ARRESTATIES EN GEVOLGEN
Mandrill.
Grote Zomerdijk.
Wognum.
Kerkstraat.
Kerk.
Gemeentehuis Wognum.
Eddy de Roever begint zijn verhaal over de arrestaties in 'Londen roept Amsterdam' op pagina 166 in hoofdstuk 31 'De rampzalige tocht'. Maar de aanleiding begint op pagina 164: "Toch nog onverwacht kwam het bericht binnen dat er op vrijdag 2 februari een dropping plaats zou vinden op het veld MARTINI in de Wogmeerpolder. Op zaterdag 3 februari kwam echter uit Engeland een telegram met de mededeling dat volgens de piloot het Eureka baken niet had gewerkt en dat de lichten op het veld niet in orde waren, waarna hij met zijn lading weer naar Engeland was teruggevlogen".

Tobias gaf op zaterdag 3 februari aan dat vanaf veld MARTINI contact was geweest met het vliegtuig via de S-Phone. Ook vlogen alle drie de bommenwerpers over het pinpoint, maar dropten geen containers. Tobias vroeg zich terecht af wat er aan de hand was:

FROM DRAUGHTS VIA ELAN STOP MY FOUR FOUR SIX (446) STOP PLEASE TRY LALOE MARTINI AND HUDSON AGAIN FOR TONIGHT STOP LALOE REPORTED NIGHT FIGHTER MARTINI CONTACT WITH S PHONE STOP ALL THREE BOMBERS OVER PINPOINT STOP WHAT IS WRONG STOP REGION THIRTEEN ASKING EDINBURGH AND TEMPLE STOP THE BATTERIES OF BAZOOKAS ARE NOT CHARGED PLEASE CAN YOU ARRANGE DELIVERING END

Gedurende de nachtuitzendingen van van zaterdag op zondag ontvangt Tobias van SOE het volgende bericht:

TO DRAUGHTS VIA NIGHT ELAN STOP OUR THREE ONE FOUR (314) STOP PILOTS REPORTED OPERATIONS FRIDAY NIGHT SECOND FEBRUARY... (verder geen tekst zichtbaar)

Over de inhoud van het op zaterdag 3 februari ontvangen telegram valt op dit moment niet veel te zeggen omdat de tekst slechts ten dele zichtbaar is op mijn kopie.

"Tobias was woedend en gaf GUUS (Frank Hamilton), de verantwoordelijke technische man, de schuld van deze ergerlijke vertoning. Een dergelijke vertoning had zich namelijk al eerder voorgedaan op afwerpterrein MADELINE bij Mijdrecht. Na deze tweede vergeefse droppingvlucht wilde Tobias persoonlijk naar Noord-Holland om GUUS de les te lezen en erop toe te zien dat alles voor de volgende dropping in orde was. Tobias en Jard verlieten op woensdag 7 februari om drie in de middag de flat aan de Noorder Amstellaan en begaven zich op weg naar het noorden. In de voorgaande nacht had Tobias nog een telegram gedecodeerd, waarin behalve zakelijke berichten, Eva een persoonlijke notitie aan hem had laten uitzenden: "Albert Bridge, our first kiss".

Dit telegram heb ik niet, wel een uitgaand telegram van woensdag 7 februari waarin Albert Bridge genoemd wordt:

FROM DRAUGHTS VIA ELAN STOP MY FOUR FIVE EIGHT (458) STOP ON IKICH (NIGHT) FREQUENCIES AND GMT ARE SPECIAL EVENING MESSAGES STOP REF THREE ONE NINE (319) STOP MESSENGERS NAME VICTORIEN SHE IS WORKING IN MY OFFICE STOP ALBERT BRIDGE STOP

Mogelijk staat het bericht van Eva in een van de niet complete binnengekomen telegrammen.

Volgens het debriefing rapport van Jard (Gerard du Celliee-Muller) vertrokken Tobias en hij al op dinsdag 6 februari richting Spanbroek. Het weerbericht van die dag was was: maximum temperauur 7,3 graden, wind 3 Bft, uit het zuid-westen. Het weer van 7 februari: maximum temperatuur 9,4 graden, wind uit het zuid-westen, 5 Bft. Tobias en Jard hadden in ieder geval wind mee.

Verder met het verhaal van Eddy de Roever: "Twee nietige figuurtjes zwoegen op hun fietsen tegen de sterke oostenwind (?). Hier en daar was de ingevallen dooi al waarneembaar in het vuil witte ondergesneeuwde landschap. Gelukkig waren hun gedropte Engelse fietsbanden van goede kwaliteit. Dit probleem was tenminste opgelost (Eerst hadden de Engelsen de verkeerde maat banden gedropt). Tobias en Jard, de kragen opgezet en hun hoeden even boven de ogen, spieden vooruit, bedacht op mogelijke controle door de Duitsers. Tijdens het oversteken van de ponten, die vanwege het tekort aan brandstoffen als een brug achter elkaar over het IJ waren gelegd, passeerden zij zonder moeilijkheden de aldaar controlerende CCD-ambtenaren. Zij waren in het bezit van uitstekende papieren, die aantoonden dat zij als 'arts' hun visites moesten afleggen. De pistolen hadden zij in Amsterdam achtergelaten om in geval van fouillering moeilijkheden te voorkomen. Tijdens de korte rustpauzes onderweg besprak Tobias met Jard nogmaals hoe hij de moeilijkheden met GUUS zou kunnen oplossen en welke maatregelen hij moest nemen om herhaling te voorkomen (Deze informatie komt waarschijnlijk bij Madeline du Celliee-Muller vandaan. Jard was, toen het boek geschreven werd, blijkbaar al overleden). Ook wilde Tobias, omdat hij grote waarde hechtte aan de mening van Hil Schipper, deze vooraf polsen. Daarvoor moesten zij als Spanbroek was bereikt, naar De Weere, waar Hil zijn commandopost had gevestigd. Er waren trouwens nog andere onderwerpen met Hil door te nemen. Tegen negen uur (21.00 uur) bereikten zij zonder noemenswaardige belevenissen, vermoeid 'C-3', de boerderij van Jan Schipper in Spanbroek, waar Tobias en Pieter de Vos  waren gedropt (Blijkbaar konden Tobias en Jard met hun artsen Ausweis ook tijdens sperrtijd de straat op). Na een warme maaltijd en even bijpraten met de familie Schipper stapten Tobias en Jard weer op de fiets richting Hil's commandopost in De Weere. De post was gevestigd boven een manufacturenzaak en voorzien van een illegale telefoonverbinding (Driestedenweg 55, De Weere). Een medewerker van Hil, Henk Appel, was in het bezit van een sleutel die toegang verschafte tot een in de buurt gelegen PEN-huisje om daar met de verbindingen te knoeien . Tijdens het feest van Sint Maarten op 11 november 1944 was Hil van de boerderij in Spanbroek naar De Weere vertrokken om vandaar zijn werk als CAT voor de droppingsvelden te regelen. Voor belangrijke gasten was de post voorzien van enkele bedden. Tobias was daar een geziene gast die door zijn optreden bij iedereen grote indruk maakte.
Voormalige manufacturenwinkel, Driestedenweg 55, De Weere.
De Roever gaat verder: "Toen Tobias en Jard bij Hil Arriveerden, vernamen zij dat er juist die avond opnieuw zou worden geprobeerd om op MARTINI te droppen. Madeline had het door Pieter de Vos ontvangen telegram gedecodeerd en de inhoud naar Hil doorgebeld (Welk telegram is dit?)".

Hieruit blijkt dat Madeline zelfstandig kan decoderen en coderen, waarbij zij gebruikt maakt van de code van Tobias.

"Tobias, Jard en Hil begaven zich die nacht naar veld MARTINI, maar wachten tervergeefs op de komst van het vliegtuig, waarop Tobias via Madeline naar Londen het volgende berichte stuurde:

FROM DRAUGHTS VIA ELAN STOP MY FOUR FIVE NINE (459) STOP BEEN ON MARTINI LAST NIGHT NO AIRCRAFT SEEN OR HEARD STOP LALOE AIRCRAFT OVER PIN POINT EUREKA CONTACT OK BUT NO DROPPINGS STOP PLEASE DO ALL YOU CAN FOR MARTINI TONIGHT I AM STILL THERE TONIGHT STOP PLEASE ANSWER IN DAY SKED END

De volgende dag, donderdag 8 februari kwam het antwoord uit Londen:

TO DRAUGHTS VIA ELAN STOP OUR NR THREE TWO THREE (323) STOP PRELIMINARY REPORTS BY PILOTS ON WEDNESDAY NIGHTS OPERATIONS ARE AS FOLLOWS STOP HUDSON SUCCESSFUL STOP LALOE NO RECEPTION SEEN STOP MARTINI AIRCRAFT DEVELOPED ENGINE TROUBLE STOP CANNOT TRY AGAIN TODAY OWING TO WEATHER BUT WILL TRY AS FROM FRIDAY NIGHT FEBRUARY ON LALOE AND MARTINI AND LANCASTER PROVIDED HUSON LOAD OK END

