze kwestie te praten. Hij heeft het nog wel weer opnieuw genoemd tegen Lieftinck en Schilp en hun gevraagd: Hebben jullie geen operationele orders gezien? Ze hebben gezegd: neen, helemaal nooit. Misschien is er een enkele uitzondering geweest. Toen is Kas de Graaf met de Engelsen gaan praten en hij heeft gezegd, dat hij er op stond de operationele orders te zien, daar er anders geen operaties meer met Nederlanders uitgevoerd zouden worden. Zonder de annexes zouden de consequenties van de operaties voor het BBO immers onoverzichtelijk zijn. Na enige heftige meningsverschillen over deze kwestie en wat moeilijkheden werd de toestemming verkregen, dat het BBO voortaan altijd het uiteindelijk exemplaar van de operational annexes zou krijgen.

Kas de Graaf gelooft, dat er overigens geen noemenswaardige punten van wrijving zijn geweest. De werkzaamheden van het BBO waren niet onverdeeld gemakkelijk te noemen, vergeleken met die van andere organisaties als in België, Frankrijk en Noorwegen. Ze werden gunstig beïnvloed door de goede samenwerking en ook goede verstandhouding tussen het Bureau Inlichtingen en het Bureau Bijzondere Opdrachten. Bijna dagelijks werd er van gedachten gewisseld en eventueel het principe van de operaties besproken. Een fusie tussen deze beide bureaus, waardoor wel eens is gesproken, was echter onmogelijk, omdat de Britse diensten gescheiden waren en niet konden samenwerken met een Nederlandse dienst, welke niet gescheiden zou zijn.  Immers dan zouden de geheimen van de dienst in het Nederlandse verband over en weer bekend zijn, terwijl men dit om veiligheidsredenen wilde voorkomen, om zodoende de gevaren zoveel mogelijk te elimineren. In dit verband heeft ook Mr. C.L.W. Fock medegedeeld, dat de verschillende diensten van van het moment af, waarop het Nederlandse grondgebied in militaire operaties werd betrokken, een dagelijkse vergadering instelden, waar de twee en de twee Nederlandse diensten bij elkaar kwamen.

Jan Somer heeft verklaard, dat de samenwerking tussen het BI en het BBO buitengewoon goed was. In de periode, waarin Somer te Eindhoven zat, had Majoor Fock practisch dagelijks contact met het BBO. De taken van BI en BBO naderden elkaar. Het accent kwam toen bij het BI niet meer zozeer te liggen op zuivere intelligence als wel op de kwestie van het verzet en de militaire eisen, die aan het verzet worden gesteld. Omgekeerd leverden de BBO agenten ook inlichtingen. Alle operaties werden gezamenlijk besproken en zo nodig gezamenlijk uitgevoerd. Het BI werkte bijvoorbeeld ook voor de staf van De Prins en voor de Binnenlandse Strijdkrachten. Majoor Van Houten en Luitenant Gijs de Jong van het BI zijn toen naar de staf van Prins Bernhard gegaan. In het begin is voor De Prins ook een radionet georganiseerd oorspronkelijk met agenten van BI en het BBO. Later is dat net overgenomen door krachten uit de ondergrondse beweging in bezet gebied en door BBO agenten.

Over de werkzaamheden van het BBO heeft Klijzing verklaard, dat in het begin uitgezonden agenten werden geparachuteerd zonder dat er een receptie-comité was. Toen de zaak eenmaal liep, is dit anders geworden, daar bij het parachuteren van sabotage-agenten ontvangst-comité's moeilijk te vermijden zijn. Er moet immers een zekere hoeveelheid materiaal gezonden worden, dat vervoerd moet worden. Wanneer dit laatste niet nodig is, voelt Klijzing meer voor het parachuteren van agenten zonder receptie-comité's, daar dit meer veiligheid biedt. Naar schatting van Klijzing zijn van maart 1944 tot 5 mei 1945 ongeveer 100 agenten uitgezonden. Hiervan is ongeveer 90% veilig in Nederland aangekomen, terwijl een aantal bij het transport is neergeschoten (
Mission Fives) Van degenen die in Nederland zijn aangekomen, is, naar indruk van Klijzing ongeveer 8% door de Duitsers gearresteerd, waarvan er twee zijn teruggekomen.

Met de agenten is, aldus Klijzing, een zeer grote hoeveelheid materiaal afgeworpen. Van hetgeen in de bergplaatsen verborgen was is weer een grote hoeveelheid in Duitse handen terecht gekomen. Het staat echter voor hem vast, dat er van de zeer grote hoeveelheid wapenen, die boven Nederland zijn neergeworpen, bij de dropping geen onderdeel in Duitse handen is gevallen. Totaal is, naar de indruk van Klijzing, ongeveer 200 maal materiaal boven Nederland afgeworpen. Het BBO heeft ongeveer 35.000 hand vuurwapens gedropt, zoals geweren, pistolen, Amerikaanse karabijnen, Bazooka's Piats, anti-tankwapens, een paar miljoen patronen en sabotage middelen. Het BBO heeft spciale droppings georganiseerd teneinde schepen in de haven van Rotterdam te laten zinken, waarmede de Duitsers van plan waren de Nieuwe Waterweg af te sluiten. Voorts speciale droppings voor het laten zinken van een enkel schip in de haven van Amsterdam, waarvoor speciale 'Limpets' nodig waren. Speciaal materiaal heeft men moeten droppen voor het in de lucht laten vliegen van spoorlijnen en verder zijn er speciale droppings geweest, geld middelen en materiaal ten behoeve van de illegale pers, maar dit heeft geen grote omvang gehad. De droppings hebben in een zeer kort tijdsbestek plaats gevonden, want het BBO kon pas droppen, toen na een paar maanden de verbindingen tot stand gekomen waren. Eigenlijk is de dienst eerst goed op toeren gekomen na juli 1944 en de droppings eerst na september 1944. (
Via Tobias Biallosterski, Bert de Goede en Jaap Beekman). Er vonden, aldus Klijzing, per nacht soms 6 tot 8 vluchten plaats; 1/3 is ongeveer geslaagd en 2/3 mislukt, hetzij omdat het ontvangstcomité niet aanwezig was, hetzij omdat de lampen niet branden, daar er Duitsers gesignaleerd waren, hetzij door slecht zicht als gevolg van weersomstandigheden. De meeste droppings kwamen niet tot stand in verband met de slechte weersomstandigheden, waardoor de betrekkelijk zwakke lichten niet konden worden waargenomen, zodat de vliegtuigen onverrichter zake moesten terugkeren.

                

                                                                     vervolg BBO