Bij het gesprek tussen Tobias, Hil en GUUS fungeerde Jard als aandachtige toeschouwer, één voor één werden de technische problemen die zich bij een aantal droppings hadden voorgedaan behandeld. Hierbij bleek dat de mankementen niet geheel op de rekening van GUUS konden worden geschreven. De Eureka bakens en de S-Phones werkten op kritieke ogenblikken vaak niet geheel naar wens en meermalen heeft de piloot ondanks de perfecte grondorganisatie het veld niet kunnen vinden of zijn lading pardoes in zee gedropt. Na diverse besprekingen konden Tobias en Jard zich wat ontspannen van de dagelijkse druk in de hoofdstad. Vooral Tobias voelde zich op zijn gemak in de vertrouwde omgeving van De Weere waar hij al zoveel met Hil had bepraat. Op vrijdag 9 februari zouden zij op de boerderij aan de Zomerdijk in Spanbroek overnachten. Die avond hoorden zij dat er uit Wognum een vrachtwagen met een lading aardappelen naar Amsterdam zou vertrekken (Dit was een hulpactie van de kerk in Wognum). Zij konden meerijden. Zij zagen er namelijk nogal tegenop om de vermoeiende terugtocht door het barre weer per fiets te moeten maken. Dus aanvaarden zij het aanbod met beide handen".

Het weersvoorspelling van 10 februari luidde: maximum temperatuur 8 graden, hoeveelheid neerslag 7 mm, wind 5 Bft uit het zuid-westen, hoeveelheid zonneschijn 2,3 uur. Al met al niet zo'n hele slechte dag, maar wel een stevige wind tegen.

"Op zaterdag 10 februari 1945 na het ontbijt verscheen tegen negen uur de vrachtwagen, bestuurd door Tinus Roemer, met naast zich Jan Weel, die als voedselbegeleider fungeerde".
(De vraag is of men pas om negen uur vertrok, Cor Wijnker denkt dat het vroeger was omdat hij toen de vrachtwagen werd aangehouden net uit de kerk kwam. Interview met Cor Wijnker op 23-11-2011)
Tobias, Jard en Johan Hellema
(Waarschijnlijk heeft Tobias met Hellema gesproken over het vervoer van wapens en explosieven, dat was de taak van Hellema) stapten in de laadbak met dekzeil, waarna zij wegreden. Gaande geslagen door Jaap Schipper. In de laadbak was het volkomen donker. Even later stopte de wagen om nog twee passagiers, de artsen Jan Smoorenburg en Frederik Haverkamp, aan boord te nemen. (Waar hadden zij de nacht doorgebracht?). Na een poosje rijden voelden de passagiers in de laadbak dat de vrachtwagen snelheid minderde. Met knarsende remmen kwam het voertuig tot stilstand. Even was het rustig, toen werd het zeil met een ruk opgelicht en de geschrokken lifters werden geconfronteerd met twee Grüne Polizisten bewapend met Schmeisser machinepistolen, een landwachtofficier met een Stengun (Willem A. van der Spek?) en drie Landwachters met gewone geweren. De wagen bleek ter hoogte van het politiebureau in Wognum tot stilstand te zijn gedwongen".



Op dit punt pak ik eerst het verhaal van Cor Wijnker op. Ik heb hem geinterviewd, maar voor een niet-journallist is dat niet eenvoudig, ondanks het feit dat ik het hele gesprek heb opgenomen.

"Ik moest die ochtend van mijn moeder naar de kerk, zij was nogal gelovig en het was noveen van Maria Lichtmis.
Ik ging dus naar de kerk en mijn broer Piet ook. Na afloop van de mis liep ik naar huis en onderweg was een mannetje van een jaar of zestig  die met zijn fiets en een zak aardappels aan het modderen was. Hij probeerde op te stappen, maar met die zak aardappels ging dat niet. Ik dacht, ik help die man even en terwijl ik daar mee bezig was werd ik door een Landwacht op mijn schouder getikt en die zei: "Meelopen"! Dat mannetje moest ook mee en samen zijn wij naar het raadhuis gelopen. Daar mocht dat mannetje verder gaan, maar ik moest daar blijven staan. Even later, zeker binnen een kwartier, komt de vrachtauto van Roemer eraan en die werd ook aangehouden. Er zaten mannen achterop in de bak. De vrachtauto van Roemer werd doorzocht, de mannen bleken EHBO trommels bij zich te hebben en dat was verdacht. Wij moesten vervolgens met z'n allen het gemeentehuis in. Men had mij aangehouden omdat ik stuk verderop ten opzichte van de vrachtwagen met dat mannetje bezig was had men het idee dat ik op de uitkijk stond of er geen Moffen of Landwachters stonden, maar ik was mij van geen kwaad bewust. In het gemeentehuis zijn de ondervragingen begonnen, de Landwachters ondervroegen alle inzittende van de vrachtwagen en er was er één die pittig mishandeld werd. Hij
(dr. Frederik Haverkamp) had een tamelijk groot hoofd maar na een kwartier was dat een keer zo groot. Zij namen hem flink te grazen en hij sloeg door en vertelde dat hij bij dr. Lohman uit Obdam vandaan kwam.
Het gemeentehuis had een gang met een soort werkkamer voor het personeel en daar moest ik naar binnen, samen met nog iemand
(Jard). Wij werden bewaakt door een Landwachter die op een gegeven moment zag dat deze persoon papieren verscheurde en achter de verwarmingsradiator verstopte. In het gemeentehuis waren alleen Landwachters, er waren geen Duitsers bij. Die Landwachters waren Van der Spek en consorten. Ik was niet zo bang voor hen want zij reden hier vaak dagelijks voorbij en kwamen uit Hoorn".

Hetzelfde verhaal maar dan de versie van Eddy de Roever: "Onder geschreeuw en gedreig met wapens moesten alle inzittenden uit de wagen komen en tegen de muur van het politiebureau gaan staan, waarna zij werden gefouilleerd. Hun persoonsbewijzen kregen speciale aandacht en ook de meegenomen bagage werd nauwkeurig onderzocht. Uit die van de twee artsen kwamen twee Engelse First Aid blikken. OOk de vliegerlaarzen van Tobias ontsnapten niet aan hun aandacht. De Duitsers roken lont. Zij lieten Roemer en Weel met de vrachtauto doorrijden, maar de andere vijf werden mee genomen en in de wachtkamer van het politiebureau opgesloten. En passant sloten de Duitsers ook nog een willekeurige voorbijganger
(Cor Wijnker) in, die zich in de buurt ophield. De Landwachters namen de bewaking op zich waarna de Duitsers en de Landwachtofficier aan de verhoren begonnen. De artsen waren het eerst aan de beurt. Tegen dr. Haverkamp (dr. PETER) hadden zij sterke argwaan. Zij wilden weten waar die eerste-hulp vandaan kwamen of naar toe gingen. Machteloos moesten de anderen toekijken hoe Haverkamp werd mishandeld en in het gezicht werd geslagen. Tijdens dit verhoor zagen Tobias en Jard kans om alle compromitterende achter een verwarmingsradiator weg te werken. Zelf hadden zij niet veel papieren bij zich. Jard had wel een koffertje mee waarvan het handvat van parachutekoord gemaakt was. In het koffertje zaten een paar Engelse sokken en een Engelse staaflantaarn opgeborgen. Hellema en de artsen hadden evenwel enige belangrijke papieren bij zich. Toevallig boog de Landwachter zich over de radiator en vond alle papieren. Hellema werd door de twee Grünen zodanig mishandeld dat hij de naam prijsgaf van de dokter uit Obdam die hem aan zijn valse papieren had geholpen.
Aan Tobias en Jard werd bijna niets gevraagd. De Duitsers haalden hun zakken leeg en namen de bagage in beslag. Jard verwenste zichzelf vanwege het feit dat hij net zoals Tobias zijn pistool in Amsterdam had achtergelaten. Hoe eenvoudig zou het zijn geweest zijn om zich uit deze situatie te schieten.
Plotseling stopte het onderzoek en er ging iemand naar een ander vertrek om een auto te laten komen. Onder strenge bewaking moesten Tobias, Jard, Hellema, Smoorenburg, Haverkamp en Cor Wijnker plaats nemen in de inmiddels gearriveerde vrachtwagen. Op de klok in het politiebureau van Wognum was het twaalf uur.

De rode gevorderde vrachtwagen van de zuivelfabriek 'Aurora' reed met een grote boog naar Obdam, waar hij eerste stopte voor het huis van dr. Lohman. De arts, zijn zoon, een onderduiker en de bejaarde tuinman werden met veel getier gearresteerd, daarna ging het door naar het gemeentehuis. De Duitsers en de Landwachters dreven het gezelschap het gebouw in en sloten hen op in een kamer aan de voorkant".

Cor Wijnker heeft een iets andere zienswijze op het gebeuren: " De rode vrachtwagen van de melkfabriek werd bestuurd door Markus Brouwer en hij was bang in een hinderlaag van het verzet terecht tekomen en nam daarom de nieuwe weg via Opmeer naar Obdam. De knokploeg van Hil Schipper was al in Wognum aangekomen, maar fietste nu binnendoor naar Obdam. Toen wij in Obdam aankwamen begon men meteen te schieten, de knokploegleden zaten verscholen in huizen tegenover het gemeentehuis. De kogels vlogen ons om de oren terwijl wij van de vrachtwagen afkwamen. Wij vlogen het portiek van het gemeentehuis in waarbij een Landwachter door zijn achterwerk werd geschoten. Eenmaal binnen moesten wij naar boven naar een kamer aan de voorkant.
De groep bestond nu uit de volgende personen: Tobias, Jard, Hellema, Smoorenburg, Haverkamp, Wijnker, dr. Lohman, zijn zoon, een onbekende onderduiker en de bejaarde tuinman van Lohman.

In deze kamer gaf Tobias een seintje om de Landwachter die als bewaker bij ons was aan te pakken. Wij doken allemaal tegelijk op die Landwachter die geen tijd meer kreeg om zijn geweer te pakken. Hij werd in een hoek geslagen en wij via de trap naar beneden, de achterdeur uit en meteen het land in. Achter het gemeentehuis lag een stukje bos, dan een flinke sloot. Daar zijn wij doorheen gegaan en toen door het bouwland. Verderop stond een huis en daar stond men te wuiven om daar naar toe te komen. Het was februari, het was erg nat en daardoor ging het lopen door het bouwland erg moeilijk. Wij waren met z'n drieën, één liep een beetje mank, had een slecht been en hij bleef in de sloot zitten, maar dat had men door en hij werd opgepikt. Hierna begon het schieten. Wij gingen alle drie tegen de vlakte, één was op slag dood
(Hellema), de ander zwaar gewond (Haverkamp, long- en beenwonden) en ik was licht gewond. Ik was ook door mijn been geschoten".
Gemeentehuis
Huis familie Mulder.
Obdam huidige situatie.
Het voormalige gemeentehuis in Obdam.
Eddy de Roever: "De Grünen en de rest van de Landwachters stonden in de gang en buiten het gebouw. Blijkbaar moesten zij hier wachten totdat de overvalswagen hen naar de SD in Amsterdam zou brengen. Even later werd ook de notaris van het dorp binnengebracht.
Tobias en Jard stonden in een hoek van de kamer en wisselden een blik van verstandhouding: dit was hun laatste kans om te ontsnappen.  Met een lichte hoofdbeweging gaf Tobias op het moment dat de Landwacht uit het raam keek en even niet oplette, het sein. Hij sprong boven op de bewaker voordat die gelkuid kon geven. de man zakte in elkaar en kwam in de hoek op zijn geweer te zitten. Daar zij geen wapens hadden om de bewaker uit de weg te ruimen, gebruikten zij hun handen en voeten om de man voorgoed buiten gevecht te stellen. Onderwijl was iedereen de kamer uitgevlucht. Buiten klonken schoten. Jard riep nog naar Tobias dat ze nu weg moesten, voor het te laat zou zijn en rende de kamer uit met Tobias achter zich aan. De gang was leeg en door de open achterdeur zag Jard dat de Landwachter in de tuin stond te schieten. Hij sprong over een schutting rechts in de tuin en waadde door een sloot, waarbij de kogels rondom hem in het water ketsten. Het schieten nam toe en met grote moeite lukte het hem door allerlei tuinen en om huizenblokken heen te ontsnappen.
Tobias belandde midden tussen de schietende Landwachters en rende voor zijn leven. Met een enorme sprong kwam hij in een vijver terecht, maar het water belemmerde zijn snelheid. Toen hij zich bukte om het spervuur te ontwijken trof een Landwachter hem van voren waarbij de kogel zijn long en nieren raakte. Johan Hellema kon evenmin ontsnappen en was op slag dood toen hij in het hoofd werd getroffen. Ook de artsen Haverkamp en Smoorenburg konden niet meer wegkomen. Haverkamp kreeg long- en beenschoten en Smoorenburg raakte aan beide benen gewond en kon ook niet meer ontsnappen. Zelfs de gearresteerde voorbijganger Cor Wijnker raakte gewond door een schot in zijn dijbeen".

Cor Wijnker:" Ik kon nog wel lopen en van een Landwachter moest ik opnieuw door een sloot waaden om een schuit die aan de overkant aangemeerd lag op te halen. Vervolgens moest ik samen met die Landwachter diegene die was overleden over het land slepen en in die schuit gooien. Daarna moest ik weer naar het gemeentehuis. Na de vluchtpoging werden de twee andere gewonden ook naar het gemeentehuis teruggebracht waarbij zij meteen geboeid werden. Met z'n drieën werden wij weer achterop de vrachtwagen van de melkfabriek gezet, Tobias lag volgens mij niet op deze wagen. Ik wist niet wie er bij mij in de vrachtwagen lagen, ik kende deze mannen niet. Ik kende geen van allen. Zij waren artsen, dat vertelde één van hen mij. De vrachtwagen heeft nog een tijd op de Waardijk gestaan omdat zij bang waren daat overvallen te worden, men was daar met lampen aan het seinen. Later is men toch maar doorgereden naar Alkmaar".

Eddy de Roever: "Op het moment dat de gevangenen uit het gemeentehuis van Obdam probeerden te ontsnappen, was er al een schietpartij gaande tussen de KP van Spanbroek en de Duitsers. Toen de gevangenen met de rode vrachtwagen werden overgebracht van Wognum naar Obdam, had Hil Schipper  namelijk al van de arrestatie vernomen en gaf daarop een waarschuwing uit aan 'de jongens' van Spanbroek. Zij begaven zich onmiddellijk naar Obdam en openden het vuur op de Grünen en Landwachters, die zich moesten terugtrekken achter het gemeentehuis. Van omstanders hoorden de KP-ers dat de arrestanten al waren afgevoerd en om moeilijkheden te voorkomen braken zij het gevecht af en trokken zich terug. Dit was de directe oorzaak dat de nog aanwezige gevangenen regelrecht in het vuur van de achter het gemeentehuis opgestelde Landwachters en Duitsers liepen, met de fatale gevolgen van dien. De wonden van Tobias en Haverkamp werden provisorisch verzorgd door de zusters dominicanessen uit Obdam. De andere gevangenen belandden opnieuw in het gemeentehuis om daar later te worden opgehaald. Het stoffelijk overschot van Johan Hellema werd weinig respectvol naar een garage gesleept.
Hil Schipper wist niet wat zich bij het gemeentehuis had afgespeeld. wel had hij vernomen dat de gevangenen naar Alkmaar zouden worden afgevoerd en hij liet zich op de hoogte houden door uitkijkposten. Echter zonder resultaat. De Duitsers hadden namelijk ongezien Tobias, Haverkamp en Smoorenburg in een Rode-Kruis auto naar het Marine-Lazarett in Heiloo vervoerd. Smoorenburg en Haverkamp werden gevangen gezet. In het Marine-Lazarett kon men weinig doen voor de zwaargewonde Tobias. In besef dat zij een belangrijk figuur te pakken hadden, vervoerden de Duitsers hem op zondagochtend 11 februari naar het Wilhelminagasthuis in Amsterdam, waar hij in de Duitse afdeling werd geopereerd.

Cor Wijnker: "Wij kwamen in Alkmaar aan en dat was op de Kennermersingel daar stond een huis van de Landwacht. Daar binnen wij eerst naar binnen en hebben daar een paar uur doorgebracht. Vervolgens gingen wij naar Heiloo naar het St. Willibrord met een soort grote jeep. Ik was nat en smerig en daar heb ik een hele tijd in een kamer gezeten met een Landwacht en wat er met de twee andere gewonden gebeurde weet ik niet, ik denk niet dat zij daar verpleegd zijn. De Landwachter zag wel hoe ik er aan toe was en hij zei: "Ik zal je wat asperines geven en een schone onderbroek", mijn kleren werden over de verwarming te drogen gehangen. Deze Landwachter was een boerenzoon uit de Haarlemmermeer en ik vond hem ergens wek een sympatieke man. Van Heiloo werd ik geboeid naar Amsterdam gebracht
(de Weteringschans gevangenis) en ik zag ik beide andere gewonden weer, hier werden wij ondervraagd. Wij moesten op onze knieën zitten met onze handen omhoog, de andere twee ook, maar dat houd je niet lang vol en dan kreeg je een mep of een trap. Tijdens dit verhoor is één van de twee overleden, wat er met die ander gebeurd is weet ik niet want ik kwam in een cel terecht".

"Ik heb niet gezien dat Tobias met een ambulance naar Alkmaar is vervoerd, wij werden op die melkwagen naar Alkmaar gebracht. Ook heb ik niet gezien dat er aandacht aan de laarzen van Tobias werd besteed, hij hoefde in ieder geval zijn laarzen niet uit te trekken".

Cor besluit met: "Ik vond het erg roekeloos om met vier man op zo'n auto te zitten met van die Engelse verbandtrommels en dan overdag naar Amsterdam, terwijl er vrijwel geen auto's meer reden en zeker geen vrachtwagen, die waren allemaal gevorderd. Men heeft bewust een enorm risico genomen, terwijl dat eigelijk helemaal niet nodig was".

In Obdam werd een grote zoekactie op touw gezet en de Duitsers arresteerden alle mannen van het dorp, omdat zij ervan werden dacht aan een schietpartij te hebben deelgenomen. Er waren namelijk 20 à 30 Duitsers als versterking vanuit Alkmaar aangevoerd. Ook het huis van de familie Mulder waar Jard ondertussen binnen was gelaten werd niet overgeslagen, een Duitser trapte toen niet snel genoeg werd opengedaan de deur in en Jard kon vanuit zijn schuiplaats alles horen. De Duitsers vermoeden dat Jard zich in het kippenhok had verstopt en gooiden daar een handgranaat naar binnen. Hij zat echter in een aardappelkelder onder de vloer van de woning waar een kleed overheen lag en een bed bovenop stond. Om de druipsporen van de natte kleren van Jard weg te werken had mevrouw Mulder nog gauw de vloer helemaal gedweild. Vader Mulder werd net als de andere mannen in linie voor het gemeentehuis opgesteld met de handen omhoog. Na een paar uur werden de mannen, nadat de zoekactie niets had opgeleverd, weer vrijgelaten.
Na schone en droge kleren te hebben gekregen van de familie Mulder vertrok Jard in het donker richting Spanbroek. Hier nam hij direct contact met Hil Schipper op en deze informeerde meteen Amsterdam over de arrestatie van Tobias. Jard bleef tot 18 februari ergens in Spanbroek waar hij een nieuw persoonsbewijs kreeg op de naam van
Jard van Ginneke. Vanuit Spanbroek vertrok hij naar Amsterdam omdat de Grüne Polizei nu wist wie hij was, was zijn positie in Amsterdam onmogelijk geworden en dus vertrok hij op 12 maart richting het bevrijde Zuiden, waar hij op 14 maart aankwam.




Het hele voorval in Obdam werd ook beschreven in het boek 'De oorlog maakte alles anders' uitgegeven door de gemeente Obdam in mei 1995.

Een schietpartij bij het gemeentehuis.

West-Friesland is in de winter 1944-1945 een bruikbaar gebied voor het droppen van wapens. Droppen betekent het uit een vliegtuig laten neerkomen van materiaal. Voor deze droppingsacties vliegen regelmatig piloten uit Engeland laag boven de weilanden in de buurt van Wognum en Alkmaar. Meestal gaat het om wapens, maar ook laten de vliegtuigen af en toe kisten
(metalen containers of manden) met kleding en spullen voor de ondergrondse werkers vallen. Goede kleren en warme schoenen zijn in die koude winter erg welkom. In Spanbroek werkt een verzetsgroep samen met papierwarenfabrikant Johan Hellema uit Zaandam. Hellema had bedacht hoe je wapens kunt afvoeren in een schip met een dubbele bodem. Hij is daarom een waardevolle man voor het verzet. Om nieuwe plannen te bepraten is Hellema zaterdagmorgen 10 februari 1945 bij leider Hil Schipper van de verzetsgroep aan de Zomerdijk bij Spanbroek. Ook andere belangrijke ondergrondse kopstukken zijn die ochtend bij Schipper. De Alkmaarse chirurg Frederik Haverkamp bij voorbeeld en Tobias Biallosterski, een Amsterdamse verzetsman die een grote rol speelde als regelaar van de organisatie. Als kopstuk van de organisatie heeft Tobias een schuilnaam: om het lastiger te maken om hem op te sporen, noemt iedereen hem HANS. Als de mannen met een auto (vrachtauto) richting Amsterdam gaan, komen ze bij Wognum de Duitse politie tegen. De agenten zien dat Tobias Engelse laarzen draagt en vragen hem hoe hij daar aan komt. De Duitsers hebben natuurlijk vermoedens: zij kennen de geheimzinnige Engelse vliegtuigen boven West-Friesland en willen daar graag meer over weten. Daarom arresteren zij het groepje. Zij willen de mannen uitgebreid ondervragen. Ook de 20 jarige Wognummer Cor Wijnker wordt gearresteerd. Hij loopt toevallig in de buurt van de auto, maar de Duitsers denken dat hij voor de verzetsmensen op de uitkijk staat. "Ik zei nog dat ik er niks mee te maken had, maar ze geloofden me niet en namen me mee. En dan te bedenken dat ik net uit de kerk kwam, daar had ik nog in een gebed gevraagd of het snel vrede kon worden".


Hard verhoor.

Het verhoor in het Wognumse politiebureau gaat er hard aan toe. De Duitse agenten mogen natuurlijk niet zien dat de verzetsmensen belangrijke brieven bij zich dragen. Daarom verbrand een van de mannen gauw een formulier in zijn pijp. Dokter Haverkamp probeert nog snel papieren achter een verwarmingsradiateur te verstoppen, maar dat zien de Duitsers. Zij worden zo kwaad dat ze de arts de tanden uit zijn mond slaan en hem met zijn gezicht tegen de muur drukken. Het enige dat dokter Haverkamp loslaat is dat hij bij zijn collega dr. Lohman in Obdam is geweest.


Naar Obdam.

Dan laden de Duitsers hun arrestanten in een auto en gaan richting Obdam. Daar halen ze notaris Appel, dokter Lohman, zijn zoon en zijn tuinman Cor van 't Hof op. Samen zijn er nu twaalf arrestanten. De Duitsers willen de groep naar Alkmaar vervoeren, maar er is geen geschikte auto om het groepje uit Obdam weg te halen. Omdat een paar soldaten eerst die wagen willen ophalen, sluiten ze de gevangenen op in een kamer van het gemeentehuis. Een Landwacht, dat is een Nederlandse knecht van de Duitsers, krijgt de opdracht de groep te bewaken. Hij is in z'n eentje.
Leider Hil Schipper van de verzetsploeg aan de Zomerdijk heeft inmiddels gehoord dat zijn beste mensen gevangen zitten. Hij wil ze bevrijden en regelt daarom een paar sterke helpers. Samen stappen deze mannen op de fiets richting Obdam, onder hun jassen verstoppen zij hun waprens. Zodra zij aankomen omsingelen de verzetsmannen het gemeentehuis. Landwachters en Duitse politie merken dat ze in het nauw zitten en nemen de verzetsgroep onder vuur. Die schiet meteen terug. Het regent kogels en iedereen raakt in de war. Veel obdammers zijn bang dat er mensen worden neergeschoten die er niets mee te maken hebben. Zij roepen daarom dat het verzet beter rustig aan kan doen. Vol twijfel trekken Schipper en zijn mannen zich terug.


Vluchten.

Binnen horen de gevangenen de schoten. Zij zijn blij met de steun van hun kameraden en die hulp maakt dat zij zich sterker voelen. Tobias en een paar andere mannen durven het daarom aan om de bewaker tegen de grond te slaan. Dat geeft de anderen de kans om te vluchten. Zij denken dat de Duitsers buiten aan de voorkant van het gemeentehuis staan en daarom rennen zij naar de achterdeur. Maar daar ontdekken zij dat ze fout zitten: de soldaten houden juist de boel aan de achterkant in de gaten. De Duitsers worden woest en pakken hun geweren en schieten op de vluchtende mannen. Cor Wijnker, de jonge Wognummer die toevallig op straat was opgepakt, probeert met en groepje via het bosje aan de achterkant van het gemeentehuis te ontkomen. Hij komt niet ver. "Op een stuk hout ben ik nog over een sloot gekomen, maar daarna hebben zij mij in mijn knie geschoten. Naast mij liep meneer Hellema, die overleefde het niet". Een kogel treft Johan Hellema (45) in het achterhoofd. De Duitsers laten hem in een schuit slepen. De opnieuw gearresteerde mannen worden weer opgesloten in het gemeentehuis. Nu in een kamertje boven, andere vluchtelingen weten weg te komen.


Onder het raamkozijn.

De dertien kinderen van aannemer Mulder luisteren gespannen naar alle schoten. Het gezin woont in het huis op de hoek van de Burgemesster Dekkerweg en de Kerkweg, waar de kogels tegen de gevel ketsen."Om alles goed te kunnen zien, wilden we steeds met onze neuzen voor het raam staan, maar moeder was bang dat dit gevaarlijk was. Van haar moesten we daarom gehurkt onder het raamkozijn blijven zitten", vertelt Nic Mulder. Hij was twaalf jaar toen het gebeurde. Zij mochten niet kijken, maar toch konden de Muldertjes de strijd goed volgen. Zij hoorden hoe de Duitsers jacht maakten op de verzetsstrijders die weg wisten te komen. En hoe de Duitsers schreeuwden rond het kippenhok van dr. Lohman. De Duitsers dachten dat een van de gevluchten zich daarin heeft verstopt. Zoeken doen ze niet: met een handgranaat komt het hok tot ontploffing, er zat niemand in. Nic Mulder: "We zagen een paar van die verzetsjongens in de richting van de volkstuintjes bij de dijk vluchten. Een paar werden neergeschoten, een derde kreeg de kogel in zijn been en gaf zich over. Opeens stond er bij ons ook een knaap voor de deur. Drijfnat was ie, want hij was dwars door de sloot weggerend. "Help me", riep hij.


Glas kapot.

Moeder Mulder bedenkt zich geen moment en haalt de vluchteling binnen. "Eerst verstopt zij hem in de kelder, Later wees zij hem een schuilplaats onder de vloer in de slaapkamer aan. Precies onder het bed, op een plek waar we de aardappels bewaarden. Hij trok nog gauw een pak van mijn vader aan om van het spoor van nattigheid af te komen". De laatste druppels slootwater zijn nog maar net opgedweild of de Duitsers stormen het huis van Mulder binnen. "Zij sloegen het glas van de voordeur kapot en stonden meteen in de slaapkamer waar die jongen onder de vloer lag. Met z'n allen keken we hoe de Duitsers daar aan het zoeken waren, maar aan de vloer dachten zij niet. Natuurlijk zeiden wij geen woord, dat had moeder nog gauw gezegd: "Jullie houden je mond, jullie doen alsof jullie van niks weten". De zoektocht van de Duitsersgaat nog even door, maar zij kunnen de vluchtelingen niet vinden. Uit kwaadheid halen zij alle mannen uit de buurt uit hun huizen. Zij moeten op een rij voor het gemeentehuis gaan staan en dreigend lopen de Duitsers daar men hun wapens heen en weer. Zij roepen dat de Obdammers moeten zeggen waarde andere vluchtelingen zijn. Maar een antwoord blijft uit, niemand weet het, behalve dertien kleine Muldertjes, maar die liggen thuis onder de vensterbank. Als de Duitsers begrijpen dat hun dreigementen niets helpen, laten zij de mannen gaan. De vluchteling maakt van de terugkerende rust gebruik door via een raam de schuur in te glippen. Op de zolder rolt hij zich in een rietmat om in de loop van de nacht weer naar zijn makkers aan de Zomerdijk te gaan.


Zwaargewond.

De vluchteling die zich onder de vloer bij Mulder schuil hield, was één van de weinigen die het vuurgevecht in het hart van Obdam heeft overleeft. Ook dokter Lohman en notaris Appel komen goed uit de strijd tevoorschijn. Zij hadden zich in de woning achter het raadhuis verstopt en komen pas weer naar buiten als het rustig is.
Dokter Haverkamp en Tobias Biallosterski raken zwaar gewond. De zusters Dominicatessen verlenen eerste hulp, maar hun verwondingen blijken zo zwaar dat Biallosterski later in de strafgevangenis in Scheveningen overlijdt. Dokter Haverkamp wordt in april bij een vergeldingsactie in Limmen doodgeschoten.
Wognummer Cor Wijnker komt via Alkmaar in de gevangenis aan de Amsterdamse Weteringschans terecht. "De verhoren daar waren hard, zij lieten ons heel lang staan met de handen in de lucht en als je dan viel kreeg je een opdonder. Ik was daarom blij dat ik van niets wist van het verzetswerk van de anderen, dan kon ik ook niets verraden". Zijn gevangenschap duurde een week. "De NSB-burgemeester van Wognum stuurde een brief naar de Duitsers. Daarin schreef hij dat mijn vader was overleden en dat ik de kost moest verdienen voor mijn acht jongere broers en zusters. Daarna kwam ik vrij". En die schotwond? "Dat is later allemaal goed gekomen".
De zondag na de schietpartij stuurt de leiding van de verzetsgroep de 17-jarige Afra Schipper uit Spanbroek naar Obdam. Zij moet zeggen wie de man is die bij de actie om het leven is gekomen. Het lichaam is opgebaard in Garage Bijvoet. Daar herkent zij Hellema alleen nog aan zijn kleren. Op dezelfde zondag tellen de kinderen Mulder de kogelgaten in de muur van hun huis, het zijn er 23!


Uniform.

Na de bevrijding staat de vluchteling die zich onder hun vloer had verstopt zomaar een keer opnieuw voor de deur bij Mulder. In een uniform met sterren en strepen. Hij vertelt dat hij Jard du Celliee-Muller heet en dat hij in Amsterdam woont. Het gezin Mulder wordt uitvoerig bedankt voor het onderdak dat hij tijdens zijn vlucht kreeg. "U heeft een enorm risico genomen", zegt hij. "Vooral met al die kinderen in huis". Uit zijn verhaalt blijkt dat hij tien dagen na de ontsnapping uit Obdam naar Engeland is gevlucht. Om zijn dankbaarheid te laten zien nodigt de Amsterdammer het gezin mulder uit een dagje naar de hoofdstad te komen. Nic Mulder vertelt dat zij daar een prachtig uitstapje hebben gehad. "Toen alles achter de rug was, is Jard naar Amerika gegaan waar hij een constructiebedrijf heeft opgezet, maar hij is ons nooit vergeten, een paar keer kwam hij opnieuw in Obdam kijken en ieder jaar kreeg onze familie een Kerstkaart van hem".
Vorig jaar overleed Jard du Celliee-Muller in zijn huis in Californië, in vrijheid. Zijn weduwe heeft nog een beeldje dat haar man ooit meenam uit Nederland, een beeldje van het gemeenthuis van Obdam.

Op 10 februari 1995 rijdt Cor Wijnker uit zijn woonplaats Wognum naar Obdam, zijn zoon gaat mee en achter in de auto ligt een bos bloemen. Omdat het vijftig jaar geleden is dat zij samen ontsnapten, left hij het boeket op het monument dat herinnert aan Hellema. Het regent en waait, "Op zo'n moment sta je erbij stil dat je waarschijnlijk als enige nog leeft van al die mensen die er toen bij waren. De wind zal wel gauw vat op die bloemen hebben gekregen. Die zullen wel vlot verdwenen zijn. Maar zo'n herinnering, die verdwijnt nooit uit je gedachten".


Er zijn dus meedere versies in omloop over het gebeuren op de 10de februari 1945. Zeer waarschijnlijk zijn de versies van Jard du Celliee-Muller en Cor Wijnker het meest betrouwbaar, maar ook de aanvullingen van de familie Mulder waren erg welkom.

Met de beide artsen Smoorenburg en Haverkamp is het niet goed afgelopen, beiden werden samen met de heer Pommerel uit Hoorn op 6 april 1945 op de hofstede van Nic. Adrichem te Limmen gefusilleerd als represaille voor het neerschieten van een Duitse soldaat in Limmen. Pommerel zorgde ook voor illegale PEN telefoonverbindingen voor het verzet. Zijn nummer kwam voor op een lijst met illegale telefoonnummers die in het gemeentehuis in Wognum gevonden werd. Deze lijst maakte deel uit van van de papieren die men na gearresteerd te zijn weg wilde werken. Hij werd werd op 13 of 14 februari in Hoorn gearresteerd.
De overige slachtoffers van deze moord partij waren: Johannes Pieter Coté, Michiel van Marle, Pieter Gerardus Koning, Stephanus Martinus Middelhoff, Adrianus Johannes de Rooij, Hendrik Heerschop en Nicolaas Godijn. Opgemerkt dient te worden dat Frederik Haverkamp waarschijnlijk liggend op een brancard werd doodgeschoten. Hoe laf kan een mens zijn.


Verder met Tobias Biallosterski: via het Marine Lazarett in Heiloo, waar men weinig voor hem kon doen kwam Tobias op zondag 11 februari terecht in de Duitse afdeling van het Wilhelminagasthuis in Amsterdam. Hier werd hij aan zijn verwondingen geopereerd. De SiPo in Amsterdam heeft waarschijnlijk het SD hoofdkwartier in Den Haag op de hoogte gesteld dat men een grote vis te pakken had. Otto Haubrok kreeg de opdracht om Tobias over te brengen naar een Lazarett in Scheveningen.

Dit is zijn eigen verklaring: "Als ich "Hans" etwa im Februar 1945 auf einer Autofahrt (Lastauto) mit einingen seiner Mitarbeiter von Noordholland über Alkmaar nach Amsterdam befand, wurde der Wagen durch die Landwacht in der Umgebung von Alkmaar angehalten und durchsucht. Man fand bei einigen dieser Verdächtigenbelastende papiere und stellte fest dass sie zum Teil falsche Personsbewijse bei sich führten. "Hans" wurde mit seinen Begleitern in ein Rathaus gebracht wo er durch Leuten der Landwacht bewacht wurde. Das "Gros" der Landwächter machte in der Umgebung dieses mir unbekanntes Ortes bei Alkmaar anhand weitere Durchsuchungen und Festnahmen. Während der Gefangenhaltung im Rathaus machte "Hans" einen Ausbruchversuch, indem er die Wache anfielt. Es konnten auch einer oder mehrere der Festgenommenen fliehen. "Hans" selbst wurde durch einen schweren Lungenschuss verletzt und blieb liegen. Der Schuss muss ihn in gebückter Stellung getroffen haben, der der Einschuss befand sich vorn in der Brusthart an der linken Achselhöhle - hatte nach schräg unten beiden Lungen durchgeschlagen -und der Ausschuss im Rücken rechts etwa in Höhe des Bauchnabels. Schussöffnungen waren verhältmässig gross. Nach einem grossen Blutverlust wurde der Agent einem Hospital oder einem Arzt an Ort und Stelle zugefuehrt und zwar durch die Landwacht. Nach Einschaltung der SIPO-Amsterdam wurde der Verletzte dem Luftwaffelazarett in Amsterdam zugeführt wo er operiert wurde. Erst von dort bekam ich von dem Vorfall Kenntnis und erhielt den Auftrag "Hans" dort abzuholen und in ein Lazarett in Scheveningen zu bringen. Ich begab mich darauf mit einem kleinen 4 sitzer PKW nach Amsterdam. Ich wusste bis dahin von der Schwere der verletzung nichts. Der Chefarzt des Lazarettes sagte mir, dass der Verletzte allein in einem Krankenwagen transportiert werden könne. Er betonte dabei, dass unmittelbar nach der Operation -also im diesen tagen- der Transport am geeignetesten sei, jedenfalls geigneter als in einigen Tagen, wenn die Reaktion eintreten würde".

Volgens Haubrok wist hij op het moment dat hij naar Amsterdam reed in een vier persoons personenwagen niet hoe zwaar Tobias gewond was. De chef-arts van het Wilhelminagasthuis gaf aan dat Tobias alleen in een ambulance vervoerd mocht worden en dat moest zo snel mogelijk na de operatie plaats vinden voordat er een medische reactie op zouden treden.

Ondertussen had er nog een arrestatie plaatsgevonden: Gerda Meijer werd in het kantoor aan de Noorder Amstellaan 37 op maandag 12 februari gearresteerd. Haar verhaal begint echter met het vertrek van Tobias en Jard, dit stuk is direct na de oorlog door Gerda geschreven in Engeland tijdens haar debriefing:

"Hans
(Tobias) left together with Jard (du Celliee-Muller) on Wednesday February 7th at about three o'clock in the afternoon and arrived in Spanbroek in the evening, from wgere he went on to Martini (droppingveld). That night there was no drop. The drop which had been announced for Friday night did not take place either, so Hans decided to return home on Saturday, He had inspected the use of Eureka and S-Phone and couldn't wait any longer. He rang us up on Saturday morning, February 10th and said that we could expect him at about 12 o'clock. They were returning by car. However, they did not arrive and at about 8  o'clock in the evening Hil (Schipper) rang up to tell us that the car in which Hans and Jard were travelling had been stopped on the way and that they had been arrested by the Landwacht together with two other passengers in the car. They were being held at the townhall in Wognum. No further details were known as yet but Hil said he would keep us informed. Meanwhile we alerted Dr. X (Henk Veeneklaas) and the operators (Pieter & Paul) and we began to clear out the house (Noorder Amstellaan 37), first removing all incriminating material. On Saturday evening February 10th - the same day as Hans' arrest- Jard telephoned us. He had managed to escape and had arrived safely at Hil's house. He told us that there had been some shooting during the attempt to escape and that Hans had probably been wounded. This information proved to be correct. We heard about it the following day, Sunday February 11th.
We also got the word that he was supposedly in the 'Westergasthuis' in Amsterdam. Wecould do nothing but wait. Quite naturally we had placed ourselves under the guidance of Dr. X who told us to do nothing and await further orders. At that moment we knew nothing about his plans. Afterwards it became clear that he had made an effort to free Hans, which could possibly have succeeded, but for the well meant, but absolutely mistaken attitude of Carels which made succes impossible. Carels heard all the conversations which took place via his telephone exchange, and felt that he too should do his bit to help liberate Hans.
Wat bedoelt zij hiermee?

We succeeded in getting the house 'clean'. The telephone was disconnected that same afternoon so that there was nothing left to prove that any illegal activity had been going on in the house. Laloe went
to het own rooms, the address of which was unknown to Hans and Jard. Madeline and I went to Madeline's parents, Dr. and Mrs. Ide.
Douwe (Paul Peters) had often transmitted from Jard's parents house, the address of which was on his identity card - 5 Nicolaas Maesstraat. The house was near the German 'Ortskommandantur' and that was why Jard's parents had left it. However, there was some technical stuff of Douwe hidden away there. He told his courier (Anita) to clean it out, which she did, but unfortnunately it was not done completely. When the Germans searched the house on Monday February 12th, they found some old telegrams and other papers, as well as an uccumulator and some less important technical material (a morse key).

On Monday February 12th Madeline and I decided to move to other addresses and live apart. We both found something, but Madeline would have to bring her own blankets. So I decided to go and fetch them from the house on the Noorder Amstellaan, which was of course very stupid of me. I went there the same afternoon at about 15.30 uur. I had locked my bicycle and stood it against the house outside with the key in my handbag. Just as I went in, there was a knock on the door. I looked through a small window and saw a child standing outside the door, who often came to get some food from us. I asked the boy for his address - perhaps I would be able to take some food over there later - and while I was talking to him, there was another knock on the door and I opened the door and a man was standing outside. I thought it was somebody else asking for food and I opened the door. The man at once put his foot between the door and the treshold, strode in and asked: "Is this Hans' office?" He was immediately followed by two men who must have been standing behind the wall. They walked in, pistols in hand, and demanded: "How many people are there in the house?" I was there alone with the boy and we both had to go stand in the room, after which they searched us. They found nothing in my pockets or in my handbag. Nor did their search of the house bring any results.

They showed me a letter, which I recognized at once as having been written by Hans, although the writting was very irregular. Hans wrote that he had been wounded and was in the 'Westergasthuis' and one of us to come and see him. Although I recognized Hans' handwritting, I pretended I did not and said that I had never heard of Hans, and that there must be a mistake somewhere. Of course they did not believe me and I had to tell them what I was doing in the house, who I was, etc, etc.
To understand the situation, the following must be explained: The house at the 37 Noorder Amstellaan had been rented from Mrs. Schotte, an elderly lady who lived there alone. Since October 1944 nearly all gas and electricitu supplies in Amsterdam were out or cut off, and this lady could not stay in het house alone and went to live with her daughter. The house which was completely furnished, was rented to us. Mrs. Schotte knew something of our illegal activities, but she did not know what kind of work it was (After I was arrested the Germans took everything out of the house) I told the man who interrogated me that I was an acquaintance of Mrs. Schotte and had come to fetch some blankets for her. They did not believe me and went on asking and searching the house, but when they found nothing, they took me over to 125 Apollollaan, the SD headquarters, where they had moved after the bombardment at the Euterpestraat.
I was seached by women but they found nothing. Then they tried to find out who I was. My papers were in the name of
C.M. Egink, my address was 28 Zomerdijkstraat (the address of Madeline's father). The papers were inspected and to my great relief they were found to be alright. Actually they were false, but the SD never found out. After that they began to interrogate me. Four officers were present in addition to the Dutchman who had arrested me, and whose name I do not know. (Wie was dit?) I knew the officers' names: Ruhl and Visbahn (Viebahn). I did not hear any other names. The interrogation began at about 17.00 hrs and lasted with breaks in between until about 22.00 hrs. I had to tell them everything about myself. The main point which they questioned me about was my insistence that I did not know Hans. They could conclude from this that I had nothing whatsoever to do with the whole affair. It was easy for me to deny everything as they had found nothing on me or in the house. To convince himself that he was not mistaken, one officer took my identitycard to the hospital where Hans was lying and returned with two pieces of information, both of which were very distressing for me. In the first place he no longer addressed me as 'Egink' but as 'Fraulein Gerda'. This was the name by which Hans knew me
"Am folgenden Tage erschien ich mit einem "Sanka" der Ordnungspolizie in Den Haag. Zum Schutz hatte ich um eine Begleitung von 2 Polizeibeambten gebeten. Da aber in einem Santtätwagen keine bewaffneten Soldaten fahren dürfen, gab man mir einen besonderen Wagen mit. Da nur ein Mannschaftswagen zur Verfuegung stand der Benzin verbrauch derselbe verstärkte man gleichzeitig die Polizisten von 2 auf 5 Mann mit einem leichten M.G. Dieses war, wie ich einige Tage später feststellte, mein Glück gewesen. Der LKP in Amsterdam hatte von England den Auftrag bekommen, unter allen Umständen und Aufwendung von Waffengewalt, diesen Transport zu verhindern. Irgendeine niederländische Schwester des Lazarettes hatte anscheinend alles an die "Illegalen" durchgegeben. Diese wartete mich in einem Wagen auf der offenen Strecke zwischen Amsterdam und Den Haag auf, um einen Befreiungsüberfall durchzuführen. Sie wagten sich aber an unseren starkbeschützten Wagen nicht heran. Auch am Tage vorher, als ich gar keine Begleitung hatte, wat bereits dieser Überfall vorbereitet gewesen. Dazu sass ich vorn im Krankenwagen, musste aber meine Pistole auf Anordnung des Wagenleiters an den hinteren Wagen abgeben, weil es wie gesagt verboten war Waffen in diesem Wagen zu tragen. Ich hätte mich ohne Begleitung nicht einmal verteidigen können. Und das Resultet des Überfalles hatte man -ohne ausreichenden Begeleitschutz- an zehn Fingern abzählen können. So kam ich unversehrt mit "Hans" in Scheveningen an, aber dort ergaben sich die Schwierigkeiten dass das Lazarett (Bronovo) ihn nicht aufnahm, weil er nicht als "Soldat" anerkannt wurde".

Haubrok keerde zeer waarschijnlijk op dinsdag 13 februari 1945 terug naar Amsterdam met een ambulance en een auto ter begeleiding mee waarop een licht machine geweer gemonteerd was. Deze auto was bemand met 5 Grüne politiemannen. Haubrok reed zelf in de ambulance mee, maar moest daardoor zijn pistool afgeven aan iemand die in de begeleidende auto meereed. Volgens Haubrok had de KP vanuit Engeland de opdracht gekregen om met alle beschikbare middelen te proberen om Tobias te bevrijden. In het militaire hospital in Scheveningen wilde men hem niet opnemen omdat Tobias niet als militair werd erkent.


"Auf Anordnung wurde er (Tobias) nun im Krankenzimmer des Polizie Gefängniesses Scheveningen untergebracht. Hier war es ihm zu einsam, weil weitere Kranke nicht vorhanden waren, darum legte ich ihn in eine der "Bewacherzimmer". Die Pflege übernahmen die beiden Para-Agenten Visser und Van Duin, die gleichzeitig ihre Betten mit in diesem Raum aufstellten. Ich rief das Niederl. Rote Kreuz -Frau Van Overeem- an und erklärte ihr den Fall. Diese kam under überzeugte sich von dem Zustand des Verletzten und sorgte dann für: weisse Bettwassche, gute Unterwäsche, Büchsenmilch, eingewechte Früchte, Butter, Keks, Zucker und alles was eine schwerkranker zur Genesung in reichlichem Masse benötigt.  Also mangelte in punkto Genesung an Nährmitteln nichts.
De Zustand der Kranker war allgemein schlecht, doch hatte er anfangs auch verhältnismaessig gute Stunden. Aber zu einem Verhör reichte der Zustand noch nicht aus, darum wurde dieses Thema auch gar nicht berührt. Auch liess ich dem Kranken nicht wissen dass bekannt war dass er Jude war. Weil er sich dann vielleicht besondere Gedanken gemacht haben würde. Dieser punkt machte ihn auch zeitweise so mutlos. Der Verletzte wurde um nichts unversucht zu lassen, durch 3-4 Ärzte laufend behandelt, die ihn auch täglich aufsuchten. Diese Ärzte waren:

1) Dr. -X- der Deutsche Ordnungspolizei Den Haag
2) Oberstabsarzt Dr. -X- Lazarett Den Haag
3) Niederl. Gefängnisarzt Dr. Westenterp od. ähl.
4) Häftling d. Gefängnisses Dr. -X- ein ca. 65 jähriger prakt. Arzt.
5) Zahnarzt Dr. Jens aus Wassenaar, der sich auch als Gefangener im Gefängnis gefand.
    Gleichzeitig befand sich dort der
6) Niederl. Sanitäter-Bewacher -X- der seitens der Niederl. Justiz im deutschen Polizeigefaengnis Dienst
    verrichtete.

Die prakt. Ärzte 1-3 berieten gegenseitig und kamen so gut wie täglich. In dringenden Fälle, wenn sich der Verletzte plötzlich ueber Besonderheiten äusserte, wurden die unter 4-6 genannten herbeigeholt, bis ein deutscher Arzt - entweder der Polizei-oder Wehrmachtsarzt zur Stelle waren, Über die Behandlung können, die genannten 3-6 auskunft geben.
Es stellte sich bei dem Verletzten nach einigen Tage heraus, dass sich das angesammelte Blut der Lungen auf die Luftwege legte und er unter grosser Atemnot zu leiden hatte. Dann musste der deutsche Arzt kommen und ihm aus dem Rücken Blut abzapfen, es war dickes geronnenes Blut. Nach dieser Zapfung fühlte sich der Kranke dann immer wohler. Er fühlte aber selbst dass dieses kein Dauerzustand sein konnte und war mutlos und behauptete immer dass er nicht durchkommen würde. Die Ärzte bestätigten mir dasselbe und sagten, wenn das Blut nicht setzen würde, er eines Tages an Schwächung sterben würde. Eine Bluttransfusion hatte nach einstimmigen Erwägungen der Ärzte erst dann Zweck und Erfolg, wenn die Lungen das Blut auch halten würden. Denn je mehr Blut sich in der Lungen befand, je mehr gerann und je grosser wurde die Atemnot".

Tobias werd nu opgenomen in de ziekenboeg van de gevangenis in Scheveningen, maar hij voelde zich daar zo eenzaam want er waren geen andere zieken. Daarom werd er voor hem een bed geplaatst in de kamer van de bewaking en de gearresteerde agenten Arie van Duin
(BBO) en Tony Visser (BI) mochten hun bedden hier ook neerzetten om bij hem te zijn en om hem te verzorgen. Haubrok nam contact op met de Nederlanse vertegenwoordigster van het Rode Kruis, mevrouw van Overeem en legde haar de situatie uit. Zij kwam meteen kijken en zorgde meteen voor allerlei zaken die een zwaar gewonde om te herstellen nodig heeft.

Over het algemeen was de toestand van Tobias slecht, in het begin had hij nog goede perioden, maar Haubrok achtte Tobias niet in staat verhoord te worden en dus liet hij dit achterwege. Hij vertelde Tobias ook niet dat hij wist dat Tobias een Jood was omdat Tobias de moed dan misschien helemaal op zou geven.
(Dit is echter niet juist, de vader van Tobias was Joods, maar zijn moeder niet en volgens de Duitse rassenwetten was Tobias daarom ook geen Jood.)

Tobias werd dagelijk door een aantal doktoren onderzocht en in de gaten gehouden. Na enige dagen kreeg Tobias steeds meer moeite met ademhalen en hierdoor moest de Duitse arts komen om bloed af te tappen, het was dik geronnen bloed. Na deze behandeling voelde Tobias zich over het algemeen beter, maar hij wist ook dat deze toestand niet te lang moest duren. De longbloedingen moesten tot stilstand gebracht worden want hij werd steeds zwakker. Een bloedtransfusie had volgens alle betrokken artsen geen zin zolang de bloedingen niet ophielden want hoe meer bloed Tobias in zijn longen kreeg hoe groter zijn ademnood werd.




"Nach etwa 8-10 Tagen erhielt ich abends spät plötzlich einen Anruf aus dem Gefängnis mit der Mitteilung dass der Agent einen Krampfartigen Anfall oder einen Blutsturz habe und verstorben sei. Zugegen waren in diesem Augenblick, die beide ihn pflegenden Agenten Visser und Van Duin und der Häftling Dr. med. -X- und Häftling Zahnarzt Dr. Jens.
Nachdem die Toderursache ärztlich bescheinigt worden war, wurde die Leiche zur Bestattung freigegeben. Ich vermute dass die Beerdigung durch das Begräbnisunternehmen "Innimee" Den Haag vorgenommen wurde. So war es jedenfalls durch mich in die Wege geleitet worden, es ergaben sich jedoch Schwierigkeiten, weil das Institut über keine Särge verfügte. Darum ist es nicht ausgeschlossen, dass die Leiche durch Gefangene oder durch Leute von "Innimee" in den Duinen in Scheveningen ohne Sarg beigesetzt worden ist. Nachfrage bei "Innimee"würden auf jeden Fall Klarheit bringen.
Der Para-Agent "Hans" Biallosterski ist verstorben ohne durch mich verhört zu werden, weil er nach meiner Ansicht nicht vernehmungsfaehig war"
.

Na zo'n 8 tot 10 dagen (21 februari - 23 februari) werd Haubrok 's avonds laat plotseling opgebeld vanuit de gevangenis met de mededeling dat Tobias stuip aanval of een inwendige bloeding had gehad en was overleden. Op dat moment waren de gevangene Dr.-X-, Dr. Jens en de agenten Visser en Van Duin bij hem. Nadat de doodsoorzaak vastgesteld was werd het lijk vrijgegeven om begraven te worden. Haubrok vermoedt dat de begrafenis onderneming 'Innimee' uit Den Haag hiervoor de opdracht kreeg, dit had hij tenminste voorgesteld. Maar er was een probleem, 'Innimee' beschikte niet over lijkkisten. Daarom lijkt het Haubrok niet uitgesloten dat Tobias of door medewerkers van de gevangenis, of door medewerkers van 'Innimee' zonder te zijn gekist in de duinen is begraven. Volgens Haubrok weet 'Innimee' hier het fijne van.

(Ik heb verscheidene keren getracht met de begrafenis onderneming 'Innimee' in contact te komen, maar ik heb nooit iets van hen vernomen, deze firma bestaat namelijk nog steeds.)

Haubrok: "De parachutist-agent "Hans" Biallosterski is overleden zonder door mij verhoord te zijn, omdat hij naar mijn mening niet in staat was verhoord te worden".
I was able to conclude from this that Hans had told them that they got hold of the right person. The second fact was that they showed me another letter from Hans, which he had apparently just written and which was addressed to me. He wrote: "Gerda, can you see to it that the following telegram is sent to England?". There followed a long telegram in English, in which Hans wrote that he had been wounded and was now in the Westergasthuis, and asked if there would be a possiblity of a prisoner-of-war exchange. They handed me the letter to read but I told them that I did not know English and could not read it. They then had the letter translated for me. To make things worse, the Dutchman suddenly appeared with the tyres of my bicycle, two new English tyres and two inner tubes. I told them that I had bought them on the black market. At 21.30 hrs. Ruhl told me that the other girls had also been arrested and had already confessed, so that it would be best for me to confess too. Although I did not beleive his tale, it began to be impossible for me to deny everything and after Ruhl gave me some time to think things over in a dark cellar, I confessed that I had been Hans' courier. I had to face the following facts:

1. Hans had stated that he was an agent from England, as I gathered immediately after my
     arrest.

2. He had also said that he had one operator and three couriers, of whom I was one.

These were the facts the SD knew at that moment. And in addition there was the English telegram. I did not know if Hans had written this voluntarily or under duress. But there it was and the SD knew that I could contact the operator
(Pieter de Vos). They knew of the existence of only one operator and kew no names, either of the operator, or of the girls. Before I was taken away, Ruhl announced that I was to be taken over to Hans that same night. So everything looked rather hopeless. I did not quite understand what Hans' intentions were,but I was glad to go to him. Maybe I would understand more of the situation after I had seen him.

After I had confessed the Germans became very friendly. They offered me cigarettes and when I refused they asked me if I was afraid that they might be poisoned. I should not believe all the talk about them, they said. They were not so bad
(remember the Rustenburg affair!). But first I would have to tell them were Hans' papers were. I told them I had burned everything immediately after I had received word of Hans' arrest. Fornunately they believed this. At about 23.00 hrs I was brought over to the Westergasthuis accompanied by two officers and a guard of ten men. This heavy guard was because they seemed to fear an attack by the KP (which I gathered from their conversation). After we arrived at the hospital, Hans was first interrogated alone. Later on I understood what this was about. Before I was allowed to see him I had to promise two things:

1. That we would not speak English together.
2. That I would not tell him that the papers had been burnt.

I promised this and was admitted. He was lying in the German part of the hospital, alone in a room, with two guards outside the door. I got the impression that he was in a pretty bad state. His jaw drooped to the right, because he had been hit while being interrogated in Wognum. He lay flat on his back and looked very pale. He had probably been operated on that day. He had been shot once and the bullet had gone right through his body and had damaged one lung. At first all four of us had to pick our words carefully as neither the SD officers, nor Hans or myself knew how to begin. Finally I started to ask Hans why he had written that second letter and had requested me to send a telegram. He surely knew, didn't he, that I did not know a single address of the operator. This was a painful moment, Hans then said he would like to have the telegram sent and that I ought to be able to contact the operator some way, by telephone or via a cut-out address (someone who was known and trusted, but not in any way involved with the work). He also acknowledged my declaration that I did not know any address of the operator.
The SD then proposed the following: I would be allowed to sit alone in a room and make a connection by telephone with the operator. This was to take place at the Apollolaan
(SD HQ). First, though, the officers had to give their approval for this plan, then they asked us what we thought of it. I said immediately that I agreed, for although I knew that they would be able to follow the conversation without being present, I intended to ring someone, if I had the chance, who had nothing to do with the whole business, but who would nevertheless be able to warn the others. How I was to do this, I did not quite know yet, but I had the whole night in front of me to think it over, as the SD had said that it was to take place on the following morning (February 13th). This was the most important thing we spoke about there.
After the conversation with Hans I was taken to the prison on the Amstelveenseweg. I expected to be put on trial the next morning, but nothing happened. I stayed there for eight days in so-called 'Einzelhaft' and was taken to Scheveningen. I was put under the supervision of the head of the espionage-department, Francke
(Friedrich Frank) and my Sachbearbeiter was Otto Haubrok". This man had worked during the whole period of the occupation in Holland and had been occupied with English agents and everything in connection with them.


Ondertussen gaat het verhaal van Otto Haubrok verder:
Gerda Meijer zat nog steeds in een cel in het 'Oranje Hotel' en zij schrijft hier het volgende over:

"On Wednesday February 21st I was interrrogated by Haubrok for the first time. He began bu showing me a letter written by 'Nol'
(Arie van Duin) at the instigation of Hans and signed by the latter. Haubrok told me first of all that Hans was in Scheveningen and that 'Nol' and 'Tony', two agents, who had been dropped, and were aloso arrested and taken to Scheveningen, were taking care of him.
In the letter addressed to me, Hans asked if I would see to it that he got some food and toilet-articles. I then asked Haubrok what the meaning of all this was, for it was rather difficult for me to attend to all from my cell. Haubrok then told me his plans. He told me that Hans had been brought to Scheveningen five days earlier and that Haubrok had spoken to him quite a lot. They had come to the conclusion that it would be better in all respects, if the two operators, Douwe and Bram, whom he actually mentioned by name
(!) would agree to have themselves made prisoners-of-war. (This would mean that Tobias was brought over to Scheveningen on February 16th and he gave away the fact that he had two operators.)

He thought that I would certainly be willing to cooperate on this. I would also have to reveal the technical material. I I would agree to these demands, no more people would be arrested. They would no longer look for the two girls and he would release me.

Haubrok told me he would accompany me to Amsterdam to carry out his plans, so that I would be able to attend to these various matters. Of course this liberty would only be granted after a male prisoner would agreen to 'stand bail' for me. In order to convince me that I would be rendering humanity a great service, he told me that the agents, once they were in Scheveningen, were so relieved to be out of the 'illegal world' at last, because it was such an awful mess there, that they unanimously declared: "If we had known all this before, we would have stopped our work long before this."

To make this clear to me, he illustrated his remarks with a number of examples from the 'illegal world' from which it was supposed to be evident how much discord there was, and the great danger of Communism. Without their knowledge of it -so he said- the agents were being forced to send coded messages to Russian spies. In Rotterdam alone there were five such spies, he said. As an example of the widespread discord, he told me the story of the arrest of 'Lange Jan'
(Jan Thijssen, RVV). He also told me  all the details of Tini (Didi) Gaazenbeek. He was most indignant about this affair. Tini, courier to 'Nol', had been set free by him so that she could contact 'Bert' (Bert de Goede) from Rotterdam, and had been picked up by the KP. (Haubrok dacht dat Didi door de KP geëxecuteerd was.)

Of course it would be possible for me to meet the same fate if I cooperated with him, but he promissed to go about more carefully this time. He insisted that in any trials I would have to undergo, it would be best for me to cooperate completely. He said that Hans was also strongly in favour of this. I asked if I could speak to Hans again and he gave his permission.

The same day he took me to Hans' cell. He was known there as Hans de Bruin - at least that was the name I saw on the note where his temperture was recorded. Hans looked much better than in Amsterdam; he looked more normal, and talked quite naturally with me. Haubrok stayed with us, and Nol was also present. The conversation was not very important. Hans told me he was being treated decently but he felt pretty bad. He was not able to sleep and was not given a sleeping draught as he was still too weak. He asked about Pietje
(Jard) and I told him he was OK.

Then he told me that Haubrok was the man who represented the SD contact and to whom we had to deliver the technical material in December 1944 and whose address we had received from England: Anna Pavlowastraat, Den Haag. Hans had chosen Felix for this task at the time and Felix had gone to The Hague to deliver the material and find out how matters stood. They had been given the wrong address - it should have been Anna Pavlowaplein. The whole thing had been a trap, for when Felix returned to the address on the A.P. plein, he sent someone else over and waited a little further on. They were both arrested by the SD
(The Saskia Game). On his way to prison Felix, who had not been searched, opened fire and escaped. One German was killed and Felix had been wounded. So without realising it we had been in contact with Haubrok before.

After talking to Hans for about half an hour, I had to leave and Haubrok continued the conversation with me alone. Inside Hans' cell we had not spoken about Haubrok's suggestion.

This was the last time I saw Hans, he died three days later, on Saturday February 24th.
TERUG NAAR OVERZICHT
w.mugge@home.nl